Thema & Variaties

Speculatie

Afgelopen zomer ging ik met mijn zus en zusje naar de bioscoop om Blue Jasmine te kijken, de meest recente film van Woody Allen. Het werd een lange rotzit.

De aftiteling verscheen op het scherm, de lichten gingen aan en we keken naar elkaar met een ‘what the hell did we just watch?’-frons op ons gezicht.

‘Wat een gare kutfilm’, zuchtte mijn zusje geïrriteerd.

‘Ik snap de film niet’, concludeerde mijn zus paniekerig, omdat ze de gelaagdheid der dingen normaal snel en scherp ziet. ‘Serieus, ik snap de film niet.’

Ook ik snapte er niks van. Af en toe moest ik gniffelen, maar de filmsfeer deprimeerde me tot op het bot.

Kan gebeuren. Ik ben vaker na afloop van een film met ernstige cognitieve dissonantie de bioscoopzaal uit gelopen. Er valt altijd weer wat glaswerk kapot in mijn ziel als een film, boek of een andere productie door toffe mensen is aangeprezen als ‘meesterlijk’, maar waarvan de meesterlijkheid me volledig ontgaan is.

Ik beleefde het deprimerende Blue Jasmine-gevoel opnieuw toen ik afgelopen zondag op de website van The New York Times een open brief van Dylan Farrow las. Dylan Farrow, adoptiedochter van de ex-vriendin van Woody Allen, schrijft in haar brief gedetailleerd over het vermeende seksuele misbruik door Woody Allen, dat 21 jaar geleden zou hebben plaatsgevonden. Farrow was toen zeven jaar oud. Ze beschrijft ook de gevolgen die het voor haar latere ontwikkeling heeft gehad. Het is een ijzingwekkend relaas.

Vrijwel direct na publicatie van de open brief gebeurde er iets geks in social-media-land. Een tegenreactie van Robert Weide op The Daily Beast werd gretig rondgetwitterd als hét genuanceerde antwoord op de open brief van Dylan Farrow. Ik las het artikel, maar ik trof geen nuance. In het stuk somt de auteur triomfantelijk wat feitjes op over de werkelijke juridische familieverhoudingen van de familie Farrow, sleept hij het relatieverleden van Mia Farrow er met de haren bij, en weet hij bovendien nog even te melden dat Woody Allen alleen op een ouderwetse typemachine werkt. Allemaal irrelevant geneuzel dat het verhaal van Dylan Farrow zou moeten ontkrachten, maar het allerminst doet. Het artikel leest als kijken naar een Woody Allen-film: je leest alleen maar omdat iedereen er lovend over is, maar je kan er weinig zinnigs uit halen. Verwarring is het doel.

Ik zie het vaker bij controversiële verhalen die het nieuws hebben gehaald: feitenroepers die schanderoepers even terugfluiten. Feiten eisen is mooi, maar als het gaat om kindermisbruik krijg ik daar altijd een beetje jeuk van. Het is makkelijk om te roepen om harde bewijzen, maar in het geval van kindermisbruik is het bestaan van dat harde bewijs zeldzaam. Wat wil een feitenroeper precies zien van een volwassen persoon die decennialang de herinneringen aan seksueel misbruik zonder succes heeft verdrongen? Video-opnamen? Bebloede kinderonderbroeken?

Wat wil een feitenroeper precies horen van een slachtoffer dat nooit de dader gestraft heeft zien worden, omdat het niet geloofd werd of te bang was om ermee naar buiten te komen?

Dat het slachtoffer een blanco psychiatrisch verleden heeft, ondanks de zware emotionele weerslag die seksueel misbruik op een kind kan hebben? Dat de moeder van het slachtoffer alleen maar brave relaties heeft gehad, zodat je niet gekweld hoeft te worden door de gedachte dat de moeder – vanuit een, wat, duivelse vrouwelijke seksualiteit? – het slachtoffer gekke dingen heeft ingefluisterd?

Selectief het voordeel van de twijfel geven. De afwezigheid van wederhoor in The New York Times wordt principieel gehekeld, maar een ‘feiten’-artikel waarin gespeculeerd wordt over de biologische vader van een broer van Dylan Farrow wordt net zo makkelijk verspreid.

Zijn nobele principes over hard bewijs en hoor en wederhoor werkelijk de reden dat het zo lastig is om hardop te vermoeden dat Woody Allen daadwerkelijk een kind heeft misbruikt? Of is het gewoon moeilijk te verteren dat een vermeend briljante schepper van schoonheid ook in staat is om gewetenloos het leven van een kind te ruïneren?