Rustplaats van Filips II

Spaans Versailles in verval

Zoals overal in Spanje is in San Lorenzo de El Escorial de situatie weinig rooskleurig. Huizen en winkels staan leeg en er is nauwelijks werk. En dat terwijl het dorp twee grote trekpleisters heeft.

Medium hh 19379148.jpg

Elke Spanjaard heeft ervan gehoord. En elk jaar wordt het door honderdduizenden buitenlandse toeristen bezocht. Nou ja, bezocht? Aangedaan is een beter woord. Ze komen met een bus die op enkele honderden meters afstand van de plaatselijke bezienswaardigheid wordt geparkeerd, lopen daar doorheen, doen eventueel nog een drankje op het aangrenzende plein (meestal niet), kopen een souvenirtje (zelden) en gaan verder. Zoveel vliegensvlug is de plaatselijke middenstand een doorn in het oog. Niettemin heeft die middenstand niet te klagen. Het dorp heeft tenminste nog een symbool, eigenlijk twee, al is dat tweede symbool sinds lang inzet van debat en zou het volgens velen met de grond gelijk gemaakt moeten worden.

Het is vooral daarom dat het ’t dorp relatief goed gaat, met de klemtoon op relatief, want in de afgelopen jaren gebeurde hier hetzelfde als overal elders in Spanje: de economische crisis trok diepe sporen. De jeugd nam de benen of verviel in lethargie. Een onevenredig groot aantal huizen staat leeg, cijfers van het Spaanse Bureau voor de Statistiek spreken van meer dan duizend, zo’n tien procent van het totaal, maar iedereen weet dat het er meer zijn, het hoge percentage tweede huizen nog niet meegeteld. Er vallen steeds meer gaten in de straten. Talloze winkelpanden staan te koop en worden in een vlaag van hoop of wanhoop nu eens geopend met de ene (nagelstudio) dan weer met de volgende (derdewereldartikelen) tot mislukken gedoemde handel.

De twee belangrijkste, sinds de negentiende eeuw bestaande hotels, hebben onlangs de deuren gesloten. Tal van cafés sluiten eveneens en de cafés die dat nog niet hebben gedaan, wankelen. De zes of zeven enorme supermarkten, geopend in de jaren van de grote boom aan het begin van deze eeuw, zijn zo goed als verlaten. De plaatselijke middenstand – winkelier, elektricien, slager – heeft het zwaar. Bedrijven zijn in de loop van de jaren uitgedund, van zeg zes medewerkers naar drie, en van drie naar alleen nog de eigenaar. Hij of zij wordt af en toe geholpen door de partner, een zoon, dochter of neef.

Medium san 20lorenzo01

Er hangt vermoeidheid in de straten en uit veler monden klinkt bitterheid. Want de tijd van boosheid is langzamerhand wel voorbij. Jarenlang zei iedereen dat er iets moest gebeuren. Er gebeurde niets, behalve dat het van kwaad tot erger ging. Meer werklozen, meer lege huizen, meer dichtgetimmerde winkels, meer emigranten, meer gaten in de weg. Na zoveel tijd en tegenslag slaat boosheid om in gelatenheid, zo niet cynisme. Een tunnel zonder eind en zonder licht, zegt een van de leden van de lokale partij Vecinos (‘Buren’).

We zitten met de onlangs gekozen burgemeester op het stadhuis en bespreken de plaatselijke situatie plus de politieke plannen. Het is half augustus en een van de eerste dagen van de jaarlijkse feestweek. Daarin worden voor het eerst sinds mensenheugenis geen stierenvechten gehouden. Geen geld. De diagnose is dan ook somber. ‘Somber, niet pessimistisch’, voegt de spreker toe. ‘Ik zou eigenlijk moeten zeggen: realistisch, een realisme dat vereist is om uit het slop te komen.’ De nieuwbakken burgemeester, Blanca Juarez, knikt. ‘Helaas’, zegt ze.

