In de speeltuin is een jongen van een jaar of tien bezig zijn zusje te begraven. Ze ligt er roerloos bij, met een sereen, haast plechtig gezicht. Ze draagt een witte zomerjurk bedrukt met roze vlinders, haar donkere haar ligt in een glanzende waaier uitgespreid, haar armen houdt ze kruislings over haar borst. Een ideale dode. Haar broer, die met dezelfde serieuze gezichtsuitdrukking is toegerust en bovendien een bril draagt, schept met twee handen kalm en systematisch zand over haar lichaam. Hij is ter hoogte van haar navel. Haar benen zijn al verdwenen.

Ik moet denken aan de dag, meer dan dertig jaar geleden, dat mijn kleinste buurjongetje wegzakte in een enorme berg zand op het nabijgelegen bouwterrein waar we volstrekt niet mochten komen en waar we de halve zomervakantie rondhingen, mijn broers, ik en andere kinderen uit de buurt, verwikkeld in complexe oorlogen en wedstrijden. Er stonden hekken waar je moeiteloos tussendoor kon, huizen in aanbouw, geparkeerde voertuigen, mysterieuze stapels buizen, blokken beton.

Het ene moment stond hij er nog, zijn mollige kleutersilhouet afgetekend tegen de helblauwe hemel, een lollystokje in zijn hand. Hij riep: ‘Aanvallen!’ Toen was hij plotseling weg, zonder een spoor na te laten. Ik herinner me de stilte die er hing. De manier waarop mijn broers naar de berg bleven kijken, alsof ze wachtten op het vervolg. De vreemde opwinding die voelbaar was. Een opwinding die weinig met angst te maken had maar alles met nieuwsgierigheid, met het soort interesse dat alles vertraagt, zoals je ongemerkt minutenlang naar een worstelende vlieg in een spinnenweb kunt staren, naar een stervende duif.

Toen er geschreeuw klonk schrokken we op. Een vrouw met een herdershond aan de lijn kwam aanrennen, wrong zich het hek door, holde het terrein op. Ze schreeuwde bevelen naar ons, klom op handen en knieën de zandberg op, ging half vooroverliggen en trok, zoals ik het me herinner in één machtige beweging, als een zwaard uit een steen, het buurjongetje tevoorschijn. Hij had het lollystokje nog in zijn hand.

Maar ondanks de opzienbarende optocht die volgde, van het bouwterrein naar onze straat, met de vrouw, het huilende buurjongetje, de herdershond en de andere kinderen, voelde ik me alsof iemand een spannende film had uitgezet vlak voor de ontknoping. Ik had willen weten wat er zou gebeuren, wat er had kunnen gebeuren – en de reddingsactie van de passerende vrouw was geen bevredigend slot geweest maar een vorm van spelbreuk. Er was ons iets ontnomen. Mijn oudste broer zei toen we weer thuis waren: ‘Je kunt geeneens verdrinken in zand.’ Maar hij wist het niet zeker, dat hoorde ik aan zijn stem.

De jongen in de speeltuin heeft nu ook de buik van zijn zusje en een deel van haar armen begraven. Er zijn geen roze vlinders meer te zien. Hij pauzeert het scheppen, klopt hier en daar wat aan, strijkt het zand aan de zijkanten van haar lichaam glad. Het is een heel precies karwei. Hij ademt diep, zijn bril is afgezakt naar het puntje van zijn neus. Zijn voorhoofd glanst in het zonlicht. Het zusje heeft de ogen inmiddels gesloten – zo hoort het wanneer je aan het zicht onttrokken wordt. Je verroert geen vin, kijkt niet, je zwijgt. Fatsoenlijk begraven vereist wederzijdse beleefdheid: de een speelt wat voorbij is, de ander wat blijft.

Kinderkamer

Trek deze kamer
tot boven je knie.
Ik neem nu je schepje. Je pyjama
is leeg, ga maar liggen
op je rug, rustig rustig
wat zand op je hoofd.
De deur moet wel dicht.

Wiel Kusters
Uit: Leesjongen: Verzamelde gedichten, Uitgeverij Cossee, 2017