Opkomst van de Afrikaanse homobeweging

Speerpunt

Ten zuiden van de Sahara is de jacht op homo’s in volle gang. Homoseksualiteit wordt gezien als een ongewenst westers importproduct. ‘Echte mannen winkelen niet bij Harrod’s.’ De Afrikaanse homobeweging is in opkomst.

ONLANGS GAF de Oegandese president Yoweri Museveni zijn geheime dienst opdracht om homoseksuelen te arresteren. In Zambia zorgde de regering ervoor dat een pas opgerichte homogroepering zich niet kon registreren. Een Alliance Against Abnormal Sexual Behaviour kondigde enthousiast aan de leden van deze groepering bij de politie te zullen aangeven. De president van het ministaatje Gambia, Yahya Jammeh, verklaarde dat de beesten in zijn particuliere dierentuin alvast van vreemde smetten vrij waren: ‘Ik kan u zeggen dat er zich tussen mijn beesten geen homo’s of lesbiennes bevinden. Zij gedragen zich volgens de normale wetten der natuur.’


Vier jaar nadat de presidenten Mugabe (Zimbabwe) en Nujoma (Namibië) homoseksuelen uitmaakten voor ‘minder dan varkens en honden’ is het jachtseizoen in volle gang. Mugabes uitbarsting volgde op het uitdagende besluit van de Gays and Lesbians of Zimbabwe (Galz) om zich op de boekenbeurs van Harare te manifesteren met eigen publicaties. De overheid dreigde daar een stokje voor te steken, hetgeen een storm van verontwaardiging opriep. Nobelprijswinnaars als de Zuid-Afrikaanse Nadine Gordimer en de Nigeriaanse Wole Soyinka tekenden per open brief protest aan. Zuid-Afrikaanse uitgeverijen dreigden zich van de beurs terug te trekken. Ten slotte mocht Galz beschikken over een leeg tafeltje waar passanten naar hartelust konden discussiëren over de publicaties die niet getoond mochten worden.


In een emotionele openingsrede voor de beurs stortte Mugabe nog eens fiolen van toorn over hen uit, met zichtbare instemming van zijn regeringsleden. Zij verkneukelden zich over zijn tirade voor zwarte rechtschapenheid en tegen westerse fratsen als homoseks. De ironie wil dat Mugabes voorganger Canaan Banana, die de filippica van de president van harte onderschreef, kort daarop werd veroordeeld wegens seksueel misbruik van zijn lijfwacht. De onthullingen over Banana stempelden hem tot de Ernst Röhm van Zimbabwe en omdat hij zijn achternaam niet meeheeft, kwam er zelfs een wet die grapjes daarover verbood.


Veel Zimbabwanen zagen Mugabes uitval, die rechtstreeks op televisie werd uitgezonden, met verbazing aan. Lynde Francis, een psychologe die lang met Mugabes partij Zanu-pf sympathiseerde, kent hem als een beminnelijke man die zich in het openbaar doorgaans beheerst uit. Volgens Francis zei Mugabes lichaamstaal meer dan de rabiate onzin die over zijn lippen kwam. Zou de president in de jaren dat hij gevangen zat vanwege zijn deelname aan de onafhankelijkheidsstrijd traumatische ervaringen hebben opgedaan en had Banana daarmee iets te maken? vroeg zij zich af.


Andere waarnemers zochten de verklaring dichter bij huis. Wegens binnenlandse problemen kon Mugabe een zondebok goed gebruiken, meenden zij. En het ideale doelwit is de homoseksueel, die smoezelige vertegenwoordiger van een vijfde colonne die de Afrikaanse ziel uitholt met wezensvreemde aandriften.


Volgens een derde opvatting is de diepgewortelde angst voor homoseksualiteit een uitvloeisel van westerse missionering. Het lijkt niet toevallig dat Mugabes kruistocht samenvalt met die van collega’s die allemaal gepokt en gemazeld zijn op westerse missiescholen.


