De wurggreep van de crisis

Spaans domino

In Seseña nabij Madrid is de crisis overal zichtbaar, vooral na een recent bouwfiasco. Het dorp is illu­stra­tief voor de malaise in heel Spanje. En Tika is gaan bedelen.

Tika staat sinds kort bij de Lidl in ons dorp, San Lorenzo de El Escorial. Een wat dikkige, op het eerste gezicht slome, ongeschoren man uit Roemenië die je in normale omstandig­heden ‘nog geen cent zou geven’. Toch staat hij precies daarvoor, uren aaneen, groet de bezoekers zonder uitzondering vriendelijk en krijgt in negen van de tien gevallen onbestemd gemompel terug. Soms krijgt hij iets toegestopt. ‘Hoeveel ongeveer per dag?’ vraag ik als we in mijn auto naar zijn huis rijden. Ik had hem al een paar keer aangesproken en uiteindelijk aangeboden hem een keer thuis te brengen, naar Galapagar, een dorp dat net als het onze in de straal van Madrid ligt, een kilometer of tien verderop.

‘Vandaag zeventien euro’, zegt Tika.

‘Is dat gemiddeld?’

Hij denkt even na, rekent. ‘Nee, dat is veel. Meestal heb ik minder.’

‘Hoeveel minder?’

‘Een paar euro. Over het algemeen haal ik twaalf, dertien, veertien euro op, zoiets.’

‘En hoe laat begin je daarvoor?’

‘Ik ga rond acht uur weg en ben tegen een uur of zes weer thuis.’

‘En van die twaalf euro moet je ook nog de bus betalen?’

‘Klopt, twee euro heen, twee terug.’

‘Dan “verdien” je nog geen euro per uur.’

‘Ja, ongeveer.’

‘Dan kun je beter thuis blijven.’

‘Dat is niet waar want thuis verdien ik helemaal niets. Bovendien word ik daar gek. En van het geld dat ik ophaal, betalen we het eten.’

‘En de huur, het licht, water, kleren?’

‘Vraag dat maar aan mijn vrouw.’

Michaela, Tika’s vrouw, is uit ander hout gesneden. Terwijl hij er ook thuis ingezakt bij zit, murw, spuiten haar ogen vuur. Zij kent de feiten. Zij organiseert. Zij had tot voor kort nog een baan. Zij verzorgt de kinderen. Zij spreekt van de twee verreweg het beste Spaans. Murw is zij dan ook niet, wel wanhopig. Maar dat laat ze nauwelijks merken, zeker niet waar de kinderen bij zijn. Want wanhoop, zo weet Michaela en dat zegt ze ook met zoveel woorden, betekent het einde. ‘Kan ik me niet permitteren.’ Onderwerp gesloten.

Toch is dat ‘einde’ precies wat op dit moment in Spanje alom gevreesd wordt: de gedachte, ja mogelijkheid dat de situa­tie voorlopig niet zal veranderen, eerder nóg slechter zal worden. Op televisie speelt, afgezien van verstrooiingen als de Olympische Spelen, slechts één thema: crisis. Ook gesprekken met vrienden, kennissen en buren gaan in negen van de tien gevallen daarover. Overal lege etalages, gesloten bedrijfspanden, huizen te koop, te huur, te huur met recht op koop, uitverkoop, liquidatie, plus het gemopper, gepraat en geklaag daarover. Je moet wel met je hoofd in de wolken lopen om niet met je neus op de feiten gedrukt te worden.

Ter illustratie van de situatie waarin de Spaanse economie verkeert, trekken buitenlandse journalisten sinds geruime tijd veelal naar Seseña, een dorp in de provincie Toledo, een kilometer of veertig van Madrid. Het zou het dieptepunt zijn van de Spaanse bouw­bubbel. Tot voor kort was Seseña nauwelijks anders dan honderden andere Spaanse dorpen die aan min of meer doorgaande wegen liggen. Lelijk als je erdoorheen rijdt en mooi of op z’n minst aardig als je stopt en even van die doorgaande weg afwijkt. Die weg bestond veelal uit dode gevels waaraan enkele bars en een paar onbestemde winkels. Maar zoals in zo goed als al die ‘gunstig gelegen’ dorpen kwam ook in Seseña begin 21ste eeuw de verandering. In dit geval was Francisco Hernando ofwel Paco el Pocero (‘Paco is de afkorting van Francisco, el Pocero betekent letterlijk ‘iemand die putten slaat’) verantwoordelijk. Hij besloot van het dorp zijn levenswerk te maken door er maar liefst 13.508 woningen neer te zetten. Althans, dat was het plan.

