Nederland en de wending naar Europese geopolitiek

Speler of speelbal?

Hoe verhoudt Nederland zich tot de andere Europese landen en waar staat Europa ten opzichte van de VS en China? Tegen de achtergrond van de immense wereldpolitieke verschuivingen is heroriëntatie geboden.

Een inheemse Guaraní laat zich inenten met het Chinese vaccin tegen Covid-19. Marcia, Brazilië, 20 januari © Mauro Pimentel / AFP /ANP

‘History is back’, zo zei al in 2014 de voorzitter van de Europese Raad Donald Tusk. De Russische president Vladimir Poetin hertekent met geweld de landkaart en stuurt gifmengers en cybersoldaten tot in West-Europa, zijn Turkse collega Recep Erdogan tart de Grieks-Europese buitengrens met oorlogsschepen en vluchtelingenchantage, China’s sterke man Xi Jinping doet met investeringen en vaccins aan verdeel- en heerspolitiek, terwijl vanuit de VS het narratief van een nieuwe Koude Oorlog – onder Joe Biden niet minder dan onder Trump – opgang maakt.

Geconfronteerd met deze nieuwe en oude machtspolitiek zoeken Europese leiders een antwoord. President Emmanuel Macron roept om ‘Europese soevereiniteit’, bondskanselier Angela Merkel wil dat we ‘ons lot in eigen handen’ nemen, terwijl voorzitter Ursula von der Leyen een ‘geopolitieke Commissie’ wil leiden en EU-buitenlandman Josep Borrell stelt dat de EU ‘de taal van de macht’ moet leren. Allemaal vinden ze dat Europa ‘speler’ moet worden om niet als ‘speelbal’ van de grootmachten te eindigen. Ook premier Mark Rutte zei twee jaar terug bijdehand dat de EU ‘streetwise’ en minder naïef moet zijn.

Toch leeft er in Nederland ook onbehagen over het pad dat Europa onder de vlag ‘soevereiniteit’, ‘strategische autonomie’ of ‘geopolitiek’ inslaat. Want past dit wel bij de Hollandse gehechtheid aan markt en recht? En eindigen we dan onder de plak van Parijs en Berlijn, mét economisch protectionisme en zonder de navo? De geopolitieke benadering is radicaler dan in beleidsnota’s in Brussel en Den Haag wordt voorgesteld. Ze betekent een breuk. Daarom beogen wij de wereldpolitieke wending waar Europa voor staat en de vragen die dit voor Nederland met zich meebrengt te doordenken. De zaak verdient breed debat, want raakt aan ons culturele, intellectuele en staatkundige zelfbegrip. Inzet is de plaats van Nederland als gemeenschap in de ruimte en in de tijd.

—————

Geopolitiek is allereerst [aanhef]machts politiek. In plaats van op het recht of de markt te vertrouwen, zetten geopolitieke spelers macht in om hun doelen te bereiken. In welke soorten die macht komt, welke middelen ertoe behoren en hoe ze wordt geprojecteerd is situatie-specifiek. Militaire macht en dreiging met conflict maken deel uit van het arsenaal. Ook wie iets bezit wat andere spelers begeren (grondstoffen, krediet, technologie, havens) of toegang ertoe kan afsnijden, beschikt over drukmiddelen. Machtsuitoefening naar buiten vraagt om gezagvolle besluitvorming intern; zodoende zijn soevereine staten de machtspolitieke spelers bij uitstek.

Het tweede kernbegrip is territorium. Geopolitiek is meer dan machtspolitiek, want de geografie komt erbij. Het draait om de ligging ten opzichte van rivieren en zeeën, van bergmassieven of woestijnen, oceanen en continenten, alles in het licht van strategisch voordeel of kwetsbaarheid. Ook grondstoffenopbrengst, bodemgesteldheid of bewoonbaarheid tellen mee. Vraagstukken rond klimaat en migratie – opwarming van en beweging over de aarde – zijn geopolitiek eveneens zeer relevant. De benadering vergt een ruimtelijk zelfbeeld, de wil een territorium af te bakenen en strategisch af te tasten ten opzichte van andere spelers.

