Jan de Cock

Spaanplaat

Jan de Cock (Etterbeek, 1976) had al eens solotentoonstellingen in Tate Modern en MoMA New York, en dat zeggen weinigen van zijn leeftijd hem na. De Belgische kunstenaar vult nu Fons Welters’ galerieruimte in Amsterdam met een grote installatie, Repromotion. Installatie, zeg ik, want dat dekt in elk geval de lading: Repromotion bestaat uit een aantal losse, kleine werken in het soort geplastificeerde spaanplaatpanelen waar vroeger Bruynzeel-keukens van gemaakt werden en die nu uit de Ikea-doos komen glijden. Het zijn een beetje pagode-achtige torens, die weer zijn geplaatst in een groot bouwwerk uit bewerkt en onbewerkt spaanplaat en mdf, op een groen metalen grid, hier en daar beschilderd en bedrukt met foto’s van gebouwen in ruïneuze staat. Het is een heel ding; je kunt er doorheen lopen.

Repromotion heeft een paar duidelijke referenties. De Cocks eerdere werken heetten Denkmal, met de gezochte dubbele betekenis van ‘monument’ en ‘vorm voor gedachten’, en waren altijd gekoppeld aan c.q. gemaakt voor de ruimte waar ze waren opgebouwd. Hier is De Cock meer generiek; de losse elementen in Repromotion dragen de namen van plaatsen op de Balkan; de foto’s van beschadigde gebouwen lijken te verwijzen naar de oorlog en de reductie van architectuur tot de grove basisvorm van de ruïne.
Het geheel lijkt onvoltooid, een schets, een maquette voor iets groters. Het is dus architectuur, zou je zeggen, hoewel de galerie zich op de vlakte houdt en het heeft over ‘autonome sculpturale volumes’ in een ‘landschap’, maar een landschap is het niet, lijkt mij. Het heeft iets van een winkel, of een stand op een beurs, want de sculpturen staan er wat etalage-achtig in opgesteld (en ze zijn afzonderlijk te koop), maar dat is het ook niet. Stedenbouwkunde is het evenmin. Wat is het dan wel?
Dat is niet makkelijk te zeggen. De Cocks werk wordt vaak in verband gebracht met dat van beeldhouwers als Donald Judd en Dan Graham, grote kistvormige structuren die spelen met de ervaring van de ruimte waarin ze staan opgesteld. Ook een relatie met Mondriaan wordt vaak gelegd, maar dat zie ik niet zo; wel weer met Theo van Doesburg en zijn pogingen om te komen tot een manifest over architectuur. De Cocks installatie deed mij denken aan een paar architectuurschetsen van Van Doesburg, of beter gezegd: ‘contra-composities’, schetsen waarin vlakjes in primaire kleuren elkaar bijna toevallig lijken te ontmoeten rond een punt in de ruimte, waar ze een bouwvolume vormen, een huis, bijvoorbeeld. De grote De Stijl-kenner Hans Jaffé noemde die manier van ontwerpen ‘een ruimtelijk dóórdringen van de delen’: ‘De verdeling van ruimtes in blokken en dozen (…) maakt plaats voor een andere opvatting, die de nadruk legt op de voortgaande beweging van de ruimte, op het doorstromende ritme.’ Door die ‘melodische beweging van het bouwlichaam’, schreef Jaffé, ‘werd de factor “tijd” opgenomen in het proces van het ontwerp’. Het Rietveldhuis in Utrecht was de eerste poging om dat ook in het echt uit te voeren. Is De Cocks werk ook zo te zien, als een tijdelijk vastgetimmerde beweging van panelen en uitzichten die even een podium bieden voor losse kunstwerken, die weer net zo zijn samengesteld, en dan weer ‘voortbewegen’?
Je moet gewoon kijken, beter kijken, zou De Cock zeggen (die graag een boom opzet over het belang van ‘kijken’ in zijn werk). Wie niet goed kijkt, zal ‘de beweging’ niet zien. Ik weet ‘t niet. Misschien is het wel helemaal geen architectuur. Misschien is het wel een atlas op kamerformaat, een kunstig uit elkaar gevouwen timmerkist van platen en beelden en beeldjes, een reizend panopticum dat weer ingepakt kan worden voor een andere bestemming in een andere ruimte, waar je weer anders moet kijken.

Jan de Cock, Repromotion, Galerie Fons Welters, Bloemstraat 40, Amsterdam, t/m 6 maart. En op Art Rotterdam, 4 t/m 7 februari. www.fonswelters.nl