Generatie Alles: Jonge acteurs

‘Spelenderwijs worden we ondernemend’

Voor toneelspelers is experimenteel lummelen en aanmodderen er niet meer bij. Het kabinet wil supertalent met gevoel voor ondernemerschap. Nu staat er een lichting ondernemende acteurs op, die niet willen buigen voor de problemen – uit liefde voor het vak.

‘Help ons. Wij kunnen spelen, jij kunt schrijven’, schreven vijf jonge acteurs in een brief aan Arnon Grunberg. Ze hadden kort daarvoor een theatergezelschap opgericht voor ‘creatieve mensen die de kunst verstaan om niet cynisch te zijn’ en besloten om met hun optimistische verzoek aan de voorpaginacolumnist het heft in eigen hand te nemen. Grunberg, ooit afgewezen bij de Toneelschool Amsterdam, was vertederd en schreef voor hen een toneelstuk waarop veel lovende reacties kwamen. De vijf jongeren, beter bekend als De Hollanders, staan symbool voor een lichting ondernemende kunstenaars die aan lef en creatieve ideeën geen gebrek hebben. Ze voelen de impact van de bezuinigingen, maar willen er niet voor buigen uit liefde voor het vak.

Want was 2012 het jaar waarin de cultuurbezuinigingen een gezicht kregen, op 1 januari 2013 ging de nieuwe landelijke basisinfrastructuur van start en zijn de toverwoorden ‘zelfredzaamheid, excellentie en vernieuwing’. Jonge talenten moeten volgens de kabinetsplannen door theaterscholen worden klaargestoomd voor topproducties. Experimenteel lummelen en aanmodderen is not done. Rutte II zet in op supertalent met gevoel voor ondernemerschap en klassieke teksten.

De tientallen acteurs die jaarlijks afstuderen worden vanuit de kweekvijvers meteen in het diepe gegooid. Zeker nu productiehuizen – de safe havens voor beginnende acteurs zonder netwerk, speelruimte en budget – wegvallen en grote theatergezelschappen verantwoordelijk worden voor de doorstroom van talenten naar theaterzalen.

Dichi Wit (23) studeerde in de zomer van 2012 met negentien anderen af aan de Toneelschool Amsterdam. Ondernemerschap zat niet in het pakket van haar opleiding, wel leerde ze welke verantwoordelijkheden komen kijken bij het opzetten van een professionele acteercarrière na de opleiding. ‘Opeens heb je geen ballet- of zangles meer om negen uur ’s morgens, maar ben je zelf verantwoordelijk voor het bijhouden van je lichaam en stem. Dat was eng, alle vastigheid viel ineens weg.

Samen met een vriendin maakte ik in het laatste jaar van mijn opleiding het stuk Knooppunt Jeruzalem. Het gaat over mensen die in een cruciale levensfase zitten en zoeken naar hun identiteit, hun plek in de wereld. Het is een beetje het verhaal van mijn generatie. Niemand houdt je tegen, alles is mogelijk en aan alles kun je twijfelen. Om inspiratie op te doen, gingen we twee weken naar Jeruzalem en schreven we stukken met Palestijnse acteurs die we in huiskamers van Palestijnse families speelden. Intrigerend, want de politieke situatie maakt het lastig voor Palestijnen om theater te maken in Israël.

Bij terugkomst in Nederland besloten we om Knooppunt Jeruzalem voor een groter publiek bereikbaar te maken. Bekenden met liefde voor het vak hielpen ons met de muziek en het decor, terwijl wij zelf de promotie regelden en alle overige kosten uit eigen zak betaalden. Met knikkende knieën van de zenuwen lieten we Theu Boermans ons script lezen. Hij was enthousiast en gaf ons meteen tips en speelruimte. We merkten door deze ervaring dat we spelenderwijs ondernemend werden.’

Abdelkarim el Baz (26) groeide tot zijn veertiende op in Marokko en vertrok als puber naar Nederland. In 2012 studeerde hij met tien medestudenten af aan de mimeopleiding in Amsterdam. Na de zomer begint hij bij de Toneelschool Maastricht. ‘Het zijn de twee beste opleidingen in de Nederlandse theaterwereld. Ik ben daarmee gezegend. Toneelspelen is een vak dat je zonder haastige spoed moet leren. Je moet tijd nemen voor je carrière.’