Ten derde: collectieve identiteit. Machtspolitiek, door het prefix ‘geo-’ met de neus op de afgebakende ruimte gedrukt, kan evenmin zonder een gevoel van verbondenheid van de mensen binnen die bakens. De uitdrukking en verbeelding van het volk is een krachtig middel ter verwezenlijking van politieke doelen. Het kan gaan om een lichte lotsverbondenheid dankzij gedeelde ervaringen en belangen, of ook om een sociale en culturele gemeenschap met gedeelde waarden, normen en gebruiken. Geopolitieke spelers staan sterker wanneer ze namens een hechte gemeenschap spreken. Ze hebben dus belang bij het onderhouden, kneden en uitdragen van een gedeelde herinnering, een verhaal over ‘wij’.

Uiteraard zijn macht, territorium en collectieve identiteit in tal van registers te bespelen. Maar wie een van de drie veronachtzaamt, is met iets anders bezig. Elke serieuze geopolitieke speler handelt vanuit een wil, toont besef van de ruimte en vertolkt een verhaal dat verleden, heden en toekomst van een volk bindt.

—————

Machtspolitiek uitgespeeld na de beide wereldoorlogen, en op het punt hun koloniale rijken te verliezen, beoogden de West-Europese staten zich na 1945 ten minste moreel en economisch weer op te richten. De Raad van Europa (1949) en de Europese Gemeenschappen (1951/1957) gaven een wending aan onderlinge betrekkingen. Stap voor stap ontstond een rechtsorde gericht op economische vervlechting en vrije beweging. Het Gemeenschapsverband dat Nederland aanging met België, Duitsland, Frankrijk, Italië en Luxemburg bleek een weldaad voor de naoorlogse welvaart en stabiliteit. Deze nieuwe orde bereidde echter geenszins voor op gezamenlijk buitenlands optreden.

Sterker, de geopolitieke kernbegrippen macht, territorium en identiteit werden uit de Brusselse doctrine weggedacht, zo niet taboe verklaard. De ervaring van de Europese zelfvernietiging uit 1914-1945 leidde allereerst tot een groot, invoelbaar wantrouwen tegen machtsaanspraken en -verschillen. Het recht, aldus het denken in Brussel en hoofdsteden als Den Haag, temperde voortaan de macht. Assertieve Franse presidenten of lastige Britse prime-ministers verketterde men als zondaars tegen de ‘gemeenschapsgeest’. ‘Liever Monnet dan Metternich’, verwoordde nog in 2002 een Haags beleidsdocument de voorkeur voor de communautaire rechtsorde boven interstatelijk evenwicht. Naar buiten toe meende de jonge Europese Gemeenschap evenmin macht uit te oefenen, maar enkel handel te drijven, ontwikkelingshulp te bieden of democratie te bevorderen. Na 1989 vormden de lidstaten hun verband om tot Unie en kwamen veiligheidsvraagstukken voor het eerst aan bod. Maar nog steeds gold Europa’s boven het strijdgewoel verheven positie als morele en historische verworvenheid. ‘Normatieve macht’ heette dit. Hard power, dat was voor de anderen.

Ten tweede belemmerde een opvatting van de grens als obstakel voor vrijheid en economisch verkeer alle strategische gedachtevorming over ruimtelijke ontplooiing en afgrenzing. Jacques Delors’ ‘Europa zonder grenzen’ (1985-1993) was publieke lokroep en technocratisch leidmotief in één. Deze bl inde vlek trad aan het licht bij het toetreden van nieuwe leden. De stichterskring van zes ontplooide zich eerst naar het noordwesten (1973, met het VK plus nog twee toetreders) en het zuiden (1981 en 1986, onder andere Spanje). Na de Koude Oorlog strekte de club zich uit naar het noorden (1995, onder andere Zweden), oosten (2004, onder andere Polen) en zuidoosten (2007 en 2013, onder andere Roemenië). Deze stappen werden telkens beleefd als ‘uitbreiding’ van een economisch en beschavingsproject en niet als machtsexpansie op een terrein met tegenstrevers. Totdat Rusland in Oekraïne halt zei en Turkije niet meer wilde.

