Hoofdcommentaar

Speer in Peking

Reageer online

Het zijn interessante tijden voor architecten. Volgens Rem Koolhaas beleven wij ‘de wereldwijde triomf van het Excentrieke’: een ongekende wildgroei van extravagante bouwwerken, zonder inhoud, zonder functionaliteit. Alles draait om de spectaculaire vorm en – zegt Koolhaas – om het ego van de architect. Technisch is niets onmogelijk. Een toren van achthonderd meter hoog, voor Dubai: kan. Een theater in Peking met drie zalen onder een titanium koepel van 46 meter hoogte en 213 meter doorsnee: no problem. Een brug over de Rode Zee: kan ook. En alles ecologisch verantwoord, dat spreekt.
Vergeten is de bescheiden tekenaar van vinexwijken en woonmachines: ziehier de star-architect, de reizende magiër, de winnaar van de Pritzker Prize, onderweg van de ene interventie naar de andere. Geld zat, opdrachtgevers genoeg, bijna allemaal zonder smaak. Het Elysium is China, waar een architect nog hele steden tegelijk kan ontwerpen. Tegen die ‘zelfkolonisatie’ van de Chinese architectuur kwam in 2004 een groep Chinese architecten in het geweer. De buitenlandse bureaus werd niets in de weg gelegd. Ze gebruikten het land ‘als was het een testterrein voor architectonische atoomwapens’.
De resultaten daarvan worden zichtbaar tijdens de Olympische Spelen. Alle belangrijke gebouwen zijn door buitenlandse architecten ontworpen: het ‘Vogelnest’-stadion (Herzog & De Meuron, met Ai Weiwei), het zwembad (PTW Architects), het gebouw van de staatstelevisie CCTV, (OMA, Koolhaas), het Grand Chinese Theatre (Andreu) en het grootste vliegveld ter wereld (Foster).
Zes jaar geleden stelde Ian Buruma nog dat de bouw van dat CCTV-gebouw iets wezenlijk anders was dan de bouw van een zwembad of een treinstation. Wie de opdracht kreeg, bouwde actief mee aan een systeem van onderdrukking – alsof je in de jaren zeventig voor Pinochet aan het werk ging. Die morele vraag wordt in de hoge architectuur zelden meer gesteld. Opdrachten zijn opdrachten. In Hanoi bouwt bureau Gerkan uit Hamburg het Nationale Parlementsgebouw. Het Vietnamese parlement is een volstrekte schijnvertoning, de façade van een dictatuur, en het gebouw dus ook. Macht nichts, zegt Gerkan. Het Berlijnse bureau Léon Wohlhage Wernik Architekten bouwt in Tripoli een compleet regeringscentrum voor de Libische overheid, 115 hectare groot, ‘identitätsstiftende Architektur’, die ‘het nieuwe Libië’ zal representeren. En in Riyad, Saoedi-Arabië, verrijst een nieuw complex voor het Hooggerechtshof, een gebouw waarin de sharia op z’n bloedigst zal worden toegepast. De architect is Albert Speer jr. – de zoon van. Hij zegt: ‘Ik zie architecten, en ons kantoor in het bijzonder, als dienstverleners. Ideologie moet je er niet in willen mengen.’ Is dat grenzeloos naïef? Rem Koolhaas ziet zijn CCTV-gebouw als ‘een symbool van verandering’. Hij heeft bedongen dat het publiek toegang tot het gebouw krijgt, als deel van een ‘antihiërarchisch programma’. Het is de vraag of dat er ook van komt. Volgens Ai Weiwei stond de vogelneststructuur van het Olympisch Stadion voor chaos, voor nieuwe richtingen, voor een sfeer van openheid en vrijheid – het tegendeel van het huidige totalitaire China. Ai komt bedrogen uit. De overdonderende veiligheidsmaatregelen hebben het stadion beroofd van die suggestie van vrijheid. Ai trok zich terug van de officiële opening, als protest tegen de manier waarop de totalitaire staat het gebouw gebruikt, ‘als een oefening in staatsmacht’.
In Dubai en Peking zijn voor de grootschalige nieuwbouw complete woonwijken weggebulldozerd. Schadeloosstellingen worden mondjesmaat betaald. Voor de nieuwbouw worden losse arbeiders uit Pakistan of het Chinese platteland ingezet, onderbetaalde rechteloze werknemers, gemakkelijk slachtoffer van dodelijke ongelukken. Driekwart van de grootste architectuurbureaus van de wereld is in zulke projecten actief. Weinige houden zich bezig met de morele dimensie van hun werk.
Als ze dat al doen, dan volgt doorgaans het verweer van de koopman in wapens. ‘China is een rechtsstaat. Zaken zijn zaken. Als wij het niet doen, doet een ander het. Wij werken liever van binnenuit aan de verandering. U denkt toch niet dat de mensen hier er ene moer mee opschieten als wij bedanken voor de eer?’
Dooddoeners. Architecten zijn geen uitzondering. Koolhaas: ‘Het zou complete waanzin zijn te verwachten dat China van de ene dag op de andere zo wordt als wij zijn. Het zijn langzame, onzichtbare veranderingen. We moeten gewoon erkennen dat de rechten van het individu, die bij ons zo heilig zijn, in landen als China geen traditie hebben.’
De gebouwen van Koolhaas en de zijnen bieden de staat niet alleen kantoorruimte, maar ook iconen, symbolen, metaforen. Ze worden – wat de intenties van de architect ook geweest mogen zijn – tot pijlers van het systeem. Architecten als Koolhaas, met een romantische of idealistische inslag, die niet alleen dromen van vormgeving van gebouwen, maar ook van het leven zelf, zijn gemakkelijke slachtoffers van de totalitaire daadkracht. Zij capituleren voor de nietzscheaanse scheppingskracht, voor de ‘Rausch des grossen Willens’. Kan dat de architect verweten worden? Natuurlijk. Principes zijn kostbaar, maar ze zijn uiteindelijk vrij simpel. In Koolhaas’ redenering is het arrogant om ‘onze waarden’ aan China te willen opleggen. Misschien. De vraag is echter niet wat de Chinezen met onze waarden aanmoeten; de vraag is wat die waarden voor onszelf betekenen.

Reageer op www.groene.nl