Op de mimeopleiding kreeg El Baz veel adviezen over ondernemerschap. ‘Oude rotten uit het vak begeleidden me bij het maken van stukken en de zakelijke aspecten die daarbij komen kijken. Nu heb ik constante projectflow en ben ik met twee vrienden theatercollectief Allang Vrienden gestart. We zijn jong en komen alledrie uit een ander land met een andere cultuur. We hebben een multiculturele identiteit en die willen we laten zien. Niet als tegenreactie, maar als een ander perspectief. Je wilt toch je eigen verhalen vertellen. Ons collectief is ook ontstaan uit verbazing over het feit dat theatergezelschappen overwegend blanke acteurs hebben. Dit frustreert, maar motiveert tegelijkertijd om een stuk te maken als Boter, kaas en eieren. Hierin behandelen we thema’s als overlevingsdrang, angst en menselijk basisgedrag.

Allang Vrienden speelt dit jaar op de Parade, in het Mozaïektheater en in het MC theater. We zijn geen grappenmakers, maar theatermakers. Tot nu toe hebben we geluk gehad en mensen weten te overtuigen. Maar we beseffen ook dat er mindere periodes kunnen aanbreken. Vroeger was er zóveel subsidie dat mensen maar voorstellingen bleven maken. Dat neem ik ouderen kwalijk. Ik spaar, leg opzij. Het tegenovergestelde zag ik in de theaterwereld gebeuren. Mensen probeerden steeds meer subsidie binnen te halen, gingen projecten afraffelen. Ze waren te gretig, te hebberig. Dat is niet waar het bij kunst om draait…’

Kiki van Deursen (28) studeerde in 2010 af aan de Amsterdamse Toneelschool. Ze specialiseerde zich in film, tv, kleinkunst en toneel. ‘Ik werd overspoeld door werk na mijn afstuderen. Als stagiair had ik het geluk om direct de hoofdrol in de muzikale familievoorstelling Otje van regisseur Gijs de Lange te mogen spelen. Bij mijn castingbureau regende het daarna aanvragen. Tot het voorjaar van 2012. Productiehuizen sloten en mijn telefoon stond niet meer roodgloeiend. Voor het eerst voelde ik echt dat de cultuursector het moeilijk had.’

Bij Café Cox, bij de Amsterdamse schouwburg, werkt Van Deursen achter de bar. ‘Het is een ideale bijbaan voor een theatermaker. Je ontvangt een regelmatig, maar bescheiden loontje en blijft contact houden met veel mensen uit de theaterwereld. Samen met zes collega’s en vrienden besloten we een voorstelling te maken over de nineties, de onbezorgde jaren uit onze jeugd. In het café kunnen we naar hartelust repeteren, programmeren en spelen. Zo zijn we een soort eigen productiehuis. Onze nineties-avonden werden een dusdanig groot succes dat we de voorstelling ook gaan spelen op de Parade. Als we dit zo goed mogelijk blijven doen, kunnen we ons hopelijk in de toekomst nog meer storten op het maken van eigen voorstellingen.’

El Baz, Wit en Van Deursen bewijzen dat ze in de chaos hun hoofd boven water kunnen houden. Ze zijn opgeleid op scholen die in de toekomst minder acteurs zullen aannemen en door de kabinetsplannen worden gedwongen om mensen voor te bereiden op de arbeidsmarkt. Deze scholen zullen intensief moeten samenwerken met gezelschappen bij het klaarstomen van talent. Uit onderzoeksrapporten van het ministerie van oc blijkt dat er vooralsnog weinig samenwerking plaatsvindt tussen theatergezelschappen en toneelscholen.

Scholen leiden acteurs met verschillende specialismen op voor de theatersector: tekstueel, expressief, muzikaal of fysiek. Grote gezelschappen als het Nationale Toneel en Toneelgroep Amsterdam hebben een klassiek repertoire waarvoor lange teksten opgedreund moeten worden. De manier waarop ze talenten scouten en begeleiden is dan ook vooral hierop afgesteld. Maar niet iedere jonge acteur wenst zich een rol in shakespeareaanse tragedies. En niet iedere acteur heeft de drang of creatieve gave om zelf theaterstukken van hoge kwaliteit te maken. Integendeel. Veel jonge acteurs dromen van een glansrol in Hollywood, Hilversum of het DeLaMar. In de schoolbanken van de Nederlandse theateropleidingen wacht ook een nieuwe generatie Gouden Kalveren, _GTST-_hunks en musicalista’s op een doorbraak.

