Meesters van de digitale piepknor

Spelen vanuit het niets

«Er is géén precedent voor deze muziek», zegt gitarist Keith Rowe. «Als je met een gewone bigband werkt, weet je ongeveer wat het terrein is waarop je je beweegt. Hier niet. Daarin zit waarschijnlijk ook de grootste uitdaging van het spelen met Mimeo: het tekenen van de kaart. Muzikale cartografie.»

Mimeo staat voor Music In Movement Electronic Orchestra. In boerenkool-Hollands: een internationale elektronische bigband. De twaalf leden van het gezelschap komen uit zeven verschillende Europese landen. Gitarist Rowe geldt als de artistiek leider. Maar ook de Oostenrijkse laptopper Christian Fennesz, die het afgelopen jaar nog de top van de alternatieve hitlijsten haalde met zijn elektropopalbum Endless Summer, zit erbij. Net als de klassiek opgeleide pianist Thomas Lehn, die bij Mimeo de «analoge synthesizer» bespeelt. Uit Nederland komen de pianist Cor Fuhler en — voormalig — slagwerker Gert-Jan Prins; beiden hebben zich inmiddels aan de elektronische knutseldoos overgegeven.

Het orkest viert dit jaar het vijfjarig bestaan. Hooguit één keer per jaar geven ze ergens een concert. Onlangs gebeurde dat tijdens het Konfrontationen-festival in het onwaarschijnlijk doodse Oostenrijkse dorp Nickelsdorf, op de grens met Hongarije, in de overdekte achtertuin van het voormalige truckersrestaurant Falb. Sinds de aanleg van een nieuwe snelweg dendert het verkeer op vijfhonderd meter aan het dorp voorbij.

Het lustrumconcert begint met een brom, die zich verspreidt over de ruimte vanuit twee speakers. Dan volgt gepruttel uit twee andere luidsprekers. Daarna geknars. Achter een van de tafeltjes tracht Thomas Lehn met drukke, Catweazle-achtige bewegingen zijn bijna voorhistorische stekkers-en-knoppen-synthesizer in bedwang te houden. Naast hem zit zijn tegenpool, de gezette Brit Phil Durrant, als een boeddha, onbeweeglijk starend naar het beeldscherm van zijn laptop. Weer een tafeltje verder de Zwitser Markus Wettstein, die met een strijkstok stukken oud ijzer bewerkt en het resultaat vervolgens via een batterij effectapparatuur de wereld in zendt. Hier wordt hogeschool-avant-garde bedreven die van de luisteraars bijna evenveel vraagt als van de musici. Piepend. Fluitend. Zoemend. Tot het hele Black&Decker- en Miele-assortiment aan klanken is gepasseerd.

Improvisatie, daar gaat het om bij Mimeo. Musiceren zonder het vangnet van een «thema», een melodie die houvast biedt, of zelfs maar een herkenbaar ritme of een herkenbare «beat» om op terug te vallen. Spelen vanuit het niets, de eigen bagage, het moment. En met z’n twaalven tegelijk.

«We ontmoeten elkaar niet buiten de concerten om, althans niet met z’n allen», zegt de Oostenrijkse laptopper Peter Rehberg. «We repeteren nooit. Wat het publiek ziet en hoort, dat is was we zijn. Méér Mimeo dan dat is er niet.»

Keith Rowe is de oude rot. Halverwege de jaren zestig richtte hij al de improvisatiegroep AMM op. Sindsdien heeft hij alle schepen van het «reguliere musiceren» achter zich verbrand. AMM speelde in het Londense undergroundcircuit, net als Pink Floyd en Soft Machine. De laatste twee vonden hun weg naar de rockwereld. AMM leidt tot op de dag van vandaag een obscuur, maar door de lefhebbers zéér gewaardeerd bestaan in de marge van de avant-garde, de improv-jazz en het galeriecircuit.

«Weet je, Pete Townshend van The Who, Syd Barrett van Pink Floyd en ik, we waren alledrie gitaristen die van de kunstacademie kwamen. En ongeveer van dezelfde generatie», zegt Rowe glimlachend enkele uren voor het concert, terwijl hij met zijn hand een glas wijn op temperatuur brengt. «Destijds in de vroege jaren zestig werd op de kunstacademie ‹succes› gedefinieerd als: op middelbare leeftijd nog altijd het werk maken dat je het liefste maakt en bij voorkeur in de luwte van de obscuriteit. (lachend) Daar heb ik mij keurig aan gehouden, lijkt me.»

Het betreft hier niet de pop van de toekomst — daarvoor is het allemaal een tikkeltje té abstract — maar er is hier wel sprake van een nieuwe generatie improvisatoren en laptoppers die met brede zwaaien tussen de traditionele muziekgenres door slalommen. Vér van alle camp- en MTV-pop. Vér van de steeds commerciëler wordende jazz en gecomponeerde muziek die op voormalige «laboratoriumpodia» als het Bimhuis en de IJsbreker te horen zijn. Voor het eerst sinds de hoogtijdagen van de punk, eind jaren zeventig, is de afgelopen jaren in een stad als Amsterdam weer een alternatief podiumcircuit ontstaan — O 301 aan de Overtoom, Zaal 100 aan de De Wittenstraat, incidenteel het alternatieve internetcafé Ascii. Een nieuwe muzikale «underground», met de jonge piepknor-pioniers dikwijls als drijvende krachten.

