Speelregels

Ieder schrijven is spelen. Aan een nieuwe tekst beginnen betekent jezelf verrassen. Het is datgene maken waarvan je dacht dat het helemaal geen literatuur zou zijn en dan zeker niet de jouwe. Componist, dirigent en dichter Micha Hamel publiceert zijn derde dichtbundel Nu je het vraagt. En productiehuis De Wintertuin deed een boekje verschijnen over Oulipo en de literaire beperking, getiteld Hou vast! met bijdragen van Karin Amatmoekrim, Saskia de Coster, Joke van Leeuwen en de aanstekelijke schrijver Anton Valens.

Oulipo staat voor ‘Ouvroir de littérature potentielle’. ‘Werkplaats voor mogelijke literatuur’, zo vertaalde het tijdschrift Raster dat voor nummer 54. Werkplaats is een wat droge vertaling als je bedenkt hoe Raymond Queneau in 1960 de naam bedacht: een ‘ouvroir’ was een werkplaats waar oudere katholieke vrouwen kleren naaiden voor de armen. Kleren verstellen in taal, dat is wat het gezelschap waar Italo Calvino en George Perec toe behoorden graag deed. Bekend is de roman La Disparition van Perec, waarin de letter e geheel ontbreekt. Eind jaren negentig bestond Oulipo nog steeds. Vertaler Jan H. Mysjkin sleepte me regelmatig mee naar bijeenkomsten in de universiteit Jussieu, waar verschillende auteurs onder wie Jacques Roubaud en Michele Grangaud voor een grote gehoorzaal van vijfhonderd studenten nieuwe resultaten lieten horen. Op iedere bijeenkomst was er een nieuw thema en waren er nieuwe formele regels aan de bijdragen gesteld. Roubaud beleefde een aanstekelijk plezier aan alle voorgelezen bijdragen.

Tijdens Poetry International in 2002 vroeg Roubaud me een gedicht te maken dat bestaat uit woorden die identiek zijn in het Frans en in het Nederlands maar die in die talen een verschillende betekenis hebben, de zogenoemde faux amis. Bedoeling van de opdracht was dat in het Frans en in het Nederlands een ander gedicht te lezen zou zijn. Ik opende het manuscript van de Franse bloemlezing Le verre est un liquide lent: 33 poètes néerlandophones in Word met een Nederlandse spellingscontrole. De woorden waar geen kringeltje onder stond en die in het Nederlands niet voor dezelfde uitleg vatbaar waren, nam ik over. Al de jaren sindsdien is het me niet gelukt met die woorden een gedicht te maken.
Iemand die beduidend meer aanleg heeft voor een dergelijke manier van werken is Hugo Brandt Corstius. Onder het pseudoniem Battus publiceerde hij de Opperlandse taal- en letterkunde. Voor de festivals Wintertuin en Winternachten vroeg Brandt Corstius vier schrijvers een tekst te maken met een oulipoaanse beperking: iedere zin eindigt met dezelfde letter waarmee de volgende zin begint. De laatste zin van de tekst eindigt met de beginletter van het woord waar het verhaal mee opent. Dat klinkt ingewikkeld, maar in proza is dit eigenlijk nog de lichtste oefening denkbaar. Joke van Leeuwen maakt van haar tekst Liefde en selder nu nog het meest een spelletje. Volgens een Bosnisch volksliedje betekent het samen plukken van selder (Vlaams voor selderij of selderie) elkaar de liefde bekennen, en ook iets voor iemand oprapen heeft elders zo zijn betekenissen. Maar in Nederland niet, daar raapt niemand iets op, daar ligt alle ‘afgewezen liefde’ op straat. Karin Amatmoekrim vertelt een verhaal over een dikke Amerikaan die afval ophaalt en dat verhandelt. Je moet letten op de eindes om de beperking door te hebben, haar verhaal leest als een normaal relaas. De tekst van Saskia de Coster lijkt een geënsceneerd stripverhaal over de wind en andere figuren. Bij haar voordracht in Den Haag zei ze dat de beperking meer zijn functie zou hebben in poëzie, waarin je volgens haar woorden makkelijker aan elkaar kon plakken. De rest van het gezelschap, Battus incluis, keek haar daarbij tamelijk glazig aan. Nu weet ik niet of je juist in poëzie woorden aan elkaar plakt, maar mogelijk snijdt de opmerking van Saskia de Coster onbedoeld wel hout. Het is in poëzie, bij korte regeleenheden, dat het taalspel van Oulipo het meest opvalt. Regels in het Nederlands eindigen vaak op -n, op -d, op -s of op -t. Poëzie, oftewel versificatie, is een benadrukking van de klank, iets waar Joke van Leeuwen in dit gezelschap het meest mee uit de voeten kan.

