Speelbal van de tijd

Marina Tsvetajeva, Wat zijn mij wolken nog en wegen. Vertaling Margriet Berg, Marko Fondse, Anne Stoffel en Marja Wiebes, uitg. G. A. van Oorschot, 274 blz., f49,-
ER ZIJN MAAR weinig perioden in de literatuurgeschiedenis zo vruchtbaar geweest als de eerste dertig, veertig jaar van deze eeuw. Ik heb het over de Russische letteren, en meer in het bijzonder over de Russische dichtkunst, die in het genoemde tijdvak een ongehoorde bloei beleefde tot Stalin daar met de botte bijl abrupt een eind aan maakte. Op de helende werking van de tijd had de dictator echter geen greep, en hij kon niet voorkomen dat talenten als Achmatova, Majakovski, Mandelstam en Pasternak herrezen en inmiddels hoog en breed zijn gecanoniseerd. En ik maak mij sterk dat zij ook in het volgende millennium tot de canon zullen blijven behoren. Niet minder belangrijk - elke dichter wil gelezen worden - is dat het werk van deze coryfeeen thans bij een internationaal publiek is doorgedrongen.

Dit laatste kan voorlopig nog niet worden gezegd van hun generatiegenote Marina Tsvetajeva (1892-1941), al lijkt daar de laatste jaren enige verandering in te komen. Door ingewijden en tal van collega-dichters wordt zij overigens allang en zonder enig voorbehoud tot de groten gerekend.
De Nederlandse lezer wordt nu voor het eerst in de gelegenheid gesteld om de vermeende grootheid van Tsvetajeva aan de eigen ervaring te toetsen. (Als ik zeg ‘voor het eerst’, dan ga ik bewust voorbij aan de 24 vertalingen die Charles B. Timmer opnam in zijn bundel Kwartet uit 1982, omdat diens verwoede geknutsel de dichteres eerder kwaad dan goed heeft gedaan.) Bij Van Oorschot verscheen namelijk onlangs de tweetalige uitgave Wat zijn mij wolken nog en wegen, een onbekrompen keuze uit Tsvetajeva’s oeuvre, of juister, uit haar lyriek, want de langere werken staan er helaas - maar, gelet op de omvang die het boek nu al heeft, om begrijpelijke redenen - niet in.
WIE TSVETAJEVA’S poezie voor de allereerste keer onder ogen krijgt, en dat zijn er hier te lande dus velen, komt vermoedelijk voor een verrassing te staan. Ik moet mij wel heel erg vergissen of een stem zoals vooral in de rijpere gedichten opklinkt, zo intens, zo openhartig en bij vlagen zo schrijnend, ontbreekt in de vaderlandse literatuur, en men zal goed moeten zoeken om elders een vergelijkbaar stemgeluid tegen te komen. Hiermee is trouwens meteen de voornaamste bestaansreden van deze kostbare bundel gegeven. De ontsluiting van een dichter voor een anderstalig publiek kan uiteraard een doel op zich zijn, en zoiets moet over het algemeen ook worden toegejuicht, maar het is mooi meegenomen wanneer het gaat om werk waarvan de vertaling een uitbreiding, nee, een verrijking blijkt te zijn van het bestaande aanbod. We zitten in eerste instantie immers niet te springen om meer van hetzelfde.
Nog veel verrassender moet Tsvetajeva’s volwassen stemgeluid destijds hebben geklonken voor haar Russische tijdgenoten. Zo verrassend dat velen de weelde niet konden verdragen en zich van haar afkeerden. Voor een deel had dit te maken met haar halsstarrigheid, haar compromisloze aard en haar loyaliteit aan het vrije woord. Daardoor kwam het dat zij het in de praktijk zowel bij voor- als tegenstanders van de revolutie voortdurend verbruidde en vanaf het begin van de jaren dertig geboycot, gebroodroofd en steeds meer geisoleerd raakte. Voor de goede orde, compromisloos noem ik iemand die op 23-jarige leeftijd schrijft: ’ 'k Heb me aan God noch gebod ooit gestoord in dit leven’, en die een kleine twintig jaar later leven en dichten op een ondubbelzinnige, onheilspellende manier, om niet te zeggen met ware doodsverachting, aan elkaar gelijk stelt:
Aderen geopend: onherstelbaar En onstelpbaar gutst er leven uit. Zet er schalen, zet er borden onder! Maar geen schaal is diep genoeg. Het welt er Overheen, er naast, het diepe donker Van de aarde in, en drenkt het riet. Onomkeerbaar, ongetemd, onstelpbaar, Onherstelbaar gutst er - poezie.