Ten slotte zoeken sommigen de verklaring in de gewijzigde machtsverhoudingen in zuidelijk Afrika na 1994. Na het aan de macht komen van het ANC speelde Mugabe voortaan tweede viool naast Nelson Mandela. Sindsdien dwarsboomt Mugabe Zuid-Afrikaanse vredesinitiatieven, bijvoorbeeld in de Democratische Republiek Congo, en betoont hij zich ook op andere fronten balsturig. Zuid-Afrika nu heeft een grondwet aangenomen waarin het recht op vrije seksuele oriëntatie verankerd ligt.



Deze welhaast rituele dans rond homoseksualiteit dateert niet van gisteren. In 1938 publiceerde Jomo Kenyatta, de latere president van onafhankelijk Kenia, zijn antropologische verhandeling Facing Mount Kenya. Het boek, dat handelde over Kenyatta’s eigen Gikuyu-cultuur, werd door de beroemde antropoloog Malinowski verwelkomd als de eerste bijdrage aan de Afrikaanse etnografie van een geboren en getogen zwarte Afrikaan. Gelet op het jaar van verschijning wekt het geen verbazing dat Kenyatta de homoseksualiteit niet breed uitmat. Het register vermeldt slechts één verwijzing. Op bladzijde 162 leest men dat de Gikuyu-cultuur wordt gekenmerkt door nauw omschreven seksuele taboes: ‘Dankzij deze beperkingen is de homoseksuele praktijk onbekend onder de Gikuyu. De vrije omgang die tussen jonge mensen van beiderlei kunne wordt toegestaan, maakt zulks overbodig en moedigt hen aan om ervaring op te doen die later in het huwelijk nuttig zal blijken.’


Kenyatta’s verhandeling laat zich nog steeds lezen als een boeiende en schier wanhopige verdediging van de Afrikaanse traditie tegen ondermijning door westerse invloeden. Zijn ontkenning dat homoseksueel gedrag voorkomt roept verbazing op, vooral waar hij onomwonden de praktijk van wederzijdse masturbatie onder Gikuyu-jongens beschrijft en dan elke suggestie dat hier sprake is van homoseksueel gedrag naar het rijk der fabelen verwijst. Westerse antropologen hebben juist de neiging om deze handelingen te ontmaskeren als uitingen van homoseksualiteit par excellence. Niet zonder triomfalisme peperen ze traditionalisten als Kenyatta graag in dat homoseksualiteit waarschijnlijk zijn bakermat heeft in Afrika.



ENKELE MAANDEN terug, op een conferentie van de International Lesbian and Gay Association in Johannesburg, presenteerde de Amerikaanse ‘antro-homo-apoloog’ Marc Carlson een dergelijk onderzoeksresultaat. Carlson had in Zimbabwe onder maar liefst 122 ‘stammen’ aanwijzingen van homoseksueel gedrag waargenomen. Andere gedelegeerden overtroefden hem met gegevens van Zweedse onderzoekers in het noorden van Namibië: onder de leden van een niet-gekerstende stam zou homoseksueel gedrag eerder norm dan aberratie zijn. Het is de vraag of Afrikaanse homoseksuelen zijn gebaat met het aldus op zijn kop zetten van eeuwenoude sociale verhoudingen. Er wordt aan zwarte Afrikanen een homoseksuele identiteit toegedicht die gemakshalve wordt gelijkgesteld aan die van hun (inmiddels als minderheid erkende) westerse tegenhangers.


Traditioneel wordt seksualiteit in Afrika nauwelijks benoemd, maar geregeerd door gedragscodes die niet ter discussie worden gesteld. Ook de homoseksualiteit mag geen naam hebben. Het is er; iedereen weet het, maar houdt zijn mond. Tegen die achtergrond hebben Afrikaanse leiders gelijk dat er geen plaats is voor de uit het Westen overwaaiende homocultuur. Tegelijk laten Museveni en Mugabe zien geen probleem te hebben met wat mensen in hun slaapkamer doen. Ze moeten het alleen niet aan de grote klok hangen, laat staan vastleggen in een homohuwelijk. In Kenia stond het plaatsje Lamu op zijn kop nadat twee mannen, een blanke en een zwarte, een huwelijksceremonie op touw hadden gezet. Met weerzin werd melding gemaakt van kussende en knuffelende mannen. Algemeen werd aangenomen dat de blanke wederhelft de Keniaan had bezoedeld omdat alle onheil nu eenmaal uit het Westen kwam.