De schrijver Anton Valens maakte een rapport over een doofstom Chinees meisje dat terechtkomt in een hoogspanningsmast. Dat brengt allerhande ontsteltenis teweeg en met moeite wordt ze bevrijd. Als ze eenmaal via een gebarentolk haar verhaal kan doen, krijgt ze prompt een epileptische aanval. Valens schrijft een zeer bloemrijk Nederlands, vol schrijfplezier en eigenzinnige wendingen. Soms op het archaïsche af: de Chinese wordt ‘het verdoolde kind’ genoemd. Wat opvalt is de hilarische juistheid van zijn metaforen. Het meisje is ‘zo doof als een regeringsgebouw’. Het zoemen van de elektriciteitsdraden noemt Valens ‘ultrasone vrachttreinen’. De oulipoaanse beperking lijkt in zijn verhaal ver naar de achtergrond gedrongen, omdat hij lange zinnen maakt en veel komma’s gebruikt en de eindletter na al die omzwervingen is vergeten. Komma’s die, volgens Brandt Corstius, in Valens’ tekst allemaal wel een natuurlijke functie hebben.
Anton Valens is een van de pakkendste stilisten van Nederland. In zijn debuut Meester van de hygiëne portretteert hij ouderen waarbij een kunstschilder via de thuiszorg over de vloer komt. Het zijn liefdevolle, rake portretten. Op een gegeven moment is de hoofdfiguur op een ladder de ramen aan het zemen en bedenkt hij waarom hij dat zo leuk vindt. Het is net schilderen, dat zemen, maar dan met water, en daarom misschien nog wel veel leuker en zo dondert hij zwaaiend met de zeem met ladder en al de tuin in. Vorig jaar verscheen Vis, dat ook al barok in de olieverf van de vertelling stond. Een jonge kunstenaar gaat een week mee de vaart op en help met de vangst en het fileren. Ook hier vallen Valens’ metaforen op: de zee is een vilt waaronder biljartballen aan het rollen zijn. Fraai is zijn reisverslag Ik wilde naar de rand van Bejing, waarin hij zich aanvankelijk afvraagt hoe het komt dat hij in zo'n grote stad telkens dezelfde vrouw tegenkomt, met telkens dezelfde kleren aan, die hem streng aankijkt alsof hij niet aardig genoeg tegen zijn moeder is.

Het boekje Hou vast! van De Wintertuin is een aardige poging formele spelelementen in het Nederlands te brengen. Niet al te strikte beperkingen: iedere nieuwe zin beginnen met een vaststaande letter leest niet per se onnatuurlijk. Wel is het de vraag wat de status van dit boek is. Het verhoudt zich tot het programma als een catalogus tot een expositie. De kaft verraadt het handwerk van de drukkerij KNUst van het Nijmeegse Extrapool: mooie omslagen die aanvoelen als wascotekeningen.