Ten derde: ook collectieve identiteiten moesten uit het Brusselse denken worden weggedacht. Nationalisme en uitsluiting hadden in de wereldoorlogen medemenselijkheid vernietigd. Uit een breuk met het verleden putten de oprichters en gangmakers de morele moed om ‘Europa te bouwen’. Heel voorstelbaar. De politieke energie werd verplaatst van het volk naar individuen, voor verbindende kracht rekende men niet op gemeenschapsgevoel maar op belangenvervlechting dankzij de markt. Het verlangen naar een historische cesuur leidde evenwel tot miskenning van continuïteiten en collectieve identiteiten. Zo leest men in Brusselse brochures en lesmateriaal hoe Europa wordt ‘geboren’ op 9 mei 1950, stichtingsdag van de eerste Gemeenschap. De voorliggende geschiedenis werd uitgewist, de blik ging vooruit. Geschoond van oude zonden werd Europa tot ‘project’ en verwachting. Tussen de individuele consumenten en producenten enerzijds, en de Europese, liefst ‘universeel’ genoemde beschavingswaarden anderzijds, was geen ruimte voor nationale eigenheid, laat staan een gemeenschap van Europeanen, als onderscheiden van bewoners van andere werelddelen.

—————

Nu de geschiedenis in Europa weer tumultueus en ontnuchterend is begonnen, springt een aantal tekorten van dit Europese zelfbeeld in het oog. Meest evident voor beide aspecten macht en territorium – zie de strongmen en grote conflicten aan Europa’s buitengrenzen. Maar ook het derde veronachtzaamde geopolitieke element, de collectieve identiteit, doet zich voelen. Ondanks de doopnaam Europese ‘Gemeenschap’ kan de huidige EU slechts op twee van de vier criteria die de socioloog Talcott Parsons onderscheidt een gemeenschap op de schaal van een samenleving worden genoemd. Zeker, door afgeschafte binnengrenzen, een eenheidsmunt en deregulering van kapitaal zijn de natiestaten in Europa in economische zin en qua politieke instellingen tot een gemeenschap gemaakt. Daarentegen bleven beide andere aspecten van gemeenschapsvorming: sociale cohesie en culturele eigenheid, ver achter. Sinds 2008 leggen de zware politieke crises rond de euro, vluchtelingen en nu de pandemie de prijs van ontbrekende sociale en culturele binding bloot. Hoe ver strekt de solidariteit tussen onze landen, welk soort samenleving willen de Europese lidstaten beschermen en ontplooien? Fundamentele vragen, ook naar buiten toe. >

Al te lang werden kwesties van macht, grens of collectieve identiteit aan de kant geschoven als ‘achterhaald’. De naoorlogse stichters zagen zichzelf als wereldhistorische voorhoede; de rest van de wereld zou volgen, even democratisch, welvarend en vreedzaam als West-Europa worden, een gedachte die later weerklank vond als The End of History (1989). Nog begin jaren 2000 ontwikkelde een Brits strateeg het onderscheid tussen ‘moderne staten’, zoals de VS, en ‘postmoderne’, zoals de Europese. De eerste leefden nog in de geschiedenis, de tweede erna.

Te lang werden kwesties van macht, grens of collectieve identiteit aan de kant geschoven als ‘achterhaald’

Dit temporele zelfbeeld kent twee zwakke plekken: hypocrisie over de breuk met het verleden en een illusoire gok op de toekomst. De voorstelling van de Europese eenwording als ontsnapping aan het moeras van de machtspolitiek miskent hoezeer de Gemeenschappen zélf deel uitmaakten van een geopolitiek project: de versterking van het Westen in de mondiale strijd tegen de Sovjet-Unie. Vandaar Washingtons stelselmatige aanmoediging van en zachte dwang jegens Europese hoofdsteden om integratiestappen te zetten, een constante van Truman tot en met Obama (wel vaak vergezeld van de waarschuwing om qua defensiepolitiek niet te ver te gaan). Zelf zagen we liever niet dat het zwaar leunen op de Amerikaanse veiligheidsgarantie, alle retoriek over een ‘postmodern Europa’ ten spijt, free riding was.