Ook wij hebben die verandering op alle mogelijke manieren ervaren. In 1989 hadden mijn Spaanse vrouw en ik in de provincie Toledo een huis gekocht voor een prijs waarvoor je ook toen in Nederland net een vakantiewoninkje kon krijgen. Het was geen slechte investering, het was geen slecht huis en bovenal: het dorp lag goed, op ongeveer dezelfde afstand van Madrid als Seseña. Vandaar dat er rond 1990 – de tijd van transitie oftewel het Franco-tijdperk was definitief voorbij, Spanje maakte daadwerkelijk deel uit van Europa, de socialisten onder Felipe Gonzáles hadden de eerste grote stappen op het pad van de modernisering gezet, het Jaar U, 1992, met zowel Olympische Spelen als Wereldtentoonstelling, stond voor de deur – op steeds meer plekken nieuwe huizen verschenen.

Zo ook in ons dorp, Las Ventas de Retamosa. Ons nieuwe huis achter het centrale pleintje en de kerk was een van de eerste signalen van wat volgens iedereen zou komen: de grote sprong voorwaarts, nog even en ook dit dorp zou deel uitmaken van groot Madrid c.q. de moderne wereld.

Toch besloten we kort na de geboorte van onze dochter naar Nederland te gaan. Het huis hielden we aan, om er twee keer per jaar, met Kerst en in de zomer, voor bezoek aan familie en vrienden terug te keren. Iedere keer deden we dezelfde constatering: dat het dorp weer een stukje groter was geworden. De definitieve bevestiging van de verandering kwam in 2000. Tientallen wijngaarden aan de noordzijde, een paar vierkante kilometer landbouwgrond, werden binnen enkele maanden kaalgeslagen, in bouwpercelen verdeeld en van wegen, elektriciteit en water voorzien.

We besloten ons huis te verkopen en ten noorden van Madrid, in de frissere bergen en een beter beschermde omgeving, iets anders te zoeken. Om historische en culturele redenen ging mijn voorkeur uit naar San Lorenzo de El Escorial, het stadje dat zich gevormd heeft rond het zestiende-eeuwse kloosterpaleis van Filips II, waar de Spaanse koningen begraven liggen, de universiteit van Madrid zijn summer courses geeft, een achttiende-eeuws theater staat, een bruisend artistiek leven heerst, de Madrilenen graag de weekenden doorbrengen en een van de mooiere bibliotheken ter wereld is gevestigd. Mede om al deze redenen bestaat een groot deel van San Lorenzo, het deel boven het golfterrein, uit kapitale villa’s. Ooit werden ze bewoond door de politieke en militaire ‘crème’ van het Franco-regime, tegenwoordig door hun veelal in zaken of ambtenarij actieve kinderen en kleinkinderen, plus een groot aantal nouveaux riches.

We hadden geluk. Aan de andere kant van het dorp, daar waar tot voor kort koeien liepen en schapen graasden, was in de jaren zeventig een nieuwer, armer wijkje ontstaan, met een paar lage flats, wat rijtjeshuizen en enkele tientallen vrijstaande woningen. Een daarvan, het gebeurt zelden, stond in de zomer van 2000 te koop. Om een lang verhaal kort te maken: we kochten het. Nog voordat de koopakte was gepasseerd bood iemand maar liefst vijftigduizend gulden meer. Wat bleek? We waren precies op tijd geweest en hadden het huis ‘veel te goedkoop’ gekocht. Zelfs de eigenaar kreeg spijt en probeerde zijn gewezen eigendom terug te krijgen. Te laat. Twee jaar na de verkoop was het huis minstens het dubbele waard. Het proces van vooruitgang was in heel Spanje in een stroomversnelling gekomen.