Rowe: «Waar het bij dit orkest eigenlijk om draait, is het omgaan met verandering. Héél concreet: de overgang van analoge technologie naar digitale technologie. Nieuwe techniek kan namelijk nieuwe muziek opleveren. Maar je mag de essentie van Mimeo ook abstracter opvatten: als de verandering in het algemeen en hoe daarmee te leren omgaan.»

Als je improviseert met twaalf mensen tegelijk maak je het jezelf natuurlijk wel érg moeilijk, benadrukt de Brit. Alleen als niemand een fout maakt, werkt het. Hij haalt een autocoureur aan die ooit zei: «In de volgende bocht kan ik de race niet winnen, maar ik kan hem daar wél verliezen.» Rowe: «Bij Mimeo gaat het net zo. Hoe meer mensen gelijktijdig improviseren, hoe meer bochten er in het circuit zitten.

Mimeo had niet kunnen bestaan in de tijd vóór de e-mail. We hebben de afgelopen weken alleen al tientallen mailtjes naar elkaar verstuurd over hoe de luidsprekers bij dit concert moeten staan. Met de traditionele communicatiemiddelen lukt dat nooit. Ook dat is een essentieel verschil met de klassieke bigbands. Daar werd alles altijd vanuit één persoon bepaald. Duke Ellington, Art Blakey, noem maar op. Dit is een groep van solisten. Iedereen binnen Mimeo is een solist.»

Het begon vijf jaar geleden in hetzelfde Nickelsdorf, waar Konfrontationen-programmeur Hans Falb de Nederlandse saxofonist en festivalorganisator Peter van Bergen over de vloer kreeg. Samen brainstormden ze over de vorming van twee elektronische improvisatieorkesten, samengesteld uit musici met totaal verschillende achtergronden. Allebei met een veteraan als mentor. Een Europees orkest onder leiding van Keith Rowe kwam van de grond. Het Amerikaanse equivalent rond trombonist George Lewis bleek om allerlei redenen niet haalbaar.

Een jaar later kwam Mimeo in Keulen wederom bijeen in een licht gewijzigde en uitgebreide samenstelling die tot op de dag van vandaag ongewijzigd is gebleven. Maar vaak spelen ze niet. De musici hebben drukke agenda’s en bijeenkomen is duur; er moeten twaalf musici uit verschillende Europese landen worden overgevlogen voor een publiek waarmee je nauwelijks een buurthuiszaaltje vult. In 2000, in het Franse Nancy, gaf het orkest daarom een concert van 24 uur non-stop.

Tien procent van wat Mimeo speelt is écht goed, zegt Peter Rehberg, die het platenlabel Mego bestiert. «Dat was ook het idee achter dat 24-uurs-concert», valt Christian Fennesz hem bij. «Het heeft ons ontzettend veel werk en concentratie gekost om dat voor elkaar te krijgen en vol te houden. Maar dat leverde uiteindelijk in totaal wel ongeveer één uur prachtige muziek op.»

«Als je een uurtje hebt om een Mimeo-concert te geven, dan moet je binnen een paar seconden beslissen of een idee werkt of niet», zegt Nederlander Gert-Jan Prins. «Tijdens dat concert van een etmaal konden we elk idee wel twintig minuten uitdiepen. Maar hoe vaak krijg je die kans?»

Dit jaar in Nickelsdorf in elk geval niet. Iedereen is zich ervan bewust dat «het» binnen een minuut of vijftig, zestig moet gebeuren. Soms ontaardt het concert in teringherrie, maar er zijn ook momenten van prachtige stilte als iedereen opeens even de vingers van de knoppen heeft gehaald. En wie durft die dan weer te doorbreken? En vooral: hoe?

Peter Rehberg zorgt voor hilariteit door zich zo nu en dan languit op de podiumvloer uit te strekken en op zijn gemak een sigaret te roken, de anderen hun gang latend. De muziek blijft bijna dogmatisch abstract. Niemand haalt het in zijn hoofd om voor de aardigheid eens een herkenbaar deuntje er doorheen te spelen, terwijl de meesten van deze musici met andere groepen en projecten aanmerkelijk toegankelijker muziek maken. Misschien is de wil van Rowe in Mimeo wet. De finale van het concert is in elk geval prachtig: het geluid van een langzaam verdwijnende golfslag.

Na afloop is de stemming gematigd tevreden. Ja, er waren weer «momenten», ondefinieerbare momenten tussen veel klankgrijs. Rehberg zegt dat het erg mooi zou zijn als er nu eens een echt goede plaat gemaakt zou kunnen worden. De drie tot dusverre verschenen Mimeo-albums zijn in feite geremixte concertopnamen; geen verzamelde hoogtepunten. «Een week met z’n twaalven bij elkaar, ergens in een landhuis of zo. En dan iedere dag spelen en opnemen», suggereert de Oostenrijker. «Maar ja, daarvoor moeten we dan wél eerst een mecenas vinden.»

Er wordt nagepraat. Het duurt waarschijnlijk wel weer een jaar tot het volgende concert. Fuhler en Prins zijn hun spullen al aan het pakken; zij vliegen een paar uur later door naar Sydney voor een tour door Australië en Nieuw- Zeeland met hun duo-improvisatieproject The Flirts, dat een internationaal succes heeft waarvan artiesten als Kane en Ilse Delange vooralsnog alleen maar kunnen dromen.

«Mimeo blijf voor mij interessant zolang je er geen etiket op kunt plakken», zegt Fuhler. «Niemand binnen de groep snapt precies hoe het kan. We weten alleen dat het er soms ‹is›. Dat mysterie, dat maakt het leuk.»