Voorts blijkt intussen dat de Unie niet het voorportaal tot het einde van de geschiedenis is; de rest van de wereld volgt de beweging naar multilaterale ordening niet. ‘Nog niet’, kan de die hard liberale multilateralist blijven zeggen. Maar een verwijzing naar de toekomst biedt geen veiligheid nu. Het is deze laatste erkenning – in Parijs nooit afwezig en sinds enkele jaren ook in Berlijn te horen – die Europa’s geopolitieke herbezinning aandrijft.

—————
Vlootdagen van Ruslands Zwarte-Zeevloot, Sebastopol, de Krim. Oekraïne, juli 2017 © Thomas Dworzak / Magnum Photos / ANP

De wereld waarin de Europese staten opgelucht en fier afscheid namen van de geopolitiek is niet meer. De crux ligt in de veranderende positie van de VS, onze beschermer sinds 1945.

De gestage opkomst van China – onloochenbaar sinds de financiële crisis van 2008 en actief opgeëist sinds Xi’s aantreden in 2012 – maakt een einde aan Amerika’s mondiale hegemonie sinds 1990. Dit wereldhistorische fenomeen stelt voor Washington alle andere in de schaduw. Voor de Atlantische wereld heeft het twee structurele gevolgen. Het ene, ingezet onder Obama, is de pivot to Asia, Amerika’s wending van de Atlantische naar de Pacifische ruimte, die ten koste gaat van inspanningen elders, waaronder in Europa. Het andere gevolg, uitgekristalliseerd in Trumps ‘America First’, is een nationalistische machtspolitieke agenda waarin de VS de van Franklin Roosevelt tot Bush Jr. vigerende imperiale pretentie opgeven dat Amerika’s mondiale machtsuitoefening en vrijheidsbevordering keerzijden van dezelfde medaille zijn, de premisse onder de Pax Americana. Zodoende bejegende Trump Europese navo-bondgenoten minder als bondgenoten met een gezamenlijk doel dan als ondergeschikte vazallen, die hem voor hun veiligheid beschermgeld of andere diensten schuldig waren.

Nu Joe Biden aantreedt als Amerikaans president is het zaak breuk en continuïteit te duiden. Weliswaar stelt hij zich naar geliefd script op als de leider van de vrije wereld, maar het zal hem moeilijker vallen dan zijn naoorlogse voorgangers om eigenbelang en mondiaal belang geloofwaardig te doen samenvallen. De eisen van het Amerikaanse electoraat en de relatieve neergang van Amerika’s macht verhinderen herstel van de oude leiderschapsrol. Deze situatie vraagt van de Europese staten – meer dan tijdens de ambtstermijn van Trump, die zelf conflict zocht en contrasten zette – om een heldere, onverhulde, geopolitieke kijk op de eigen belangen en waarden.

Ook los van de opmars van China en Azië drijft de geografie de beide zijden van de Atlantische Oceaan uit elkaar. Neem Rusland: voor de Amerikanen een ver projectiescherm voor rivaliteit, voor de Europeanen een machtige buur. Deze nabijheid maakt de dreiging vanuit Moskou concreter (zoals Polen en de Balten voelen), maar dwingt tegelijk tot een leefbare verhouding te komen (zoals Fransen en Duitsers nastreven). Ook de ligging ten opzichte van het Midden-Oosten en Noord-Afrika duwt de trans-Atlantische belangen uiteen. De Europese publieke opinies hebben ten laatste in 2015 ervaren dat oorlogen en chaos in hun wijde regio kunnen leiden tot miljoenen vluchtelingen, die over land of de Middellandse Zee in no time voor asiel in Duitsland, Zweden of Nederland aankloppen. Prudentie verklaart mede het Europese belang bij het door president Trump opgezegde nucleaire akkoord met Iran. Voor de VS, één oceaan verder, speelt de factor migratiedruk vanuit het Midden-Oosten geen rol. Terwijl men zich in het Atlantische discours uiteraard bij voorkeur beroept op gedeelde ‘westerse’ waarden, verdient dit verschil in territoriale belangen meer aandacht.