Ondertussen vonden ook in San Lorenzo en omgeving ingrijpende veranderingen plaats. Dat hadden we niet verwacht, want het stadje behoort tot het cultureel erfgoed, je zou het ’t Versailles van Spanje kunnen noemen. Om die reden werd het geacht onaantastbaar te zijn. Dat het dat niet is, hadden we al gemerkt op de dag dat we ons toekomstige huis voor het eerst zagen. Toen we na een rondleiding buiten kwamen – het was een uur of zes ’s middags en bloedheet – stond de berg boven het dorp in lichterlaaie. Het werd een vreselijke brand, de ergste sinds mensenheugenis, er kwam een helikopterpiloot om het leven, vele tientallen hectaren dennen- en andere bomen werden in de as gelegd. Opzet? Toeval? Sindsdien is een deel van de kaalgeslagen grond bebouwd met lage, voor Spaanse begrippen mooie flats. De gemeentekas voer er wel bij. Dit was de alom verlangde vaart der volkeren.

Voor ons opvallender waren de veranderingen onder ons huis. Toen we het kochten, was er weinig meer te zien dan groen met hier en daar een dorp en in de verte de hoofdstad. Maar tussen 2002 en 2008 zagen we het panorama volledig veranderen. Overal verschenen nieuwe huizen, flats, hele wijken. Het was vooral ’s avonds, in de duisternis waarneembaar. De voor ons zichtbare afstand tussen Madrid en Toledo is één lange sliert van licht. Verreweg de meeste huizen, kantoren, werkplaatsen, fabriekjes en straten van die sliert zijn nieuw, gebouwd in de jaren dat Spanje boomde en miljoenen buitenlanders, onder wie Tika en zijn gezin, in het paradijs in wording een nieuw leven begonnen.

Vandaar dat niemand gek opkeek van de plannen van Paco el Pacero. Seseña ligt inderdaad fantastisch, economisch gezien althans, op slechts enkele tientallen kilometers van het centrum van Madrid en te midden van een aantal snelwegen. Terwijl de prijzen in Madrid de pan uitrezen, was de grond in Seseña begin 21ste eeuw nog relatief goedkoop. Vermoedelijk heeft projectontwikkelaar Paco er zelfs niet meer dan de prijs voor agrarische grond voor betaald, een paar euro per vierkante meter. Vandaar ook dat hij zijn woningen relatief goedkoop kon aanbieden. ‘Voor Jan en alleman een betaalbaar huis.’ Met dergelijke kreten liet hij overal in de omgeving grote borden neerzetten.

Rond 2005 werden de eerste vijfduizend nieuwbouwwoningen in Seseña opgeleverd. De verkoop ervan was weliswaar niet heel goed maar ook niet zo slecht gelopen. Een veeg teken was wel dat de meeste kopers niet van plan waren in het dorp te gaan wonen. Zij kochten een huis of flat om van, niet om in te leven, zoals de Spaanse krant El País in april 2008 schreef. Op dat moment en nog voordat er van crisis gesproken werd, was echter al duidelijk dat Paco el Pocero zijn hand had overspeeld en dat de meer dan dertienduizend geplande woningen er voorlopig niet zouden komen. Te meer niet omdat het dorp binnen korte tijd uitgroeide tot ‘hoofdstad van het bouwfiasco, capital del fiasco immobiliario’, aldus de kop van genoemd artikel in El País.

Hele straten zijn verlaten, buiten het dorp staat een wijk met duizenden flats en niet meer dan enkele tientallen bewoners, alom liggen grote stukken bouwrijp land waaruit elektriciteits- en wateraansluitingen steken en overal staan van die tijdelijke, in betonblokken geplaatste hekken om de bouwmaterialenrovers buiten te houden, te voorkomen dat kinderen de woningen binnendringen of om aan te geven dat de zo mooi begonnen weg enkele honderden meters verderop eindigt in een gat. De crisisplaatjes liggen er schietklaar.

