Theater Ovidius en Medea

Speelman van de zoete liefde

In de moderne versie van Medea door Toneelgroep Amsterdam heet de titelfiguur Anna. Ze leest Ovidius’ Metamorphosen. In dat boek speelt de Medea waarop Anna is gebaseerd weer een sleutelrol.

Medium 712

Medea heet bij Toneelgroep Amsterdam Anna. En Anna zit bij de reclassering in een soort re-integratieprogramma. Ze heeft in de gevangenis gezeten voor een mislukte poging haar man Lucas te vergiftigen. Naar haar oorspronkelijke werk – ze was een succesvol arts in de farmaceutische industrie – kan ze na de gevangenis niet meer terug. Lucas heeft haar werk daar trouwens overgenomen. Hij is een affaire begonnen met Clara, de dochter van zijn baas. Die affaire, ooit de directe aanleiding voor de moordpoging van Anna op Lucas, is nu serieus geworden. Zeer serieus. Clara is zwanger. Clara is in Lucas’ leven binnengegleden in hetzelfde tempo waarin Anna eruit werd verdreven. Anna verdampt. In de rol van moeder van haar twee puberende zoons. En als minnares. Al in de eerste scène zegt ze: ‘Er is iets afgestorven daar beneden. Nauwelijks nog een vagina te noemen.’ Ze slikt medicijnen waardoor ze versuft. Ze drinkt erbij, wat niet zou moeten. Anna’s bodem sopt weg. Mede daarom zit ze in een re-integratieprogramma. Bij boekhandelaar Herbert. Om te wennen aan zoiets als het ‘gewone’ leven. Dat er waarschijnlijk nooit meer zal komen.

In scène vijf van Medea (vrij naar Euripides door Simon Stone) vertelt Herbert over wat hij in zijn boekhandel zoal aan re-integrerende kostgangers over de vloer krijgt. En over wat hij leest. Op het moment leest hij Ovidius’ Metamorphosen. We krijgen het boekomslag geprojecteerd in het hagelwitte decor. Herbert zit nog vrij in het begin. In hoofdstuk zes (‘boek’ zes heet dat bij Ovidius), over de zusjes Procne en Philomela, een nogal gruwelijke verkrachtingsgeschiedenis met een vrij ernstige nasleep.

Herbert: ‘Dit lees ik op het ogenblik.’

Anna leest
‘“Door angst en woede opgejaagd
trekt hij het zwaard dat op zijn heup hangt uit de schede, grijpt haar
ruw bij haar haren beet en buigt haar armen op haar rug
om ze bijeen te binden. Philomela steekt hem al
haar hals toe: bij het zien van ’t zwaard hoopt zij te mogen sterven.
Maar hij trekt met een haak, terwijl haar mond nog in protest
haar vaders naam roept en voor woorden vecht, haar tong naar buiten
en snijdt die met het zwaardmes af; het wortelstuk blijft hangen…”
Duistere materie.’

Herbert: ‘Niet duisterder dan wat er in de werkelijkheid gebeurt.’

De tongensnijder in deze passage is de Thraciër Tereus, een barbaar en bovendien Philomela’s zwager én de man die haar heeft verkracht. Er komt hierna geen einde aan de gruwelijkheden. De tongloze Philomela weeft een kleed vol verborgen tekens over haar treurig lot. Dat kleed wordt bezorgd bij haar zuster Procne. Zij bevrijdt haar. En samen doden ze haar (en Tereus’) zoontje Itys en zetten het kind als maaltijd aan de vader voor. Zelfs volgens Ovidius-vertaalster Marietje d’Hane-Scheltema maakt de dichter het hier te bont – hij overdrijft, hij weet van geen ophouden. In haar boek Alles altijd anders – over Ovidius (2013) schrijft ze: ‘Het gruwelijk verhaal wordt door Ovidius uitgebuit om wreedheid te beschrijven; het is een climax en tegelijk een afscheid van barbaarse tijden.’ Meteen hierna volgt in Metamorphosen boek zeven, dat in het begin geheel over Medea gaat. Niet meer over de Medea als wrekende moeder-moordenares zoals we haar kennen van de tragedieschrijver Euripides, maar als eigenzinnige vrouw die haar vak (toverkunst) serieus neemt en ook goed beheerst. D’Hane-Scheltema schrijft: ‘Nieuwe termen als carmen in de betekenis van toverspreuk, en secretas artes, zwarte kunsten, komen op. Een woord als dolor, verdriet, dat in boek zes enige malen voorkomt, verdwijnt bij Medea en wordt vervangen door dolus, list; bijvoeglijke naamwoorden als callida of mendax, listig of leugenachtig, typeren het verhaal. (…) Medea handelt bij Ovidius als zelfstandig nadenkende vrouw. Een vrouw met een monoloog, in een wereld waarin ook de mannen zijn veranderd.’