Behalve de geografie werkt ook de demografie in op de Amerikaans-Europese verhoudingen en het gevoel van collectieve identiteit. De trans-Atlantische ‘gezamenlijke erfenis’ verbleekt met de jaren. De gemiddelde Amerikaan, 38 jaar oud, voelt weinig bij de twintigste-eeuwse conflicten die de Atlantische alliantie tot historische lotsgemeenschap maakten, bij de Normandische landing of de luchtbrug naar West-Berlijn. De kans dat die persoon uit Azië of Latijns-Amerika afkomstig is, is vandaag veel groter dan toen Washington in 1949 het voortouw tot de navo nam. Precies zo blijkt uit opiniepeilingen dat jongere Nederlanders, opgegroeid met beelden van de Irak-oorlog of Afghanistan-inval, de VS gemiddeld veel vaker als internationale dreiging zien dan de generatie die de bevrijders van 1945 met eigen ogen zag binnentrekken of thuis van horen vertellen heeft.

Ook de samenlevingsvormen aan beide zijden van de Atlantische Oceaan lijken steeds minder op elkaar. Het Amerika van Roosevelt & Truman zette in de jaren 1930 en 1940 forse stappen naar een welvaartsstaat zoals toen ook in West- en Noord-Europa werd opgezet. Nadien liepen de paden uiteen. Vandaag kent Europa veel sterkere verzorgingsstaten dan de VS; socialere en duurzamere markteconomieën met minder ongelijkheid en een markt die aan meer regels (inclusief voor privacy) is gebonden. Een de natie splijtende controverse zoals rond ‘Obamacare’ is in Europa ondenkbaar. Wel delen de Europese staten met de VS onverminderd de gehechtheid aan rechtsstaat en democratie – het aanknopingspunt voor een nieuw gezamenlijk verhaal.

—————

Voor Nederland betekent de terugkeer van Europese geopolitiek een dramatische wending, een dieper ongemak dan voor de meeste buurlanden. Voor een goed begrip van wat er op het spel staat moeten we kort terug naar de oorsprong van de Nederlandse staat, naar de jaren van Rembrandt en Johan de Witt.

Sinds de onafhankelijkheid van de Verenigde Provinciën in 1648 bedreef Nederland machtspolitiek – onverhuld en zelfstandig. Het was een speler van formaat in het Europese concert en een koloniale macht op twee continenten. Vanwege internationale woelingen en ’s lands relatieve neergang ging deze sterke positie verloren. Tweemaal deed zich de afgelopen eeuwen een transitiefase voor, tweemaal stond Nederland voor de keuze hoe zich te positioneren wat betreft machtspolitiek.

De eerste transitie was tijdens de napoleontische periode (1796-1815): na deze breukjaren vond het jonge Koninkrijk zich prima in een arrangement waarin het formeel neutraal was, waarin de machtspolitiek de facto werd uitbesteed aan het VK en het Europees concert, en waarin het buiten Europa onder de vleugels van het Britse wereldrijk eigen koloniale (handels- en) machtspolitiek bedreef. Stabiliteit en welvaart dankzij de Pax Britannica. Dit model hield stand tot de Duitse inval.

De tweede overgangsfase begon met de Tweede Wereldoorlog en de dekolonisatie (1940-1962). Na het verlies van Indië luidde de vraag, in de woorden van diplomaat Mom Wellenstein: ‘Wat gaan we nu met dit landje doen?’ Het antwoord van zijn generatie: voor de economie aanhaken op het Duitse achterland – met Rotterdam-Europoort en de uitbouw van de Europese markt – en voor de veiligheid inzetten op de band met de VS. Pax Americana ditmaal, als nieuwe neutraliteitspolitiek.

