Media

Spannend

In de Volkskrant van vorige week vrijdag stond een interessant artikelvan een statisticus van de Groningse universiteit. Stelling: de Amerikaanse verkiezingen waren helemaal niet spannend, de uitkomst stond tevoren vast, volgens een rekenwonder van The New York Times zelfs voor 90,9 procent.

Waarom dan toch al die berichten over bloedstollende races? Een relatief onnozele reden is dat media en publiek twee kiesstelsels door elkaar husselen, het Nederlandse en het Amerikaanse. Het eerste kent evenredige vertegenwoordiging: hoe meer stemmen, hoe meer macht.

Het Amerikaanse systeem daarentegen werkt per staat en met kiesmannen, volstrekt anders dus. Binnen dat systeem is het mogelijk de verkiezingen te winnen terwijl je minder stemmen krijgt dan je tegenstander – zoals Bush in 2000 overkwam. De kans dat iets dergelijks zich deze keer zou herhalen was zeer klein. In zo’n veertig van de vijftig staten stond de uitkomst vast. De ongeveer tien swing states waren samen goed voor ruim honderd kiesmannen. Obama kon alleen verliezen als hij in geen van die staten won. Die kans was nihil.

Journalisten kennen dit systeem door en door. Vandaar dat een zeer groot deel van hun berichtgeving over die swing states ging. Inderdaad, daar was de strijd spannend. Maar aan de einduitslag veranderde dat weinig. Nogmaals: de overwinning kon Obama nauwelijks ontgaan. Dat de media dit er zelden bij vertelden en de verkiezingen als bloedstollend voorstelden, zegt uiteindelijk dan ook weinig over die verkiezingen en veel over de media.

Dit is te meer interessant omdat de VS wat dit betreft vermoedelijk ons voorland zijn. Vandaar, stel je eens voor dat de Amerikaanse verkiezingen niet spannend zouden zijn. De presidentsverkiezingen zijn een van de belangrijkste politieke gebeurtenissen in de VS. Ze vinden slechts eens in de vier jaar plaats. En dan niet spannend? Dat kan niet. En dus zijn de Amerikaanse presidentsverkiezingen spannend, niet omdat ze spannend zijn maar omdat ze spannend moeten zijn. Zo niet, dan kunnen journalisten, communicatiemedewerkers, politici en de mensen die hen omringen net zo goed uienkweker worden. Moderne journalistiek is als slagroom. Het smaakt eventjes lekker en is daarna hup verdwenen, eerst een zoete, daarna een vette smaak achterlatend. Dat is geen nieuw fenomeen, zeker in de Engelstalige wereld niet waar de zogenoemde gele journalistiek (zo genoemd naar de kleur van een eind-negentiende-eeuwse populaire stripfiguur) eigenlijk altijd de dienst heeft uitgemaakt. Veelzeggend in dat verband is de mediapolitiek van de man wiens naam voor ons gevoel vooral voor kwaliteit, onderzoek en andere vormen van serieuze journalistiek staat, Joseph Pulitzer, de naamgever van Amerika’s meest prestigieuze prijs op het gebied van literatuur, journalistiek en andere terreinen van cultuur.

Maar de krant die Pulitzer zelf uitgaf, de New York World, had slechts één doel: verkopen. Daartoe leken alle middelen geoorloofd. Die middelen werden grover en grover vanaf het moment (1895) dat Pulitzer een rivaal kreeg in de niet minder beroemde Randolph Hearst, uitgever van The New York American. De concurrentiestrijd tussen de twee mediagiganten stuwde de Amerikaanse journalistiek onmiskenbaar naar grote hoogte maar deed heel wat omstanders, continentale Europeanen niet in de laatste plaats, ook hoofdschudden. Moest dat nu allemaal?

Weinigen zullen ontkennen dat concurrentie een vruchtbaar fenomeen is. Ze maakt scherp, alert, goedkoop. Maar hier staat wel het gevaar van doorslaan tegenover. Scherp wordt flinterdun, alert te snel en goedkoop loopt het gevaar rommel te worden. Balanceren tussen die twee is een hachelijke opgave. In Nederland hoefde tot voor enkele tientallen jaren bijna niemand dat te doen. De zuilen met hun lange nasleep bezorgden kranten en omroepen een welhaast vanzelfsprekend publiek. Eenzelfde effect had de bemoeienis van de overheid. Ook was er de lange traditie van calvinistische zwaarwichtigheid en burgerlijk snobisme. Kortom, de Nederlandse journalistiek bleef gedurende lange tijd uit de commerciële wind. Dat is definitief voorbij.

Mechanismen die elders, de VS voorop, al lange tijd werkzaam zijn, gelden in toenemende mate ook hier en hebben als resultaat dat onze journalistiek eveneens steeds meer slagroom bevat. De discussie over NRC Handelsblad die ook in De Groene Amsterdammer opduikt, is veelzeggend. Inderdaad: een dilemma. Je kunt het op twee manieren benaderen. De ene is meegaan, inzien dat de wereld fundamenteel verandert en dat de media niet kunnen achterblijven. Slagroom troef. De andere benadering is negatiever en stelt dat, wat de ontwikkelingen ook mogen zijn, sommige principes nooit verloochend mogen worden. Weg met de slagroom. In dit laatste geval kun je niet anders dan over veel zaken de schouders ophalen. Daaronder ‘bloedstollende Amerikaanse verkiezingen’. Best jammer.