Die angst voor vreemde invloeden wordt gevoed door de technologische revolutie die het ook de Afrikanen mogelijk maakt om via internet, e-mail of video kennis te maken met een wereld waar de dingen bij de naam genoemd worden. Miss Gay-verkiezingen, Gay Games, Roze Zaterdagen en homobladen zijn typisch westerse fenomenen die al gauw worden ervaren als een inbreuk op traditionele Afrikaanse normen en waarden. Soms spelen homo-organisaties juist moeiteloos in op de diepgewortelde weerzin tegen homoseksualiteit. Zo is de Miss Jacaranda-verkiezing in Harare uitgegroeid tot de gebeurtenis van het jaar.


De miss-verkiezing is een door duizenden bezochte show van fopdossers (travestieten) in aanwezigheid van de first lady, Grace Mugabe. Dat de deelnemers overwegend homoseksuelen zijn, wordt door de extravagante uitmonstering aan het zicht onttrokken. En Robert Mugabe had er twee jaar geleden geen moeite mee de prestigieuze Mobil Award uit te reiken aan de lesbische kunstenaar Bulelwa Madekurozwa, wier werk van uitgesproken homo-erotische signatuur is.



JOURNALIST Mark Gevisser van de Zuid-Afrikaanse Sunday Independent meent dat het leentjebuur spelen van de opkomende Afrikaanse homobeweging bij de westerse beweging haaks staat op de traditie. De Afrikaanse vorm van acceptatie houdt in: ‘Doe wat je wilt, zolang je het maar binnenshuis doet, getrouwd bent en kinderen hebt.’ Sheila Lapinsky, die samen met de vorig jaar overleden activist Simon Nkoli binnen het ANC de homorechten op de agenda plaatste, valt Gevisser bij. Zij benadrukt dat de westerse benadering, waarin de homobeweging een zelfstandige positie als minderheidsgroep bevecht, niet werkt in de Afrikaanse context. Homorechten moeten geen exclusief pleidooi worden van een politieke minderheid, maar deel uitmaken van een geïntegreerde sociale hervorming. Op de conferentie in Johannesburg stelde Lapinsky de vraag: ‘Hoe kunnen we bisschoppen in Rwanda voor hun homofobie op de vingers tikken zonder te spreken over hun rol in de volkerenmoord? Wat is de zin van speciale therapie voor homoseksuelen en lesbiennes in een land dat net een volkerenmoord achter de rug heeft?’


De ontsluiting van Afrika wakkert allerlei sluimerende angsten aan, waaronder die voor homoseksualiteit. De kwestie is in hoge mate verweven met het postkoloniale debat over de vraag in hoeverre Afrika moet worden gezien als slachtoffer van overheersing. Wie Afrika een exclusieve slachtofferrol toebedeelt, ontslaat het continent van zijn eigen verantwoordelijkheid en verklaart het handelingsonbekwaam. De Zuid-Afrikaanse president Thabor Mbeki heeft dat in een toespraak voor de Organisatie van Afrikaanse Eenheid onlangs nog onderstreept. Hij wees erop dat het kolonialisme niet als alibi mag gelden voor aperte misstanden en het in stand houden van overleefde gebruiken. Overigens zijn het niet alleen homogroeperingen, maar ook vrouwenorganisaties die zich tegen zulke gebruiken verzetten.


De tegenstellingen in het debat hangen samen met het probleem van de op drift geraakte Afrikaanse identiteit. Ook dat dateert niet van gisteren. De eerste postkoloniale leiders, zoals Leopold Senghor en Kwame Nkrumah, verstrikten zich in pogingen om westerse en Afrikaanse structuren in hun landen te verzoenen. President Mobutu Sese Seko van Zaïre presenteerde zich als Afrikaanse chief of chiefs en zwolg tegelijkertijd in een westerse levensstijl die zijn weerga op Afrikaanse bodem niet kende. De vroegere leider van de Centraal Afrikaanse Republiek, Bokassa, liet zich tot keizer uitroepen in een ceremonie die was geïnspireerd op die van ‘zonnekoning’ Lodewijk XIV. Robert Mugabe doet zijn kerstinkopen bij een grootwinkelbedrijf in Londen, wat hem in een Zuid-Afrikaanse krant op de reprimande kwam te staan dat ‘echte mannen niet bij Harrod’s winkelen’.