Maar al is de situatie in Seseña ernstig, het bouwfiasco van dit Toledaanse dorp is minder uitzonderlijk dan veelal wordt gesuggereerd. Heel Spanje is als dat dorp, niet overal in dezelfde concentratie of dezelfde mate maar toch, het fenomeen is overal hetzelfde en her en der, aan de kust met name, zelfs nog ernstiger.

Ik zou dan ook niet Seseña maar het honderd kilometer zuidelijker gelegen vliegveld van Ciudad Real het symbool van de crisis willen noemen – al is het alleen al omdat het in het hart van de streek van Don Quichot, La Mancha, ligt en aanvankelijk ook naar de Ridder van de Droevige Figuur genoemd zou worden. Zo ver is het nooit gekomen, ook al niet omdat meteen na de opening in oktober 2008 duidelijk was dat het project zou mislukken en de betrokkenen al het mogelijke deden die mislukking niet ook nog eens in de naam te doen uitkomen. Nadat slechts enkele tientallen duizenden reizigers van – wat officieel heette – Aeropuerto Central Ciudad Real gebruik hadden gemaakt stopten in augustus vorig jaar alle passagiersvluchten en sinds enkele maanden is het vliegveld ook voor privé-vluchten niet meer toegankelijk. Het ligt er, groots en dood in de brandende zon, een kilometerslange schim van meer dan een miljard euro. Zoiets verzon zelfs Cervantes niet.

Het is niet moeilijk talloze vergelijkbare projecten op te sommen: autowegen, kantoren, overheidsgebouwen, hotels, flats maar vooral huizen, honderdduizenden huizen, volgens redelijk betrouwbare schattingen staan er maar liefst vijf miljoen te koop. Hoe kwalijk dit ook is, het betreft slechts stenen, kale stukken grond, lege bouwputten, roestende hijskranen, staketsels, verlaten straten, spookachtige constructies, leegstand, kortom materie. Het wordt erger als je je realiseert wat al die rotzooi en verlatenheid voor de omgeving betekent, voor het uitzicht, het milieu, de leefbaarheid.

Maar het is werkelijk hartverscheurend als je ziet wat de gevolgen ervan zijn voor mensen, voor Tika en zijn gezin, voor de Ghanees die bij Día, een andere Spaanse supermarkt staat, voor Edmundo, de Ecuadoriaan met wiens kinderen onze dochter vroeger speelde, voor de vrienden van Nacho, de Colombiaan die onze tuin bijhoudt, voor de Marokkanen die verderop in onze straat wonen en voor een hele generatie Spaanse jongeren. Hun verhaal verschilt slechts in detail en graad van andere verhalen.

Tika is 38, Michaela vier jaar jonger. Beiden groeiden op in een voorstad van Boekarest. Michaela was achttien toen ze zwanger raakte van het eerste kind, een dochter. Enkele jaren later werd een tweede dochter geboren. Het leven in Roemenië was eind twintigste eeuw niet eenvoudig, vandaar dat het hele gezin bij Michaela’s moeder inwoonde, samen met vier broers en het zusje. Werk was er nauwelijks. Tika had een baan bij de spoorwegen, legde rails aan, tot hij in 2000 op straat kwam te staan. Een van Michaela’s broers was naar Spanje vertrokken. Die stap lag voor de hand. Het is voor Roemenen relatief eenvoudig zich in Spanje verstaanbaar te maken. Maar taal is niet de enige reden dat zoveel Roemenen begin 21eenentwintigste eeuw naar Spanje vertrokken. Er was veel werk, het zou voor het oprapen liggen en zeer goed betalen – beide bleek sterk overdreven. En tot slot was het in Spanje, in tegenstelling tot in de meeste andere Europese landen, relatief eenvoudig een werkvergunning te krijgen.