In zijn afscheidsvoorstelling Metamorfosen bij Toneelgroep De Appel van Aus Greidanus sr. komt de Medea-figuur om hem moverende redenen niet voor. Hij wilde vermoedelijk schilderen met wilde uithalen en daarvoor is Ovidius’ Medea hem misschien te statisch. Greidanus’ brutale geest is die van de Italiaanse volkskomediant, zijn ziel is die van de verhalenverteller, zijn voornaamste wapen in de strijd om het behoud van zijn toneeltroep is de marathon.

In Metamorfosen van Ovidius legt hij dat instrumentarium voor ons neer, het rijke arsenaal van een zwervende artiest. Ergens in het begin laat hij de Oppergod Jupiter blaaskakend razen, maar de reus heeft een kabouter gebaard: daar staat een lilliputter die uit twee toneelspelers is geconstrueerd – Bob Schwarze en David Geysen maken er een mooi kermisnummer van. Helemaal in het begin slingert een opengegooide deur een enorme baan licht op de kale speelvloer. Daarin schuifelt actrice Geert de Jong naar een stoel rechts achter, ze ontdoet zich van wat kledij, trekt iets anders aan, smeert wat op haar gezicht, gaat zitten en transformeert in een paar seconden van een mooie vrouw in de herfstige kracht van haar leven naar een sidderend skelet in de barre winterdagen van haar bestaan. Tussen dit grote gebaar van de oergod-lilliputter en het zachte trillen van een toneelspelerslichaam ligt de kracht van Greidanus’ sobere eindschriftuur. Met mooie a-capella-zang en Saskia Mees aan de vleugel. Met de aandoenlijk vals gezongen liefdesverklaring van de Cycloop (Iwan Walhain) aan zijn aanbeden Galathea. Met Orpheus (Judith Linssen) die zijn luit kapot schopt, de schim van Eurydice bezingt en er uiteindelijk toch weer intrapt: hij kijkt om.

Bob Schwarze spreekt, rustig rokend aan een cafétafeltje, de beroemde Pythagoras-regels uit het vijftiende en laatste boek van Ovidius:

‘Geen enkel ding in dit heelal, geloof me, gaat teloor,
maar alles wisselt en vernieuwt. Men spreekt van een geboorte
als er iets anders aanvangt dan er was, en sterven is
ophouden met hetzelfde-zijn. En toch, het groot geheel
blijft wel bestaan, al schuift er nog zoveel van hier naar daar.’

Niets is er dus ooit voor niets geweest. De kroegfilosoof blaast formules over energie, beweging en massa als kringelige slierten sigarettenrook die middels een illusionistisch foefje groter dan groot worden, wolken opgeblazen tot Einstein-grootte, drijvend van rechts naar links over de kale vlakte. De finale goocheltruc van de voorstelling, die met de vliegende en neerstortende Icarus, bevat hier zowel het handwerk van de touwen als de onzichtbare finesse van de kabelbaan: een mega-zet uit het circus wordt tot fraaie apotheose van de avond.Een nieuwe toneelmarathon, daar moet Greidanus’ opvolger bij Toneelgroep De Appel, Arie de Mol, zich maar mee bezighouden. En dat gaat hij doen ook – het Christus-verhaal. De afscheid nemende maestro Greidanus biedt zijn vaste publiek een hink-stap-sprong-tocht door het meest geliefde werk van de verteller Publius Ovidius Naso, de man die zichzelf graag aanprees als tenorium lusor amorum, de speelman van de zoete liefde. En dat ‘speelman’ is volgens vertaalster Marietje d’Hane-Scheltema voor tweeërlei uitleg vatbaar: speelse dichter én voor-de-gek-houder.