Want ondanks alles is er onlangs iets gebeurd, net als in honderden andere Spaanse steden en dorpen: een machtswisseling. In mei werden in Spanje gemeenteraadsverkiezingen gehouden en al is de regerende christen-democratische Partido Popular alles bijeengenomen nog altijd de grootste, ze kreeg nauwelijks meer dan een kwart van de stemmen (landelijk 26,7 procent). Dit had tot gevolg dat andere partijen zonder al te veel moeite een meerderheid konden vormen en de zittende machthebbers, vaak van diezelfde Partido Popular, verdreven. Dit is in vijftien van de 34 grootste Spaanse steden, zelfs in Madrid en Barcelona, gebeurd. Het gebeurde ook in talloze dorpen waaronder dit dorp: San Lorenzo de El Escorial, veertig kilometer ten noordwesten van Madrid.

San Lorenzo de El Escorial, een dorp waar ik al zestien jaar lang een paar maanden per jaar verblijf en waar ik ondertussen velen ken, is genoemd naar het klooster dat koning Filips II er in de tweede helft van de zestiende eeuw liet bouwen, in het midden van nergens, destijds was hier niets. Op een paar kilometer afstand lag een gehucht, El Escorial, verder waren er enkel bossen en bergen. ‘Dicht bij God’, zoals Filips veronderstelde. Ter meerdere glorie van Hem en zichzelf zette hij in het midden van dit niets een bouwwerk neer waarover bezoekers zich al eeuwenlang verbazen. In de zestiende eeuw werd het alleen al vanwege de omvang beschouwd als een wereldwonder en van heinde en verre bezocht. Tegenwoordig kennen we wel grotere gebouwen, maar wordt het kloosterpaleis van San Lorenzo nog altijd als zeer bijzonder gezien. Sommigen vinden het lelijk: te streng. Anderen vinden het mooi: strak. Maar niemand ontkent de bijzonderheid. Dit is het Spaanse Versailles, Potsdam, Buckingham Palace, ’s lands hart.

Als de situatie hier al zo goed als onhoudbaar is, hoe is het dan in de duizenden Spaanse dorpen en steden die ‘niets‘ hebben?

Rond het kloosterpaleis van Filips II, sinds lang ook de graftombe van de Spaanse koningen, groeide in de loop van de eeuwen een stadje. Er is een mooi achttiende-eeuws theater, er staan wat adellijke huizen, er zijn klassieke negentiende-eeuwse hotels en restaurants. In de twintigste eeuw werd dit alles massaler, te meer omdat San Lorenzo de El Escorial, zoals het dorp ondertussen heette, een centrum werd van Madrileens weekend- en zomertoerisme plus een symbool van de Spaanse, vooral franquistische chique. Boven het paleis verscheen een wijk met luxe huizen. Ze werden bevolkt door hoge officieren en vooraanstaande politici uit de omgeving van Franco. Trouwen in de basiliek van het kloosterpaleis werd het neusje van de zalm.

Al vroeg kreeg het dorp een mooie golfbaan, een van de eerste van Spanje. Ook werd hier een van de eerste Spaanse jeugdherbergen geopend. San Lorenzo werd een centrum van wandel- en fietstoerisme; het is er altijd flink wat graden koeler dan in Madrid. Verder kun je er op enkele tientallen kilometers afstand skiën. Kortom, redenen genoeg om te groeien en te bloeien. Woonden er halverwege de negentiende eeuw maar vierhonderd mensen in het dorp, vooral personeel van het kloosterpaleis, eind negentiende eeuw waren dat er vierduizend, rond 1960 achtduizend en tegenwoordig achttienduizend.