Gevolg hiervan is dat men vanaf 2001, 2002 van alle kanten richting Iberisch schiereiland trok, niet alleen vanuit Roemenië maar ook vanuit andere Oost-Europese landen, Latijns-Amerika en Afrika. Al met al gaat het, een onbekend aantal illegalen niet meegeteld, om zo’n vijf miljoen mensen, geregistreerd! In 1998 was 1,6 procent van de Spaanse bevolking, iets meer dan 600.000 mensen, van buitenlandse komaf. Dat waren vooral Europeanen, rijken dus die met hun pensioen en spaargeld de economie spekten, plus een overzichtelijk aantal Marokkanen en Latijns-Amerikanen die de vuile klusjes opknapten. Tien jaar later was meer dan 11 procent van de bevolking van buitenlandse komaf en betrof het niet rijken die kapitaal brachten maar armen die het kwamen halen. Onder hen waren zo’n half miljoen Roemenen (het zijn er op dit moment meer dan 800.000), 600.000 Marokkanen (nu eveneens 800.000) en een half miljoen Ecuadorianen (nu 350.000, veel Latijns-Amerikanen keren op dit moment terug, vaak laten ze hun nu waardeloze flatjes simpelweg achter: voor de bank). Het is bij nader inzien onbegrijpelijk dat zoiets in zo korte tijd heeft kunnen gebeuren. Maar de cijfers zijn in alle rapporten terug te vinden, niemand die ze ontkent.

Aangemoedigd door haar broer vertrokken in 2003 ook Tika en Michaela naar Spanje. Tika vond meteen een baan als peón (hulpje) in de bouw, Michaela kon overal schoonmaken, samen verdienden ze weldra vele keren meer dan ze in Roemenië ooit verdiend hadden. Het waren mooie tijden, zeggen beiden ook nu nog. In hun enthousiasme lieten ze (schoon)moeder met de kinderen komen, haalden ook andere familieleden over, huurden een eigen flat, leerden Spaans, stuurden de kinderen naar school, maakten in de weekenden kleine uitstapjes, genoten van het warme klimaat, kortom het leven lachte hen toe.

Eind 2008, begin 2009 ging het fout. De in 2007 in de Verenigde Staten begonnen bankencrisis eiste zijn tol en bracht tot stilstand wat tot dan toe dynamisch was geweest: de Spaanse bouwmarkt. Voor Tika en zijn gezin was er voorlopig nog weinig aan de hand. Tika was jaren ‘in vaste dienst’ geweest en ontving op basis daarvan gedurende acht maanden een uitkering van zo’n zeventig procent van het laatst genoten loon. Bovendien had Michaela nog wel werk. De bouw was weliswaar grotendeels tot stilstand gekomen, de rest van de economie onderging hiervan slechts ten dele de gevolgen. Ups downs, zo was het kapitalisme ofwel de markteconomie. Bij elke down wist je dat de up er al weer aankwam.

Tika en Michaela dachten niet anders. Maar begin 2010 werd de situatie toch vervelend. Alle pogingen van Tika om werk te vinden bleken tevergeefs, de werkloosheidsuitkering van zo’n 800 euro had plaatsgemaakt voor een bijstandsuitkering van 450 euro. Gelukkig had Michaela nog steeds een baan, nu als schoonmaakster in een privéschool. Daar verdiende ze zo’n 800 euro, extra’s en overuren niet meegeteld. Met de 450 van haar echtgenoot was dat nog steeds voldoende om van te leven: ruim 600 euro ging naar de huur, daar kwam zo’n 200 euro bij voor vaste lasten, bleef 450 over voor eten, kleren, verzekering en medicijnen. Het stel had in de euforie een derde kind gemaakt, opnieuw een dochter. Ze werd geboren in 2008, eigenlijk precies op het verkeerde moment, en was nog ziekelijk ook. Maar ja, que vamos hacer, wat moet je daartegen nu beginnen?

Zoeken, werk zoeken. Dat moest en bleef Tika doen, van solliciteren tot briefjes in de brievenbus en van rondvragen tot aanbellen. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat hij me niet erg handig lijkt. Ook is hij, denk ik, geen groot licht. Gespecialiseerd is hij evenmin. Veel meer dan spoorrails aanleggen kan hij niet en hij behoort vermoedelijk daarom tot degenen die de eerste en de hardste klappen krijgen. En die klappen kwamen. In de loop van 2010, 2011 en dit jaar werd immers steeds duidelijker dat het in Spanje volstrekt de verkeerde kant op ging.