Terug naar Medea. Bij Ovidius pleegt Medea zeven moorden en doet een mislukte poging tot moord. Volgens de vertaalster is Medea ‘eigenlijk, wat sterk uitgedrukt, een legendarische seriemoordenares geweest’ en haar drijfveren waren ‘niet zozeer liefde of wraak-uit-liefde, maar eigenbelang of jaloezie of pure machtswellust – en met macht bedoel ik dan macht over leven en dood. Zo tekent Ovidius haar: enerzijds nog wel een tovenares uit vroegere tijden, maar toch vooral als een zelfstandig optredende vrouw, een gevaarlijke intrigante, die de macht heeft om alles te veranderen, ten goede of ten kwade, om wat voor redenen dan ook, vierhonderd verzen lang.’

Zo een type moderne en eigentijdse Medea moet de Australische regisseur en schrijver/bewerker Simon Stone in zijn versie voor Toneelgroep Amsterdam voor ogen hebben gehad. In vergelijking tot wat wij tot nu toe van zijn werk hebben kunnen zien (zie daarvoor De Groene van 4 december 2014) lijkt er sprake te zijn van enkele verschuivingen. Ook deze keer heeft Stone zijn teksten grotendeels tijdens het repetitieproces geschreven en herwerkt. Waarbij hij zich laat inspireren door zijn acteurs.

Gekozen is in ieder geval voor een min of meer lineaire verhaallijn die van a naar z loopt. Het verhaal van Medea wordt in Stone’s bewerking verteld in een vrij klassiek en lineair ritme, eigenlijk met de verhaalmiddelen van een middelmatige grootsteedse soap. In de eerste zeven scènes worden de gegevens neergelegd in een klassieke expositie. Waarbij Stone’s gretige verwijzingen naar tv-series en mediahypes deze keer worden beperkt tot de twee pubers. Die bovendien homevideo’s maken die groot worden geprojecteerd op de hagelwitte wanden van het ijzige decor. Vervolgens wordt van de achtste tot en met de dertiende scène langzaam een crisis opgebouwd (een pikant filmpje van de twee zoons zet de verhoudingen op scherp). De crisis wordt in de drie navolgende scènes quasi bezworen. Parallel wordt toegewerkt naar de catastrofe in scène zeventien, waarin alle verhoudingen op scherp komen. De dood dicteert het voorlaatste tafereel. De apotheose is eigenlijk een klassiek bodeverhaal. Euripides had er vrij goed mee uit de voeten gekund. Hij had het wel beter opgeschreven.

Voor zo’n plotlijn volgens de boekjes in schoongeboend kitchen-sink-naturel moet je een verdomd goeie, klassieke plotschrijver zijn, met een vracht verrassende wendingen en dialoog-spitsvondigheden op zak. Dat blijkt Simon Stone gewoon niet te zijn. Sterker nog: hij trapt ook nog eens ruggelings in de tranentrekkersval: Anna/Medea gaat namelijk met haar zoons de dood in. Wat we vroeger besmuikt de catharsis noemden, wordt daardoor hier een raar soort uitnodiging voor een stille tocht met knuffels, compleet met een boze vuist tegen een boze heks. Waarna het journaille grabbelt naar de klassieke bewegwijzering voor een snotterende exit: ‘hartverscheurend’, ‘aangrijpend’, ‘van een grote schoonheid’. Zoho! Tja-ha! Bij ons in het dorp noemen we dat een tegenvaller.


Metamorfosen is t/m 15 februari te zien in het Appeltheater te Den Haag; toneelgroepdeappel.nl. Medea is nog t/m 28 maart op reis, tga.nl


Beeld: Toneelgroep De Appel, Metamorfosen. vlnr Geert de Jong, Saskia Mees en Iwan Walhain (Leon van Velzen).