Sport

Spelen

Altijd gedacht dat de Paralympics, de Paralympische Spelen, een variant waren van de Olympische Spelen voor parate parachutisten met paranoia. Uit Paraguay. Of voor de paradepaardjes van het internationale parasailen uit Paramaribo.
Dat is niet zo. Para betekent in dit geval tegelijkertijd, parallel als het ware. Want parallel aan de Olympische Spelen in Peking, maar dan iets later, worden de Paralympics gehouden.
Vroeger heetten ze ook wel Olympische Spelen voor gehandicapten, want dat zijn het. Wekenlang wordt weer gestreden in alle takken van sport door atleten met een handicap. Van allerlei aard.
Om zo veel mogelijk gelijke uitgangspunten en eerlijke kansen te creëren zijn er categorieën gemaakt voor de sporters. Want het zou niet eerlijk zijn op de honderd meter iemand met één been en één arm te laten lopen tegen een atleet met twee benen en geen armen.
De Paralympics confronteren ons met een belangrijke vraag. Welke houding nemen we aan tegenover, jegens en ten opzichte van de gehandicapte sportende medemens? Net als in het gewone leven moeten we altijd even nadenken over onze benadering, ons standpunt. In en vanuit welk paradigma spreken we met de paralympische sporter? Hoe parafraseren we onze parabels?
Zoals wanneer je met iemand praat die heel scheel is en je niet weet in welk oog je moet kijken. Of je hem beledigt als je het linkeroog kiest om tegen te praten, omdat dat maar drie meter langs je heen kijkt en het rechteroog zeven.
Of als je met iemand praat die heel erg stottert maar die je ook niet wilt beledigen zodat je heel geduldig wacht tot alle woorden zijn afgemaakt en zelfs hele zinnen tot een goed einde gebracht.
Of iemand die heel erg stottert maar dan in therapie is geweest en een manier heeft ontwikkeld om toch enigszins verstaanbaar te kunnen zijn. Die dan op sommige stottermomenten een enorme uithaal doet met zijn stem op een hoge toon, alsof hij een aria vals maar keihard inzet. Je schrikt je een ongeluk elke keer als hij zijn zin besluit met ‘Woahaa’ of ‘Hu-u-u-oe-w!’ (Vanuit een andere kamer komt dan iemand vragen of alles goed gaat, daar.)
Er staat een enorme olifant in de kleine woonkamer en niemand zegt er iets over.
Er zijn grofweg twee mogelijkheden: net doen alsof er niets aan de hand is, of gewoon zeggen wat er aan de hand is.
Dat beseften ze ook in Manchester, waar een soort pre-Paralympische wereldbekerwedstrijd werd gehouden. De BBC deed verslag. En het was mooi om te zien hoe verslaggever Steve Cram, gewezen topatleet, de sporters benaderde. Hij koos voor de eerste houding: doen alsof er niks aan de hand is.
Hij zei niet: ‘Goh, je hebt maar één been. Is dat niet lastig bij het sprinten?’
Aan de vierhonderd-meterlopers werd niet de vraag gesteld: ‘Hoe moeilijk is het om die bochten te lopen als je in een karretje zit?’ Wel: ‘Denk je dat je dicht bij je topvorm zit?’
Aan de spastische Chinees wordt niet gevraagd: ‘Jeumig, wat zwaaien jouw armen erg. Daarom ben je zeker geen tafeltennisser geworden?’
Of aan de blinde voetballer: ‘Jij bent blind hè? Dan kun je toch de bal helemaal niet zien? Lekker veel doelpunten gemaakt dit seizoen, zeker.’
(Overigens bestaat voetbal voor blinden echt. Er was een stukje op televisie. Een keeper stopte een penalty door met een Van Beveren-achtige zweefduik de bal (met een belletje erin) uit de bovenhoek te tikken. Magistraal.)
Zo vraagt de verslaggever aan de Nigeriaanse atleet die zojuist de honderd meter heeft gelopen naar zijn prestatie. ‘De echte topvorm is er nog niet, geloof ik? En deze baan is niet jouw favoriete ondergrond, toch? Die trainerswissel van afgelopen najaar heeft je misschien niet zo goed gedaan. En natuurlijk was de concurrentie moordend.’
In de herhaling van de race zien we hoe de sprinter halverwege de strijd moest staken. Zijn beenprothese raakte los, door een gescheurde riem of zo. Een paar meter bungelde het namaakbeen nog schuin achter hem aan, totdat het helemaal los was. Alles kwam tot stilstand. Enigszins wiebelend raapte de Nigeriaan zijn been op. Zo stond hij een paar seconden stil, alleen, met zijn linkerbeen in zijn rechterhand. Verderop gingen zijn collega’s over de finish.
De verslaggever duwt de microfoon onder zijn neus: ‘Waarom heb je niet gewonnen?’
De atleet kijkt de verslaggever aan; je ziet hem twijfelen. ‘Ik denk dat het een mentale kwestie is’, zegt hij ten slotte. ‘Tussen de oren is de topvorm er nog niet echt.’