Dat het ontwikkelen van talenten ook via goedwillende financiers kan, bewijst mecenas Joop van den Ende. Met zijn VandenEnde Foundation biedt hij een gulle handreiking aan individuele talenten door het geven van studiebeurzen. Jonge acteurs, muzikanten en dansers worden hierdoor in de gelegenheid gesteld om toonaangevende opleidingen te volgen in Londen, Sydney of New York. Directeur Ryclef Rienstra vertelt: ‘Wij hebben zo’n driehonderd jongeren tot 27 jaar geholpen om hun dromen na te jagen. Maar onze stichting speelt slechts een bescheiden rol in het ontwikkelen van talent. Het grootste gedeelte van ons budget gaat naar het DeLaMar Theater. Daarnaast helpen we jongeren via het musicalproductiehuis M-Lab.’

Veel jonge acteurs verkeren in het grijze gebied tussen de musicals en soaps van Joop van den Ende en Shakespeare-stukken. Voor hen is het wegvallen van veel productiehuizen een persoonlijke tragedie. Productiehuizen droegen verantwoordelijkheid voor veel jonge acteurs en vernieuwend repertoire, terwijl het kabinetsbeleid een deel van die verantwoordelijkheid nu graag ziet liggen bij grote gezelschappen. En dat terwijl jonge acteurs bij grote gezelschappen op een hand te tellen zijn: Vanja Rukavina (25) speelt bij Toneelgroep Amsterdam, Sallie Harmsen (23) bij het Nationale Toneel en Nastaran Razawi Khorasani (25) bij het Ro Theater.

De artistiek leiders van de grote gezelschappen, de invloedrijke reuzen van de toneelsector, zien aanpassingen in de nieuwe basisinfrastructuur als een noodzakelijk kwaad om talenten te blijven opleiden. Theu Boermans stelde het Compagnietheater open als podium voor jong talent en nam dit jaar vijf piepjonge acteurs in dienst bij het Nationale Toneel. ‘Omdat een groot aantal productiehuizen de nek is omgedraaid, ligt een deel van de verantwoordelijkheid voor talentontwikkeling bij de grote theatergezelschappen’, zegt hij. ‘Daar geldt het primaat van de artistiek leider en in zijn artistieke beleid staat zijn persoonlijke, artistieke ontwikkeling voorop. De ontwikkeling van een jong talent moet daar maar toevallig in passen. Daarnaast zijn de toeschouwersaantallen steeds vaker allesbepalend. En die worden mede bepaald door het beleid van de landelijke schouwburgen, waar talentontwikkeling nauwelijks prioriteit heeft. Het is daarom goed, nu de bezuinigingen voelbaar worden, om het hele theaterbestel in zijn onderlinge samenhang door te lichten en efficiënter te maken. Dit zal zijn weerslag hebben op de kwaliteit van de nieuwe generatie acteurs en het ontwikkelen van talenten.’

Ivo van Hove, directeur van Toneelgroep Amsterdam: ‘Er waren te veel productiehuizen. Maar de overheid is in haar aanpak om hierop te korten veel te rigoureus geweest. De theaterwereld wordt onevenredig hard getroffen. Er moet nu meer kwaliteit worden geleverd en meer aan talentontwikkeling worden gedaan, terwijl het geld en de productiemogelijkheden afnemen. Dat is vreemd. Toch blijf ik hoop houden voor de talenten, want onder Rutte II is de retoriek verbeterd ten opzichte van het vorige kabinet. Ik zou graag zien dat er in de toekomst een nationaal productiehuis komt, geflankeerd door enkele lokaal georiënteerde productiehuizen. De balans tussen grootschalige en kleinschalige theaterprojecten houd je daarmee in stand.’

Alize Zandwijk, artistiek directeur bij het Ro Theater: ‘Omdat het Ro Theater minder subsidie ontvangt dan voorheen is het voor ons niet mogelijk om net zo veel jonge mensen een kans te geven als we zouden willen, maar we stoppen nooit onze zoektocht naar eigengereide talenten.’ Als lichtend voorbeeld noemt ze Razawi Khorasani. De jonge Iraanse speelde al in Ro-voorstellingen voordat zij naar de Toneelschool Maastricht ging, liep tijdens haar vierde opleidingsjaar stage bij Branden en speelde daarna in Kust en Bossen.

Maar Khoransani is de uitzondering. Buiten de grote gezelschappen zoeken jonge, ondernemende acteurs hun eigen weg. Van Hove: ‘Het is werkelijk fantastisch dat ze hun creatieve geest aanwenden om het hoofd boven water te houden en goede stukken af te leveren. Het is inspirere’nd om te zien, maar tegelijkertijd ook niets nieuws onder de zon. Voor kunstenaars is dit iets van alle tijden.’