Spelen met alles

Ook in zijn nieuwe roman weet Arie Storm alles een quasi-improviserende charme mee te geven. Zijn parodie op de literaire wereld is geouwehoer waar Keats’ zegen op rust. Want Storm is een echte verteller. Soms is er zelfs veel te lachen.

Dat de literatuur het moet hebben van buitenstaanders, randfiguren en outcasts is bekend, ook bij degenen die tot de inner circle behoren. Zo cultiveert Arie Storm al decennialang zijn positie van buitenbeentje – wisten we al dat hij is opgegroeid als zoon van een groenteboer in de Haagse Schilderswijk? – ook al kun je inmiddels nauwelijks dieper in ‘het wereldje’ zitten dan Arie Storm. Getrouwd met een van de meest prominente redacteuren in uitgeversland, jarenlang een reputatie opgebouwd als criticus voor Het Parool, woont keurig in Amsterdam-Zuid, vertaalt belangrijke boeken uit het Engels, duikt altijd wel ergens op bij literaire borrels en presentaties. Een enfant terrible in de Grachtengordel.

Die rol van literaire pestkop heeft hij blijkbaar nodig. Van tijd tot tijd is hij betrokken bij de waterglas-stormpjes in schrijverskringen, en studentenblad Propria Cures is het perfecte greppeltje van waaruit hij zijn propjes kan afschieten, in 2019 gebundeld als Het horrortheater van de Nederlandse literatuur.

Ook in zijn nieuwste roman, de twaalfde als ik goed tel, wandelen we mee met zo’n Stormachtige verteller, die zich in en rond schrijf- en uitgeversland beweegt. In eerste instantie lijkt dat een herhalingsoefening te worden, waarin de klaagzangen wat al te obligaat aandoen. Jaja, ‘de literatuur is zo’n beetje volledig imago geworden’, ‘het is allemaal pr geworden, reclame, commercie’. Na Nabokov is er eigenlijk geen fatsoenlijke literatuur meer geschreven – dat werk.

Om zijn buitenstaandersrol als het ware te bevechten, hamert hij er steeds op dat Joan Didion ‘kitscherig’ en ‘modieus’ is, waardoor hij mensen die met haar weglopen niet helemaal serieus meer kan nemen. Het is vooral een tactisch gekozen doelwit: Didion heeft een groeiende status als writer’s writer – en aan zo’n bewieroking moet wel een luchtje zitten.

Dat hij zijn roman wel opent met een citaat van haar (‘En ineens – weg’) geeft aan dat hij ‘ermee speelt’, zoals dat dan heet, en zoals Storm met vrijwel alles speelt in deze roman. Met tijdlagen bijvoorbeeld. Het eerste deel draait namelijk rond een reis naar Londen waar hij op zoek gaat John Keats. In het gezelschap van successchrijver Alan Hollinghurst en allerlei gekostumeerde figuren tuimelt hij de tijd uit en ontmoet hij John Keats, de dichter, de echte, misschien, aan wie hij de titel ontleent. Of eigenlijk is het een citaat van een andere dichter die naar Keats verwijst, Menno Wigman, wiens dood op de achtergrond meespeelt, evenals die van een jonge vriendin Ruby.

Dan duikt er nog een Nederlandse eigenaar van een tweedehands-boekwinkeltje op in Londen, en is het telkens de vraag of hij nu wel of niet een vrouw en een dochter heeft. Nu eens beweert hij ze al die boeken lang verzonnen te hebben. Dat ‘gezin’ was zoiets als wat de Middeleeuwen waren voor Keats: een decor. Dan weer bestaan ze wel, maar kunnen ze hem niet bereiken op zijn mobieltje, en dan staan ze ineens naast hem.

Geen touw aan vast te knopen, en dat maakt weinig uit voor het leesplezier

Er is, welbeschouwd, geen touw aan vast te knopen, en het fascinerende is dat dit weinig uitmaakt voor het leesplezier. We zijn verdwaald maar niet verloren, omdat Storm zich manifesteert als een echte verteller, bij wie het vooral gaat om de manier waarop hij iets vertelt. Bijna toevallig zegt hij dan zo nu en dan iets raaks, zoals: ‘Een schrijver voelt altijd nostalgie over de tijd waarin hij zich bevindt, misschien is dat zelfs de definitie van wat een schrijver is.’

Meer nog dan in zijn eerdere boeken verstaat Storm hier de kunst om alles de quasi-improviserende charme mee te geven van een terzijde. ‘Laat ik niet op de zaken vooruitlopen’, ‘Eigenlijk is dit zo’n beetje de hele herinnering als ik aan dit voorval terugdenk. Meer is er niet. Er is wel meer, natuurlijk, veel meer, er zijn andere gebeurtenissen geweest’, ‘Ik zou, meldde ik toen ik aan dit verslag, of moet ik zeggen deze getuigenis, begon, nog iets ijdels over mezelf vertellen in verband met de dood, en dat is dit.’

Alles krijgt de terloopse status van een terzijde en lijkt associatief, ter plekke geïmproviseerd. Die techniek is waarschijnlijk eigen aan het komische genre. Denk aan cabaretiers die ook vaak de uitweiding inzetten als vormgevend principe. Denk ook aan Gerard Reve, wiens Op weg naar het einde, ook zo’n Brits reisverslag, zo nu en dan resoneerde.

Het werkt. Het geeft een sensatie van vrijheid, zonder het gevoel in vormeloosheid te verzanden. Dit is geouwehoer waar Keats’ zegen op rust. Storm is op z’n sterkst als hij op die manier zijn eigen soevereine ruimte opeist, niet meer zo bezig is met over zijn schouder kijken naar wie er allemaal kitsch schrijft, ijdeltuitig is of commercieel, als hij, kortom, niet reageert, maar zijn eigen grillen volgt. Zelfverzekerd, laconiek.

In het tweede deel van het boek, een boek-in-het-boek, maakt Storm een sprong dieper, met de komische novelle waarvan hij in deel één al vertelt dat hij eraan werkt. Het verhaal speelt op Terschelling. ‘Zelfs voordat de gebeurtenissen plaatsvonden waarover ik zal vertellen, stond dat Waddeneiland al hoog op mijn lijst met plekken waar ik zo ver mogelijk vandaan wilde blijven.’

Dit is niet de plek om die hele kolderieke, soms wat te melige geschiedenis op dat eiland na te vertellen, maar het is wat mij betreft het beste deel van het boek, ook doordat de blik wat meer op de buitenwereld van het verhaal is gericht. Bovenal is het onbedaarlijk geestig.

Zelf zegt de verteller uit het eerste deel nadrukkelijk dat zijn novelle door P.G. Wodehouse is geïnspireerd, maar ik moest ook denken aan Howard Jacobson, met name Zoo Time, ook zo’n knotsgekke parodie op de literaire wereld. In Storms geval gaat het om een schrijfcursus door bestsellerauteur Julia Vis, die hij ertoe moet zien te bewegen over te stappen naar de uitgeverij van zijn vrouw. Natuurlijk loopt dat verkeerd af. Zoals de verteller in Londen al tegen iemand beweerde: ‘Een klucht is altijd leuker om te bekijken dan om te beleven.’ Er eentje te schrijven was voor Arie Storm merkbaar het allerleukste.