Naast het even vreemde als fascinerende kloosterpaleis van Filips II is er in San Lorenzo nog een tweede symbool dat de gemiddelde westerling in deze omgeving de wenkbrauwen doet fronsen: Franco’s monument ter herinnering aan de burgeroorlog, op een steenworp afstand van het dorp, feitelijk een fascistoïde mausoleum ter meerdere glorie van hemzelf en zijn ideologie. In dat mausoleum werd de dictator in 1975 ook begraven, tegenover de grote man van het Spaans fascisme, José Antonio Primo de Rivera. Beide mannen liggen er nog altijd, in een monument waar iedereen, voor- of tegenstander, de ogen uit kijkt. Het is zo groots, zo hard, zo pathetisch maar tegelijkertijd is het, hoe je er verder ook over denkt, indrukwekkend.

Onder de groeiende polemiek over de historische herinnering en de erfenis van de Franco-tijd staat dit mausoleum vanzelfsprekend scherp ter discussie en het zal vermoedelijk niet lang meer duren tot de stoffelijke resten van de dictator en zijn geestverwant er weggehaald worden. Wat er vervolgens met het bouwwerk en zijn omgeving gebeurt, geen mens die het weet. Voorlopig verandert dit niets aan het feit dat San Lorenzo de El Escorial vanwege het kloosterpaleis van Filips, tevens begraafplaats van het Spaanse koningshuis, en vanwege de door Franco gebouwde Vallei der Gevallenen, een plek met een verhaal is, een bevoorrechte plek. Vandaar dat de vermoeidheid en de bitterheid in de straten het ergste doen vrezen, voor heel Spanje: als de situatie hier al zo goed als onhoudbaar is, hoe moet het dan niet zijn in de duizenden Spaanse dorpen en steden die ‘niets‘ hebben?

Niettemin hebben Blanca Juarez en de haren goede hoop. Juarez is natuurkundige, moeder van drie kinderen, en was tot voor kort werkzaam bij de European Space Agency. Die baan heeft ze tijdelijk opgegeven met geen minder doel dan ‘de wereld te veranderen, beginnend bij mijn dorp’. Zij zag en ervoer hetzelfde als iedereen, maar weigerde bij de pakken neer te zitten. Ze sloeg met een aantal dorpsgenoten de handen ineen en richtte de lokale partij Vecinos op. Hoewel er in Spanje wel meer partijen zijn met deze naam is er geen overeenkomst. Want het perspectief van Vecinos is zuiver lokaal en van ideologie is nauwelijks sprake, waarmee de partij zich fundamenteel onderscheidt van de nieuwe meteoriet aan het Spaanse politieke firmament: Podemos. Terwijl Podemos vol ideeën zit, heeft Vecinos uitsluitend doelstellingen. De belangrijkste daarvan lijkt banaal: een sluitende begroting. De andere doelstellingen zijn zo mogelijk nog concreter: herstel van de markt, gratis parkeren, restauratie van het busstation, raadsvergaderingen op internet. Het is een lange lijst.

Al is de overeenkomst tussen Vecinos en Podemos ideologisch gezien nul, strategisch is ze groot: het monopolie van de zittende politiek, in het bijzonder van de Partido Popular, doorbreken. In San Lorenzo de El Escorial is dat in eerste instantie dus gelukt. Over enkele maanden – eind dit jaar worden in Spanje Kamerverkiezingen gehouden – zal het wellicht ook op nationaal niveau slagen.

Maar eenvoudig is anders. Om voor de hand liggende redenen is San Lorenzo altijd een centrum van rechts-katholiek Spanje geweest. Dit had onder meer tot gevolg dat de christen-democraten van de Partido Popular het er twintig jaar voor het zeggen hebben gehad. Met iets meer dan 28 procent van de stemmen is de partij ook nu nog verreweg de grootste (de drie volgende grootste partijen, twee lokale waaronder Vecinos en de sociaal-democraten, hebben elk zo’n twaalf procent), maar minder dan een derde van de stemmen is niet genoeg. Daarom kon de oppositie de handen ineen slaan en een eigen burgemeester kiezen in de persoon van Blanca Juarez. Zij heeft op dit moment tien van de zeventien gemeenteraadsleden achter zich, een wellicht te wankele basis voor effectief optreden, maar volgens Juarez en haar medestanders is dat voorlopig voldoende om de hoogst noodzakelijke veranderingen door te voeren. Aan plannen en geestdrift ontbreekt het dan ook niet. Maar is geestdrift genoeg? Wat koop je voor plannen? En is men op lokaal niveau wel in staat het verschil te maken?