Spelen met taal, dat is ook toevertrouwd aan Micha Hamel, die eerder de dichtbundels Alle enen opgeteld en Luchtwortels publiceerde. Lichtzinnig lijkt de poëzie van Hamel, al schemert er ook iets doorheen dat helemaal niet zo jolig is als het op het eerste gehoor klinkt. ‘Ik zeg oeps als ik iets meen/ Ik kus je wang en zwaai aju/ adieu nou doei dahag en ween’. Wat staat er hier nu helemaal op het spel, ben je geneigd te denken als je leest: ‘jij hebt het nummertje/ van mijn jas nog zegt zij/ fuck o kut o jee’. Micha Hamel is lichter dan Erik Jan Harmens, joliger dan K. Michel. ‘Eerder buikspreker/ dan charmeur veins ik’, staat er, en even verderop: ‘Ook/ vrees ik dat je straks ik mis het geluid van brieven die op de mat ploffen sms’t.’
Wat is er dan aan de hand in dit werk? ‘De ruimte om lyrisch te worden is te miniem’, schrijft Hamel. Toch lijkt hij in zijn vorm eerder onbeperkt dan beperkt. De bundel is uitgegeven op groot en bijna vierkant formaat en die ruimte benut Micha Hamel met gretigheid. In de tekst Ideetje is er eerst een vriendin die kort samengevat zegt dat er steeds minder genieën zijn omdat er steeds meer uitgewisseld en samengewerkt wordt. Maar de uitgebreide repliek van de spreker is een tweede alinea waarin een relatie wordt voorgesteld als een keukenmachine die je via een televisieprogramma koopt en waarvan bepaalde onderdelen steevast zoekraken tussen andere onderdelen en uiteindelijk niets functioneert. De tekst is tamelijk knots: doorlopend proza, bijna geen leestekens. Deze hilarische vorm past Hamel nu eenmaal het best. Opvallend is zijn giga-modieuze jargon. Hij onderbreekt een gedicht met een cursief waarin hij vertelt dat hij nooit zijn eigen autobiografie wil figuurzagen en het gedicht ‘al te kras’ op een hoofdstuk daaruit ging lijken. Soms hoor ik de Bee Gees door zijn werk (‘zie die hoor die feel the voel je’). Dan weer klinkt hij veel te welbespraakt voor zijn eigen humor (‘psalmodiëren oe’). Het afwisselen van romein en cursief gaat de hele bundel zo'n beetje door, wat hem extra ruimte biedt voor frivoliteiten naast de monolooglijnen: ‘Het vervoeren van je hoed/ gaat op je hoofd het best.’

Meligheden, daar geneert Hamel zich absoluut niet voor: ‘een glas zonder wijn is/ als een ever zonder zwijn.’ In een gedicht dat in toenemende mate lange regels kent zodat het over de rand heen valt en proza wordt, stapt Vader Abraham van een platenhoes, neemt de tienjarige mee het dak op en toont hem het sterrenstelsel. God is voor Hamel ‘die onbetaalde oppas van de doden’. En hij blijft een charmeur: ‘toen ik/ de briljant op je tand zag dacht ik afwasmachineblokjes! Zou de winkel nog/ open zijn.’
In het gedicht Aan het ontbijt vergelijkt hij de tegenwoordige tijd met zijn kinderen met zijn eigen kindertijd. Fraai is het als zijn anekdotes ontsporen, zoals die over een berenklem die speciaal voor hem in alle vroegte op een bospad is achtergelaten. En even lijkt hij een volwaardig deelnemer van Oulipo, als hij in een abecedarium per strofe alleen woorden met dezelfde beginletter gebruikt en toch tot een verhaal komt terwijl hij braaf het alfabet volgt. Zijn poëzie weet ik het meest te waarderen als Hamel gewoon verhaaltjes vertelt, malle sprookjes over een tuinfeest of over een hand die hij op ziet steken uit een poel en een fietsje met versnelling dat daaruit is opgevist. ‘Het klinkt jongensboekerig maar geloof me maar’, staat er in dat verhaalgedicht en dat klopt perfect bij de herinnering die hij vier bladzijden lang uitspint: ‘Ik zit dit te vertellen en ik denk: het is raar, heel vreemd eigenlijk.’ Moet Micha Hamel dan niet eens gewoon een echte verhalenbundel maken, of een andere vorm van proza? Nou ja hum, daar lijkt hij me al te bewust ontregelend voor.

‘Ik wil een zon die teruglacht als ik zwaai’, zegt het gedicht Blinde vlek. Maar nee hoor, dat gaat zomaar niet: ‘De zon doet o zo zon.’ Mooi is het gedicht Oef, waarin een zus de spreker duidelijk maakt dat woorden hol zijn, vooral als je ze vaak zegt. Zeg een heel vaak ‘haast’ of ‘blok’: ‘het woord was als een ei dat ze leegblies’. De protagonist begrijpt ‘dat precies halverwege je hersenen en je hart je keel zit, die gasvormige woorden je mond uit stuwt als ballonnen op zoek naar een landingsplaat in het oor van de ander’.
Dat is niet zomaar iets. Bij Micha Hamel is poëzie heel veel spel. Maar met zijn spel maakt hij wel wat duidelijk over die hele heisa met al die letters en klinkers en rijmen en regels.

Micha Hamel, Nu je het vraagt. Augustus, 72 blz., € 19,95
Karin Amatmoekrim, Saskia de Coster, Joke van Leeuwen, Anton Valens, Hou vast! Oulipo en de literaire beperking. Wintertuin, 38 blz., € 10,-