sport

Speech

Henk ten Cate, trainer van Ajax, vertelde in de krant dat hij zijn ploeg, die met 2-0 verloor van Roda, in de rust (toen het 1-0 stond) had toegesproken. ‘Ik ben in de rust heel rustig gebleven en ik heb de vinger op de zere plek gelegd.’

Vinger. Zere plek. Ten Cate greep in de kleedkamer dus niet naar het beproefde paardenmiddel van de zogeheten ‘donderspeech’, die in de media steevast wordt begeleid door het toevoegsel ‘ouderwets’. De ouderwetse, klassieke donderspeech, waarbij de trainer zijn spelers eens even flink de huid vol scheldt, en ze laat weten dat ze mietjes zijn, lijkt verdwenen uit het postmoderne voetbal van vandaag, terwijl in het moderne voetbal van een jaar of dertig geleden geen wedstrijd voorbijging zonder zo’n toespraak.

Tegenwoordig moet de dialoog van twee kanten komen. En wordt er vooral over dingen gepraat, samen. Een goede donderspeech, kom daar nog maar eens om.

Dat Ten Cate zo rustig bleef, illustreert de verdere teloorgang van het voetbal van het manlijke soort. Die uit zich met name in dit soort dingen, de menselijke interactie betreffend.

‘Na de thee werden de bordjes verhangen’, schreven ze vroeger als een club in de tweede helft opeens heel anders ging voetballen dan in de eerste helft, beter met name. Dat kwam dan niet door die thee, dat kwam door een donderspeech van de coach. Zodat het elftal van na de rust niet te vergelijken was met dat van voor de rust.

Met gebogen hoofd sluipen de spelers de kleedkamer binnen. Niemand zegt iets. Schichtige blikken naar de deur. Met een tergend kraakje gaat die open. De coach komt binnen. Hij schraapt zijn keel. Controleert of de deur goed dicht is.

‘Focus, inzet, concentratie. Beleving wil ik zien. Denk dat het Russen zijn. Die bal is je jongeheer niet. Er tegenaan dus. Erop of eronder. Het is zij of wij. En niet andersom. Doordekken en voorchecken. Zet die punt naar achteren en gooi de beuk erin. Niet van dat benauwde. Met jullie winnen we de oorlog niet. Wat moeten de mensen wel denken? En jullie moeders?

Slijp de messen. Hijs de stormbal. D’ran met de lippe. En van je hele hola houdt er de moed maar in, hi ha hondelul en van je hatsjiekiedee. En mijn tante op een houtvlot die voetbalt nog beter dan jullie, zooitje ongeregeld langharig werkschuw tuig. Ik schaam me, weten jullie dat? Ik schaam me voor jullie.

Wat zeg je? Zei je iets, Johnny? Ja, je zei iets. Ik zag dat je iets zei. Wat zei je? Zeg het nog eens. Johnny? Zeg eens?

Oké, Johnny blijft aan de kant in de tweede helft. Kleed je maar om.’

De hangende bordjes zijn vervangen door elektronische scoredisplays, en thee drinken ze niet meer. Het is Retboel of vitaminedrank met extra-plus osmose, voor tegen de uitdroging. Masseurs staan klaar, mental coaches, psychologen, filosofen.

Hebben de voetballers van tegenwoordig te tere zieltjes om een forse schrobbering te kunnen verdragen? Te zere plekjes waar vingers op gelegd kunnen worden? Hun trainers gebruiken het wapen van de donderspeech maar zeer zelden. Het past waarschijnlijk niet meer in de hedendaagse voetbalcultuur van psychologische benaderingen en therapeutisch praten: de speler als mens toespreken, en hem aanspreken op zijn verantwoordelijkheden jegens de anderen, zijn collega’s, zijn teamgenoten.

‘Want we zijn een team, mannen. En een team, het woord zegt het al, is er meer dan één. En de kortste weg tussen twee punten is een rechte lijn. Of soms twee rechte lijnen, als jullie begrijpen wat ik bedoel.

Je leest wel eens, mannen, dat na de rust en na een donderspeech van de trainer de bordjes werden verhangen. Dat er een heel ander elftal het veld op kwam. Nou, dat gaan we dus doen. Mannen. Want wie zijn wij nou helemaal? In de eerste helft waren we niets, niemand en onzichtbaar. Ik wil een ander elftal zien, een elf-tal, het woord zegt het al.

Wie ben jij? Wesley? Nee, niet hoe je heet, ik vraag wie je bent. … Dat bedoel ik. Als je niet weet wie je bent, dan ben je ook niet wat je weet. Dus in de tweede helft ben jij Teun. Omdat ik dat zeg.

Laten we het dialectisch benaderen. Wie zijn wij? Dat kunnen we afmeten aan wat we niet zijn. En in dit geval is dat de ploeg waar we tegen spelen. Wat zijn zij?

Roda JC, ja. Maar ook…? Tegenstander, precies. En dat maakt ons dus… Vóórstander, inderdaad. Dat zijn degenen die vóór staan. Dat zijn wij nu nog niet, want we staan achter. Maar na de rust worden we voorstanders, inderdaad. Dat wil ik zien.

En wat zijn zij nog meer? Tegen wie spelen we?

Tegen hún, heel goed. Hún, dus zijn wij…?

Wun, precies. Wij zijn wun. En dat is de toekomende tijd van winnen, dus wat gaan we doen? Mannen?’