Juarez kan niet anders dan dit laatste ontkennen, anders had ze zich niet opgeworpen. Een voordeel is wel dat haar plannen en die van de steunpartijen aardig overeenkomen, wat overigens nauwelijks anders kan. Bij elke herstelpoging is het immers onvermijdelijk dat gekeken wordt naar wat San Lorenzo anders maakt dan andere dorpen: de behoudende cultuur en de genoemde symbolen. Maar beide symbolen zijn nationaal bezit. Weliswaar liggen ze op gemeentegrond, maar dat maakt ze nog geen eigendom. Ook de discutabele positie van het Franco-monument vormt een probleem. Wat moet je daarmee? Alles wat genoemd wordt – laten zoals het is, tot museum maken, afbreken – leidt tot gedoe.

Het dorp is een perfecte uitvalsbasis voor de ondernemende toerist. Maar hoe krijg je die ter plekke? En wat bied je hem dan?

En dan is er nog de principiële tegenwerking van degenen die het de afgelopen decennia voor het zeggen hadden en die nog overal hun invloed doen gelden. Zij hebben veel ervaring, terwijl Juarez en haar medewerkers nooit politiek bestuurlijk actief zijn geweest. Vervolgens is er de scepsis c.q. lethargie van de bevolking. En tot slot blijft de kernvraag: gaat het probleem van San Lorenzo de lokale vermogens niet te boven, is het niet eigenlijk een Spaans, ja wellicht nog groter probleem?

Blanca Juarez is nuchter, pragmatisch en vastbesloten zich niet uit het veld te laten slaan. Maar op dit moment is er nog niets gebeurd. Ze werd vlak voor de zomer verkozen en in de zomer ligt in Spanje altijd alles op apegapen. De komende maand staan de eerste bijeenkomsten met winkeliers, ondernemers en burgers gepland. En dan?

Om niet volledig afhankelijk te zijn van het (nationaal) patrimonium is besloten in de herstelplannen de klemtoon te leggen op de driehoek cultuur, natuur en toerisme. Want San Lorenzo heeft meer dan twee symbolische gebouwen. Het heeft een plezierig centrum. Het heeft een schitterende omgeving, vooral voor wandelaars. En het is een ideale uitvalsbasis voor de verkenning van Midden-Spanje: Madrid, Segovia, Avila, Toledo en tientallen andere dorpen, steden, berggebieden en natuurparken. In de zomer is het er warm, voor de gemiddelde Nederlander wellicht té, maar dat is hoogstens gedurende twee maanden het geval. De andere tien maanden van het jaar – San Lorenzo ligt hoog, op zo’n elfhonderd meter, en aan de voet van een bergtop – is het er meestal mooi, droog en fris weer. Een perfecte uitvalsbasis kortom voor de ondernemende toerist. Maar hoe krijg je die ter plekke? En wat bied je hem dan precies? Aldus enkele van de vragen die Blanca Juarez en haar team op dit moment bezighouden.

