POPMUZIEK: Neil Young

Spelen naar het niets

Lange wandelingen, daar houdt Neil Young van. Een van die niet noodzakelijke, maar wel leuk-om-te-weten-feitjes uit zijn onlangs verschenen autobiografieWaging Heavy Peace. Een boeiend levensverhaal dat hij zelf ook beschouwt als ‘een levenswandeling’. De verhalen en beschouwingen tonen zijn veelzijdigheid en intuïtieve karakter.

Ze laten zien wie hij allemaal is: kunstenaar, materialist, romanticus, ondernemer, weldoener, megaliefhebber van oude auto’s/modeltreintjes/techniek en familieman. Net als in zijn muziek is Young geen groot technisch stilist, maar hij brengt het openhartig, persoonlijk en op een directe manier die innemend werkt.

Dit jaar betekent ook goed nieuws voor de liefhebbers van zijn rockkant, want rocken doet hij weer eens flink met zijn trouwe, rauwe begeleidingsband Crazy Horse. Deze zomer verscheen al Americana, een plaat vol traditionals en liedjes als Oh Susannah en Clementine, die hij vaak speelde tijdens optredens met zijn eerste bandjes. Een hernieuwde samenwerking die goed is bevallen, want in één adem werd doorgewerkt aan het lijvige maar levendige Psychedelic Pill. Twee jaar geleden herontdekte Neil Young zichzelf na lange tijd solo met Daniel Lanoïs op Le Noise, nu is dit het eerste urgente Horse-album sinds Sleeps with Angels (1994).

In deze combinatie kun je altijd nummers verwachten die het muzikale equivalent zijn van een lange wandeling (als je eenmaal in het ritme zit lijkt alles vanzelf te gaan). Met negen nummers in anderhalf uur is dit zelfs de langste plaat uit Youngs discografie. Ondanks de lengte lopen de verschillende paden van Psychedelic Pill bijna nergens dood, al komen de twee versies van het titelnummer en She’s Always Dancing niet boven de middelmaat uit. Vrijwel overal klinkt de energie en voel je het speelplezier bijna uit de boxen komen. ‘De Horse maakt muziek zonder erbij na te denken’, schrijft Young erover en als het dan goed zit kan een openingsnummer, zoals I’m Driftin’ Back een half uur duren zonder te gaan vervelen. Na een akoestische start komt de band terloops invallen en als iedereen op stoom is plaveien Ralph Molina en Billy Tarbot quasi-nonchalant de weg voor de gruizige gitaartapijten van Young en ‘Poncho’ Sampedro. Tussendoor zingt hij over Picasso als behangpapier, zijn afkeer van mp3, hiphopkapsels en het schrijven van zijn boek, maar tekst, couplet en refrein zijn niet van belang. Het gaat om de sound en op gevoel werkt de band zich buiten de tijd.

Ander hoogtepunt waarbij de band naar het niets lijkt te spelen is Ramada Inn. Op deze lange, dramatische huwelijksballade vol alcoholleed zijn ze in topvorm, zowel muzikaal als vocaal. CSN klinken dan dichtbij. Meer nostalgie, herinneringen aan de jongste jeugd en de teloorgang van oude ideeën en idealen, vind je op Born in Ontario en Walk Like a Giant (‘think about how close we came’).

In dat laatste nummer lijkt Young ook het aanzicht van zijn eigen sterfelijkheid uit te willen drukken (wellicht na nogal wat fysieke ongemakken van de laatste jaren en op doktersadvies stopte hij ook met blowen en drinken). Het eindigt de laatste drie van de ruim zestien minuten met drumslagen, gitaarknallen en droge basdreunen die steeds minder luid en snel klinken, als voetstappen van de reus die tot stilstand komt. Dat besef ten spijt kan hij met generatiegiganten Bob Dylan, Van Morrison en Bruce Springsteen tevreden vaststellen dat dit het muziekjaar van de oudjes is.

Neil Young Crazy Horse, Psychedelic Pill, label: Reprise/Warner