Aanvankelijk dacht de socialistische regering wat iedereen dacht: dat het tij te keren viel. Vandaar dat zij enorme sommen investeerde in nieuwe projecten, hulpprogramma’s, werkloosheidsuitkeringen, subsidies en wat al niet meer. Bij nader inzien hebben al die investeringen de crisis alleen maar verergerd. Almaar groter werd de nationale schuld, almaar kleiner de mogelijkheid mensen als Tika de helpende hand te bieden. Vooral in het afgelopen jaar oogt de Spaanse economie als het televisiespel dat enkele jaren geleden zoveel belangstelling genoot: dat van de miljoenen dominostenen. Met twee verschillen: het ene is dat de stenen vanzelfsprekend niet bewust zo zijn neergelegd dat de val van de ene die van de andere met zich meebrengt; het andere dat de werkelijkheid in tegenstelling tot het spel geen ‘fouten’ kent: de stenen vallen en blijven vallen.

In de loop van 2011 ontving Tika geen bijstand meer. In zekere zin kwam het goed uit dat hij veel thuis was. Ze hadden immers dat nakomertje, de oudere dochters gingen overdag naar school, moeder werkte en dus paste Tika op. Met het inkomen van Michaela kon het stel net de lopende kosten dekken, Tika moest dus iets bijverdienen. Dat lukte, hap snap, een klusje hier, een klusje daar. De grote stap, bedelen, had hij nog niet gezet. Zoiets doe je niet. Wie gaat er nu bedelen?

In 2012 ging Tika bedelen. Hij had voor zijn gevoel alles geprobeerd. Klusjes waren steeds moeilijker en uiteindelijk zelfs helemaal niet meer te vinden. Ook was hij murw geworden, wanhopig, ten einde raad, vooral nadat eind juni een zo mogelijk nog kwalijker nieuwtje kwam: dat de school waar Michaela werkt voor het nieuwe jaar weinig nieuwe aanmeldingen heeft. Hoe weinig het er uiteindelijk zullen zijn, weet het stel nog niet, maar het vreest het ergste. Zo werkt het domino-effect. De school is relatief duur, de ouders (Spanjaarden) lijden onder de crisis, trekken de broekriem één of twee gaatjes aan en sturen de kinderen naar een goed­kopere, publieke school. Eind juni 2012 ontving Michaela haar laatste salaris. In de zomermaanden, als de school dicht is, wordt ze nooit betaald. Ze is in losse dienst en heeft dus ook geen recht op een uitkering. Het gezin verhuisde twee maanden geleden al naar een goedkoper appartement, hartje Galapagar. Het kost echter altijd nog 525 euro per maand, voor minder is er in Spanje en zeker in de omgeving van Madrid niets te vinden. Deze maand (augustus) zullen ze er nog niet uit­gegooid worden omdat er, zoals in Spanje gebruikelijk, één maand borg is betaald. Maar in september?

‘Geen idee’, zegt Michaela. Het gezin zit aan de maaltijd. Het is een uur of vijf ’s middags, zowel voor Spaanse als Roemeense begrippen een vreemde tijd om te eten. De maaltijd is sober en bestaat uit brood, met melk geklopte eieren (‘omelet’), sperzieboontjes en water. Michaela zelf eet niet en ook Tika maakt tot mijn verbazing geen aanstalten. Ze vertellen beiden dat ze geen honger hebben. gt;

‘Wanneer hebben jullie dan voor het laatst gegeten?’ vraag ik. ‘Gisterenavond’. ‘En vanmorgen?’ ‘Koffie gedronken.’

Hierop ontspint zich een lang en ingewikkeld gesprek over honger, trek en zorgzaamheid. Daaruit blijkt dat de drie op ingewikkelde wijze samenhangen. In betere tijden ontbeten Michaela en Tika zoals ze, net als de Spanjaarden, ook ’s middags en ’s avonds aten. Maar naarmate ze het slechter kregen, begonnen ze ook slechter te eten, aanvankelijk om te voorkomen dat hun kinderen het eveneens slechter zouden krijgen, op den duur omdat ze steeds minder trek hadden. Tegenwoordig kunnen ze een en ander niet langer uit elkaar houden. Trek hebben ze zelden, honger voortdurend. Maar het is een honger die de keel snoert, een honger die, als ik het goed begrijp, maakt dat je juist niet eet.