Er is nog een vraag die hun het hoofd breekt, en die gaat eigenlijk aan alles vooraf: hoe slecht is het dorp er precies aan toe? Zonder analyse geen remedie. Maar wat is de juiste analyse? Algemene cijfers zoals die over het aantal werklozen of het aantal leegstaande huizen zijn er genoeg, maar veel zeggen ze niet. Iedereen erkent dat ook. Zo is de werkloosheid in San Lorenzo volgens ‘de cijfers’ naar Spaanse begrippen opmerkelijk laag, zo’n tien procent terwijl het landelijke cijfer meer dan het dubbele is. Hetzelfde geldt voor de jeugdwerkloosheid: het landelijke cijfer ligt op vijftig procent, dat van San Lorenzo op twintig. Maar wat betekent werkloos? Voor jongeren is er, behalve af en toe bij papa, eigenlijk geen werk. Dus wat doen ze? Er zijn vier mogelijkheden. De eerste is dat ze niks doen. Dan worden ze eventueel inderdaad als werkloos geregistreerd. Maar waarom zouden ze zich laten inschrijven als het niets oplevert, geen werk, geen geld, slechts gedoe? Bijstand zoals in Nederland bestaat in Spanje niet.

Een betere mogelijkheid is dat ze een cursus volgen. Maar doen ze dat, dan kunnen ze niet tegelijkertijd als werkloos geregistreerd staan, ook niet als de cursus slechts een avond per week is. Een derde mogelijkheid is dat ze ergens onbetaald ‘stage’ lopen. Ook dan zijn ze voor de statistieken niet meer werkloos. En ten slotte kunnen ze vertrekken naar het buitenland. Velen hebben dat gedaan maar hoevelen weet niemand, omdat de emigranten zich meestal niet uitschrijven. Waarom zouden ze? Het werkloosheidscijfer is daarom precies wat het is: een cijfer, meer niet.

Een en ander blijkt niet alleen uit de onzekerheid van de gemeente over de huidige situatie, het blijkt ook uit de verhalen die alom te horen zijn. Neem dat van Ana. Zij is een jaar of 24 en studeert sinds lang journalistiek. Haast om de studie af te maken heeft ze niet, er is toch geen werk. Bovendien werkt ze al jaren, dat wil zeggen loopt ‘stage’ bij het Spaanstalige persbureau efe. Daar ‘verdient’ ze voor een meer dan fulltime baan 230 euro plus reiskosten. Ana kan zich deze ‘luxe’ permitteren omdat ze bij haar ouders woont. Die hebben allebei nog een baan. Ana’s oudere broer is sinds enkele jaren afgestudeerd aan een sportopleiding. Hij doet niets, behalve af en toe pupillen trainen bij een lokale voetbalclub. Ook hij woont thuis.

Van Ana’s vriendinnen uit het dorp werken de meesten in Madrid. Hoewel ze bijna zonder uitzondering universitaire studies hebben afgerond, doen ze zelden iets wat daarmee te maken heeft. De bedrijfstak die het meeste werk levert is de mobiele telefoniebranche. De vriendinnen staan dus in een Vodafone- of vergelijkbare winkel. Daar verdienen ze maximaal zeshonderd euro per maand, voor een fulltime baan. Het is niet veel, inhoudelijk niet, financieel niet, maar het is meer dan niets, en het is te doen omdat ook zij allemaal thuis wonen. Maar wat als de mobiele markt, wat vermoedelijk niet lang meer zal duren, instort?

De modegevoeligheid van de arbeidsmarkt is symbolisch voor de Spaanse problematiek en bepalend voor de welhaast onmogelijke opgave waarvoor een dorp als San Lorenzo en zijn gemeentebestuur zich gesteld zien: de bestaande politiek doorbreken, het toerisme bevorderen, de bevolking enthousiasmeren. Dat is snel gezegd maar niet op afzienbare termijn te doen. De politieke plannen van de nieuwe partijen zijn dan ook net als de cijfers van de officiële instanties: papier, woorden, om niet te zeggen lucht. Feitelijk is de situatie ongrijpbaar, onbeheersbaar, onmogelijk. Het is wachten op Godot of zo.


Het klooster El Escorial in San Lorenzo, Spanje/ Agence VU / HH

Chris van der Heijden/Steeds meer winkels en cafés sluiten hun deuren in San Lorenzo, Spanje