Anno 2021 is atlanticisme voor Nederland geen anker meer, maar een optie

Welbeschouwd betekende deze tweede transitie dus vooral continuïteit. De buitenlandpolitiek bleef wezenlijk tweeslachtig: het draaide om streven naar een machtsvrije internationale rechtsorde binnen de context van een voor Nederland gunstig machtspolitiek bestel. Alleen de beschermer kwam van één zee verder. Ook in de door Nederland bevorderde internationale rechtsorde speelden machtige bondgenoten de centrale rol (denk aan de VS en het VK in de VN-Veiligheidsraad). Vandaar dat de naoorlogse Pax Americana en Europese economische integratie Nederland pasten als een handschoen: ons land verloor geen status als grote Europese speler (zoals Frankrijk of Duitsland) en had al sinds lang ervaring met het verhullen en veronachtzamen van de machtspolitieke orde waarbinnen markt en recht floreerden.

—————

In dit licht – en tegen de achtergrond van de immense wereldpolitieke verschuivingen van onze tijd – stelt zich de vraag of Nederland momenteel voor een derde grote geopolitieke transitiefase staat, en of ons land voldoende op een heroriëntatie anticipeert. Naar ons oordeel is inderdaad sprake van een breukmoment. Wij menen dat Nederland daarbij in de kern drie strategische opties heeft, drie manieren om komende jaren een plek te vinden in de zich aftekenende machtspolitieke verhoudingen.

De eerste optie is voortgezet atlanticisme, oftewel machtspolitiek onder de vleugels van de VS. Op het oog een vorm van continuïteit, maar we mogen de nieuwheid van de situatie niet onderschatten. Meer dan in het verleden betekent deze optie een positie als ondergeschikte en vazal, aangezien de VS aan imperiale spankracht inboetten, het land minder ruimte heeft om belangen van bondgenoten te accommoderen, en het gevoel van trans-Atlantische verbondenheid en verwantschap afvlakt. Tegelijk werkt één kracht de andere kant op. Een ‘nieuwe Koude Oorlog’ met China zou de geopolitieke belangendivergentie tussen de VS en Europa overtroeven door de gevoelde noodzaak als Westen, uit naam van democratische waarden, Beijings mondiale machtsgreep te weerstaan. China dus in de klassieke rol van Euraziatische uitdager van de vrije Atlantische wereld, als opvolger van nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie. In Washington bezien Republikeinen én Democraten de actuele ontwikkelingen door deze lens, die in staat stelt de machtspolitiek weer een idealistische missie te geven. Het aantreden van Joe Biden betekent geen breuk met de assertieve China-politiek van zijn voorganger.

De Europese bondgenoten ervaren al enige tijd de ferme Amerikaanse druk om zich in dit nieuwe Koude-Oorlogsnarratief te voegen. Natuurlijk, als het erop aankomt voelen zij zich dichter bij Washington dan bij Beijing staan. Maar anders dan tijdens het conflict tussen de VS en de Sovjet-Unie (1947-1990) zouden de economische gevolgen van bepaalde scenario’s (zoals economische decoupling) buitengewoon ingrijpend zijn. China nadert de positie van grootste economie ter wereld, en speelt als snelst groeiende grote markt een sleutelrol voor het bedrijfsleven en de werkgelegenheid in Europa en Nederland. Zo rapporteerde de Rotterdamse haven dat in de eerste helft van 2020 bijna driekwart van de overgeslagen containers uit Azië kwam of erheen ging, waarbij China het grootste aandeel had.

Naar ons oordeel ligt hier het beslissende punt. Jarenlang was aansluiting bij de VS in hun geopolitieke rivaliteit met andere machten eenduidig in het West-Europese en Nederlandse belang. Anno 2021 is die eenduidigheid verdwenen. Daarom is atlanticisme geen anker meer, maar een optie, met plussen en minnen.

