Spel

Het kwam door een buurvrouw die besloot er iets van te zeggen toen twee jongetjes in het plantsoen alle zijtakken van een jonge kastanjeboom afbraken. Ik ken haar als een vredelievend type, ondanks de vervaarlijke hark die ze soms vasthoudt.

In de zomer loopt ze de halve dag met gieters heen en weer om alle plantjes water te geven. Ze werd ook niet boos op die jongens. Ze legde ze alleen uit dat het geen goed idee was. Dat spelen prima was, maar slopen niet. Dat zo’n jonge boom nog moest groeien. De jongetjes volgden haar betoog met droge ogen en ook de moeder van een van de twee reageerde later met uiterste minzaamheid. ‘Tja, ze zijn zeven hè? Ze spelen. Maar ik begrijp dus dat u dat heel vervelend vindt?’ Eigenlijk stond alleen de kastanjeboom er echt beschaamd bij, met zijn verminkte stammetje. Door die buurvrouw dacht ik aan de correcties uit mijn eigen jeugd. Ik groeide op in een buurt waar altijd wel ergens een gordijntje bewoog, een oog loerde. Er was een overbuurman die mijn moeder altijd opbelde als we weer eens uit het zolderraam klommen om in de dakgoot te zitten. Een oude dame die met appels naar buiten kwam wanneer ze ons zag snoepen. Iemand die zei dat we niet zo dicht langs de auto’s moesten fietsen. Iemand die ons sommeerde geen jonge vogels uit bomen te ‘redden’. Hoe vaak ben ik niet een weiland uit gebruld door een boze boer? Hoe vaak kreeg ik geen donderpreek omdat ik ergens een bal over de schutting had getrapt? It takes a village… Er zijn ouders die zulke bemoeienis direct beschouwen als kritiek op hun pedagogische capaciteiten. Als betutteling of onverdraagzaamheid. Toen ik zes was sloop ik eens ongezien het huis uit, van plan om weg te lopen. Ik had de strippenkaart uit het laatje gehaald. Bij een bushalte, vele straten verderop, werd ik door een bejaard echtpaar aangesproken. Of mijn moeder wel wist waar ik was? Wat ging ik doen? Waar woonde ik precies? Pure bemoeizucht. Ze misten die ochtend hun bus om mij veilig thuis te brengen.