Toneel

Spelen onder spanning

Toneeltentoonstelling: Theater in de Tweede Wereldoorlog

Het was een datum die ertoe deed voor de toneelkunstenaars in het door de Duitsers bezette Nederland: 19 februari 1942. Het ultieme moment om je wel of niet in te schrijven voor de Kultuurkamer, Het Gilde voor Theater en Dans. Gilde. Dat was een slim gekozen woord van de Duitse bezetter. Een laatmiddeleeuwse, Teutoonse vakvereniging voor podiumkunstenaars, een Arische club. Joden waren al sinds 1941 uitgesloten van het toneel. Zij zijn voor korte tijd verbannen naar joodse schouwburgen. Een flauwe vraag – want in het schema van goed-en-fout – is: wie van de toneelmakers tekenden wél en wie tekenden níet voor de Kultuurkamer? Bij mij is altijd een ándere vraag blijven spoken. Toen de oorlog voorbij was, toen er toneelensembles werden geformeerd waarin toneelspelers die wél hadden getekend voor de Kultuurkamer, en toneelspelers die dat hadden geweigerd, weer samen gingen spelen – hoe ging dat toen, welke gesprekken werden er gevoerd, hoe sloot men vrede (want voor je toneel kunt maken moet je eerst een soort van vrede sluiten)?

Ik heb die vraag vaak gesteld aan theatermakers die het hebben meegemaakt. En ik heb er altijd ontwijkende antwoorden op ge kregen. Een paar jaar terug be zocht ik Ben Albach (theaterhistoricus, regisseur, hij moet in de negentig zijn geweest) en stelde hem die vraag. Na enig aandringen kwam hij met een anekdote. Cees Laseur (doorgespeeld in de oorlog) wilde na de bezetting in «zijn» Haagse Comedie werken met Albert van Dalsum (niet getekend voor de Kultuur kamer, ondergedoken). Albach: «Die twee hebben eerst een goed gesprek gehad. Dat moet een fors gesprek zijn geweest, het duurde in ieder geval lang. Ik was daar graag bij geweest.» Er zijn geen notulen gemaakt. De ontmoeting lijkt me een mooi onderwerp voor een toneelstuk.

Ik moest hieraan denken toen ik op 5 mei wandelde over de tentoonstelling Theater in WO II in het Theatermuseum aan de Amsterdamse Herengracht. Het is een kleine expositie, een eenvoudige opstelling van zes vitrines, waarin steeds één aspect van het theater tijdens de bezetting aan bod komt, zoals het amusement, met het duo Snip & Snap en de «foute» tekstschrijver Jacques van Tol in hoofdrollen, of de huiskamervoorstellingen, de «zwarte avonden», met Carel Briels en Ko van Dijk. In een aparte zaal is een scherpe audiovisuele presentatie gemaakt, die begint bij de anti fascistische voorstelling De Beul (Albert van Dalsum) in de jaren dertig, en die eindigt bij het weer in gebruik nemen van de Amsterdamse schouwburg door toneelspelers die niet hadden getekend, met de voorstelling Vrij volk (1945). In het zaaltje voor de audio visuele presentatie hangt een griezelige vitrine. Het engste document in die vitrine is een publicatie uit De Mesthoorn, 21 juni 1941. Met een lijst van joodse spelers en hun «bijzit» of echtgenoten. En het advies dat de lezers «zich gaan bezinnen over de verwording waaraan ons volk ten prooi was, toen het ontspanning zocht in de sfeer die dit ondermenschdom om zich heeft». En een huiveringwekkende waarschuwing: «Een lijst van homoseksueelen is eveneens in ons bezit.»

Theatermuseum, Amsterdam.

Nog het hele jaar te zien.

Vergezeld van het boek Spelen onder spanning, samengesteld door Hans van der Veen, en een

cd-box met onder meer nummers uit Het zondagmiddagcabaret van Paulus de Ruiter, met antisemitische teksten van Jacques van Tol. www.tin.nl