‘Maar als je niet eet, ga je dood’, zeg ik. ‘Bovendien heb je dan minder energie. Daardoor vind je nog minder snel werk.’

Ik krijg twee knikken als antwoord. Ik heb vast gelijk maar het is een onzinnig gelijk.

‘En hoe doen jullie het bijvoorbeeld met kleren?’ vraag ik.

‘Kleren kopen we nooit’, zegt Michaela, ‘al lang niet meer. Kleren vinden we, bij de vuilnisbak.’

Een jaar of zeven geleden schreef ik een boek over armoede (Een dollar per dag: Arm en rijk in de wereld van nu) en trok daartoe onder meer door Mali, Bolivia en India. Wat ik meemaakte, was schrijnend maar volstrekt anders dan ik afgelopen weken in Spanje zag. Erger, minder erg? Het is onmogelijk te zeggen, bovendien zijn vergelijkingen (‘leedmeten’) in zaken als deze dom en gênant. Even afgezien van situaties waarin mensen daadwerkelijk sterven van de honger (dat heb ik nooit meegemaakt) is armoede een relatief begrip. In genoemde landen hadden de door mij bezochte personen het zwaar, maar het was een last die ze deelden met de omgeving, een last ook waaraan men gewend was geraakt: zo was het en niet anders. In het geval van Tika, Michaela en hun ontelbare lotgenoten ligt het omgekeerd. De omgeving is anders, het verleden was anders en juist dat maakt het hier en nu ondraaglijk.

‘Onzin’, roept José. ‘Spullen pakken en wegwezen. Ze hebben hier niets te zoeken. Ze kunnen niets, ze willen niks. Oprotten.’

Het is zondag en zoals altijd op die dag lopen we tussen tien uur ’s morgens en één uur ’s middags naar de top van de berg achter het dorp, een van de hoogste punten van de Sierra de Guadarrama, dezelfde berg waarvan het eerste stuk tien jaar geleden afbrandde. ‘Wij’ dat zijn timmerman José, Miguel de elektricien, Emilio de slager, Pepe de criminoloog en ik. Onderweg wordt veel gepraat, tegenwoordig natuurlijk vooral over ‘de crisis’. Behalve Pepe, die een baan heeft aan de politieacademie, zijn allen kleine zelfstandigen en behoorlijk geraakt. Miguel had een jaar of vier geleden nog tien man in dienst. Nu is dat er nog één, plus zijn inwonende dochter en een oude baas die, geloof ik, vooral bezig gehouden wordt en geen salaris ontvangt. José had minder personeel maar heeft nu niemand meer in dienst. Hij runt de zaak met zijn thuiswonende zoon en echtgenote. Zij heeft er sinds kort ’s middags zelfs een oppasbaantje bij, zogenaamd omdat ze zich verveelt maar ik vermoed dat er meer speelt. Dat zullen ze echter nooit zeggen, zoals Michaela ook beslist niet wil dat ik foto’s neem van haar gezin. Trots. Het is me al vaak opgevallen. Het is soms het laatste wat rest.

José is een opgewonden standje. Ik heb tijdens onze wandeling verteld over mijn bezoek aan Tika en zijn gezin en laat mededogen doorklinken. Dat gaat hem te ver en ik krijg een wildersiaans betoog over me heen. Die buitenlanders hebben hier niets te zoeken, de meesten van hen kwamen om zich vet te mesten, dat hebben ze gedaan, ondertussen is het land verpest, alles wat ze gemaakt hebben, moet weer afgebroken worden (ze kunnen nog geen steen metselen) en nu moeten ze vertrekken, liever vandaag dan morgen, voordat ze allemaal in de criminaliteit terechtkomen. De rest van ons wandelgroepje, evenals de meeste van mijn andere Spaanse vrienden, onder wie een arts-politicus, een chemicus en een apotheker, zijn grosso modo dezelfde mening toegedaan, zij het dat zij die veelal rustiger of intellectueler verpakken. Maar allen stemmen in met het (bezuinigings)beleid van de Partido Popular, die op dit moment aan de macht is, en schrijven het merendeel van de crisis op het conto van de socialisten, in het bijzonder op dat van de gehate Zapatero, de big spender. Mijn pogingen de complexiteit van de situatie – een onontwarbare mix van (te) snelle modernisering, globalisering, gebrekkige economische structuur, blind optimisme, politieke corruptie en een veel te snelle en te grote instroom van buitenlanders – te beklemtonen, wordt weggehoond.