Joseph Brodsky, een van haar grootste bewonderaars, zet het onbegrip waarop Tsvetajeva stuitte in een literair-historisch perspectief door haar poezie te plaatsen tegen de achtergrond van het ineenstortende symbolisme. 'Elk creatief proces’, zo schrijft hij, 'is een reactie op de voorgangers en de harmonische stagnatie van het Symbolisme vroeg zuiver linguistisch om een oplossing. Elke taal, poetische taal vooral, heeft altijd een vocale toekomst. Tsvetajeva kwam voor de dag met de langverbeide vocale uitweg uit de toestand van het dichterlijk taalgebruik, maar de hoogte van haar timbre bleek zo veelbetekenend dat een breuk met zowel het grote lezerspubliek als met het merendeel van haar vakgenoten onontkoombaar was. Het nieuwe geluid was niet slechts de drager van een nieuwe inhoud, maar ook van een nieuwe geest. In de stem van Tsvetajeva klonk iets dat het Russische oor vreemd en angstaanjagend voorkwam: de onaanvaardbaarheid van de wereld.’
Wie Tsvetajeva in het origineel heeft gelezen, weet hoe ver verwijderd haar dynamische staccato versregels zijn van de serene taalmuziek van de symbolisten. Ook de symboliek, het systeem van verwijzingen naar zogenaamde andere werelden, was haar wezensvreemd. Zij was een dichteres die met beide benen op de grond stond, die concreet was, nauwkeurig in haar detaillering, die slechts hoogst zelden haar toevlucht nam tot de techniek van indirecte toespelingen en vaagheden, en die altijd streefde naar een logische, beredeneerde uiteenzetting van een thema.
Het unieke van Tsvetajeva’s dichterlijke stem, waarvan ritme en intonatie in feite wortelen in de patronen van de Russische spreektaal, is tegelijkertijd de voornaamste, zo niet enige bindende factor van haar grillige werk. Ik gebruik 'grillig’ als nadere bepaling onder meer vanwege haar ongebruikelijke omgang met de syntaxis, haar vluchten van de goot naar de hoogste hemel, en om aan te geven dat haar poezie een zeer breed scala aan onderwerpen biedt. In verband met die thematische verscheidenheid verwijst Fondse in zijn informatieve nawoord naar Tsvetajeva’s correspondentie, waarin ze zelf ergens opmerkt dat er minstens zeven dichters in haar werkzaam waren en dat dit haar voor de meeste lezers ongrijpbaar maakte.
IK DOE HAAR dus waarschijnlijk tekort wanneer ik, althans op grond van deze Nederlandstalige selectie, in haar thematiek toch enige lichte tendensen meen te bespeuren. Een van haar terugkerende thema’s is de liefde. Dit mag op het eerste gezicht niet zo origineel lijken, maar - ter gerustelling van de potentiele koper - de mate van openhartigheid en intensiteit waarmee ze dit thema in al zijn facetten (ontmoetingen, overspel, passie, jaloezie, wanhoop en, uiteraard, scheidingen - die vooral) verwoordt, is dat wel.
Dat ze daarbij volop putte uit eigen ervaringen, is voelbaar voor de lezer. Eigen ervaringen, dit keer niet van het soort dat je zelf verkiest maar van het soort dat je ten deel valt, zijn er de oorzaak van dat ze in toenemende mate actuele onderwerpen ging aansnijden. Je zou hier met enige overdrijving kunnen spreken van een kentering, een ommekeer, of juister misschien: van een noodgedwongen blikverruiming. Plaats en tijdstip (Feodosia, eind oktober 1917) van dit keerpunt kunnen we zelfs vrij exact aangeven, want ze staan in de bundel vermeld onder de volgende acht regels:
Rijk en sterk moet bitter lijden, En een last druk op de heer. 'k Sla voor een soldaat mijn beide Lichte ogen nimmer neer.
Hoor de stad eens kreunen, kraken. In een wolk van wijn - de maan. Mij kan echter niemand raken: 'k Leid een trots en arm bestaan.
Ziehier de ongelooflijk ingedikte, nadrukkelijk lyrische neerslag van Tsvetajeva’s eerste confrontatie met de Oktoberrevolutie, die haar overviel aan de Krim, waar ze getuige was van de plundering van een wijnkelder door roodgardisten. Vanaf dat moment is alles anders en wordt de dichteres, zoals zovelen in deze eeuw, een speelbal van de tijd:
Verstard als een gekapte spar, Die vroeger tot een laan behoorde, Loop ik voor niets of niemand warm, En wat mij eens het meest bekoorde
Laat mij misschien het koudst van al. Geen merk of teken draag ik, nergens, Ik heb geen datum, geen getal: Een ziel, geboren… zomaar ergens.
Tegen het einde van de bundel - we zijn dan al diep in de jaren dertig - wordt de toon nog tragischer, gelukkig zonder sentimenteel of melodramatisch te worden. Voor die valkuil wordt de spreekster behoed door een gezonde dosis realiteitszin en sarcasme.
Het is na het lezen van vooral deze latere gedichten, waarin Tsvetajeva nu en dan preludeert op haar (zelfverkozen) dood, dat ik moet terugdenken aan wat Brodsky ergens over haar schreef: 'Zowel in haar poezie als in haar proza horen we voortdurend een monoloog - niet de monoloog van een heldin, maar de monoloog van een vrouw die niemand heeft om mee te praten.’
Wie wil weten hoe zo'n monoloog klinkt, al is het alleen maar om voortaan de verweesden en ontheemden te kunnen herkennen en aan te spreken, moet de bundel kopen en, bij voorkeur hardop, lezen.