HET TOT on-Afrikaans bestempelen van homoseksualiteit geschiedt niet alleen op grond van alom bekende bijbelse passages waaraan christelijke moraalridders in de hele wereld hun veroordeling ontlenen. Afrikaanse opinieleiders gebruiken ook een andere ideologische inspiratiebron. In marxistische kringen was het ooit bon ton om homoseksualiteit te beschouwen als bourgeois, als een typisch verschijnsel van kapitalistische verloedering. Inmiddels zijn ook de meeste Afrikaanse leiders de Koude Oorlog voorbij en hebben ze het vrijemarktdenken zalig verklaard. Maar als het in hun kraam te pas komt, blijken de oude vormen en gedachten nog springlevend.


Volgens de Keniase historicus Ali Mazrui worstelt Afrika met een drievoudige erfenis, een soort cultuurhistorische gordiaanse knoop bestaande uit islam, christendom en de oorspronkelijke Afrikaanse identiteit. De huidige ontwikkelingen illustreren voortdurend hoe moeilijk het is voor Afrikaanse samenlevingen die drievoudige erfenis te ontrafelen en tot iets nieuws om te vormen. En eigenlijk is er nog een vierde erfenis die het Afrikanen bemoeilijkt hun eigen richting te bepalen. In de postkoloniale periode was het continent bezuiden de Sahara een speelbal van het Oost-West-conflict en dat laat tot op de dag van vandaag zijn sporen na. Nationale media, staatsomroepen en regeringskranten kunnen welhaast in een reflex anti-westerse hetzes ontketenen. Zo portretteerde de Zimbabwe Herald, de megafoon van Zanu-pf, het hoofdkwartier van Galz als een ‘bordeel voor westerse bezoekers’.


De homobewegingen in sub-Sahara-Afrika maken deel uit van een veel omvangrijker gistingsproces. Dat mondt uit in vragen die verder reiken dan het recht op eigen seksuele voorkeur. Zo zaait de homobeweging ook twijfel over de houdbaarheid van diepgewortelde sociale verhoudingen zoals het patriarchaat. Zij staat daarin op één lijn met de Afrikaanse vrouwenbewegingen die op eenzelfde manier gevestigde opvattingen trachten los te wrikken. De Zuid-Afrikaanse politicoloog Peter Vale gaat nog verder. Hij verklaarde de kritiek van Galz op Mugabes antihomoretoriek tot een historisch novum: niet eerder kwam het voor dat een belangengroepering — van welke aard dan ook — het aandurfde de autoriteit van een nationale leider in het openbaar ter discussie te stellen.


In wezen betoogt Vale dat Galz heeft geopereerd als wegbereider in wiens kielzog nu ook de vakbeweging, kerkelijke organisaties, mensenrechtengroepen en oud-strijders vragen durven te stellen aan de macht. Derhalve hebben Afrikaanse opinieleiders er alle belang bij de homobeweging de nek om te draaien. Zij stelt lastige vragen en is behulpzaam bij het uitbouwen van bredere allianties die een maatschappelijke discussie ontketenen over Afrikaanse identiteit, waaraan eisen als respect voor de mensenrechten, vrijheid van meningsuiting, goed bestuur en democratie inherent zijn. Op een bijeenkomst van het Institute for Contextual Theology in Johannesburg kreeg de voorzitter van de Zuid-Afrikaanse mensenrechtencommissie, Barney Pityana, het verwijt dat de nieuwe grondwet, die vrijheid van seksuele oriëntatie garandeert, als on-Afrikaans bestempeld moest worden. ‘Als dat klopt’, zo pareerde Pityana, ‘dan verklaart u daarmee onderdrukking van minderheden, corruptie en schending van de mensenrechten tot Afrikaans.’