‘Het komt vast door Zapatero’, spot ik. Alle hoofden knikken.

De aanhangers van de Partido Popular zijn niet de enigen die hapklare oplossingen aandragen. De duizenden die dag in, dag uit de Spaanse straten op gaan, de pleinen bevolken en op hun spandoek, T-shirt of pet van hun woede getuigen, doen niet anders. Ondertussen proberen de meer creatieven het hunne te doen. Zo wordt in bijna ieder wat groter dorp of iedere stad minstens eens per week door een kleine groep een soort volksvergadering gehouden. De aanwezigen zijn zonder uitzondering van politiek linkse signatuur, linkser dan de socialisten, en voelen zich verbonden met de Indignados, Occupy, 15M of een van de andere alternatieven die in de afgelopen jaren ontstaan zijn. De bijeenkomsten zijn vaak zeer praktisch en gericht op de verbetering van kleine, concrete, lokale problemen. Ondertussen zijn ontelbare mensen ­opgehouden te praten en overgegaan tot daden of aanzetten daartoe. Een van onze ­overbuurmannen probeert zijn zoon over te halen naar Brazilië te vertrekken. De zoon voltooit binnenkort de sportacademie, in Spanje heeft hij geen enkel uitzicht op werk (ongeveer de helft van de jongeren is werkloos en volgens mij zijn die cijfers nog geflatteerd ook), hij liep zijn stage in Portugal en spreekt dus goed Portugees, de economie van Brazilië boomt, kortom de uitkomst ligt voor de hand. En inderdaad, steeds meer Spaanse jongeren trekken naar het buitenland, zelfs naar landen waarvan dat tot voor kort niet voorstelbaar was, Marokko onder meer.

Anderen zoeken de oplossing in geheel andere richting. Zo zie je op dit moment overal in Spanje ruilhandeltjes ontstaan. Alleen al in Madrid zijn er minstens vijf winkels die zich uitsluitend daarmee bezighouden. Je komt met een strijkbout en gaat weg met een schaal, je brengt een wieg en haalt een box, je ruilt een (speelgoed)beer voor een (speelgoed)auto. Daarnaast is er wat moneda social wordt genoemd, sociaal geld, zeg maar ‘een dienst voor een dienst’, elk van beide uitgedrukt in tijd die opgeslagen wordt op een zogenoemde ‘tijdbank’. Je doet een klus voor anderhalf uur, hebt behoefte aan een klusje van een uur en laat dus een half uur op ‘je rekening’ staan. Alternatieven als deze zijn er in het Spanje van tegenwoordig in overvloed. Ook zijn er boeken over het ‘leven zonder werk’, websites, organisaties, beurzen en is er veel aandacht voor experimenten als die in het Andalusische dorp Marinaleda waar het openbare leven lang geleden al weer volgens communistische principes werd ingericht. Het werd altijd een dwaas geval gevonden, tegenwoordig wordt daarover anders gedacht. Tegelijkertijd is het eenvoudig te begrijpen dat dergelijke initiatieven, behalve wellicht voor de direct betrokkenen, weinig zoden aan de dijk zetten.

Maar wat doet dat wel? Gedurende meer dan twee weken heb ik na mijn dagelijkse omzwervingen door crisisland ’s avonds televisie gekeken en alle verstandige mannen en vrouwen van Spanje en andere westerse landen verstandige en minder verstandige dingen horen zeggen. De conclusie kan er maar één zijn: men heeft geen idee hoe en waar de val te stoppen. Hoe zouden anderen, met minder verstand van zaken, het dan moeten weten? Vandaar dat ik nu maar even boodschappen ga doen, voor Tika en Michaela.