De tweede optie is informele neutraliteitspolitiek. Hiermee zou Nederland elementen uit de traditie van 1815-1940 hervinden. Het gaat niet om een terugkeer naar formele neutraliteit (navo-uittreding is geen reëel scenario), maar om maximale afzijdigheid bij machtspolitieke rivaliteiten en confrontaties. Deze gedachte resoneert bij een deel van de publieke opinie, getuige ook de populariteit bij conservatieven en liberalen van de rol voor Nederland in de ‘Hanze-coalitie’ in EU-verband, na het Britse referendum. De weerklank van de middeleeuwse, met Zuiderzee en IJsselsteden verbonden ‘Hanze’ wijst al op een hang naar historische en geografische inbedding van de nationale positie. Hoge verwachtingen van internationaal recht en nostalgie naar een vooral economische Europese integratie (zoals voor 1989) tekenen deze informele neutraliteitspolitiek.

De derde optie is een wending naar Europese geopolitiek samen met Frankrijk en Duitsland. Die kan gestalte krijgen met alle 27 EU-landen of in kleiner gezelschap. In de kern gaat het om aansluiting bij door Frankrijk en Duitsland gedragen initiatieven van geopolitieke ontplooiing onder de noemer ‘Europa’. Anders dan voor het liberale Nederland, dat vooraleerst uit was op markt en recht, hebben deze beide staten in het Europese verband vanaf aanvang ook een vehikel voor machtspolitiek gezien. Voor de Fransen is het evident: alle presidenten van De Gaulle tot en met Macron hebben deze lijn zichtbaar uitgezet, inclusief initiatieven voor een Europese munt als alternatief voor de dollarmacht. Hetzelfde geldt, discreter maar nauwelijks minder stelselmatig, voor de bondskanseliers van Adenauer via Schmidt en Kohl tot Merkel. De inzet is het herwinnen van de in 1945 verloren handelingsvrijheid. Alleen als machtsblok heeft de EU de mogelijkheid om zelf te kiezen welke arena’s het betreedt – of ook om buiten bepaalde conflicten te blijven, zoals India vanouds in de praktijk brengt. In dit licht past bondskanselier Merkels frappante recente waarschuwing in Davos tegen (anti-Chinese) blokvorming.

Sinds enkele jaren wordt een vierde variant besproken: een wereldwijde democratische liga, een verbond van gelijkgezinden. De Amerikaanse politiek denkers Daalder & Lindsay bepleitten in 2017 dat een club van negen democratieën (maar zonder de VS van Trump) de toorts van de vrijheid brandend kon houden. In dit spoor wil president Biden een ‘Top van democratieën’ bijeenroepen en speelt het VK momenteel met de gedachte van een ‘D10’. Nederland zal er allicht aansluiting bij willen zoeken. Zo’n normatieve coalitie heeft meerwaarde op podia als de VN-mensenrechtenraad, maar biedt geen geopolitiek houvast, alleen al vanwege de wereldwijde verspreiding van de leden, van Australië tot Canada of Frankrijk. Zonder de VS is er geen sterke machtspolitieke basis, terwijl het met de VS erbij erg lijkt op optie één, in een ideologisch gedreven, anti-Chinese inkleuring. Daarom laten we deze optie verder buiten beschouwing.

—————

De keuze tussen deze drie strategische opties en toekomsten is geen vrije. Verschillende krachten, bestaande verbanden en initiatieven werken op Nederland in, zoals het navo-lidmaatschap en het EU- en euro-lidmaatschap. De zaak zal niet in enkele jaren zijn uitgeklaard; het is een transitie, met schokken en bevingen. Maar de keuze is onafwendbaar. Nederland staat onder druk mee te bewegen met Frankrijk en Duitsland, dan wel met de VS. Maar ook staat Nederland zélf voor de vraag welke consequenties het trekt uit de historische breuken. Dan kan de geopolitieke drieslag macht-territorium-identiteit helpen de juiste vragen te stellen.

Wat doen de drie opties om te beginnen met Nederlands macht? Een roze scenario is er niet. Voortgezet atlanticisme betekent een ondergeschikte status aan een nog steeds krachtige maar tegelijk tanende wereldmacht. Blokvorming tegen China zou bovendien ingrijpende gevolgen voor de welvaart van Nederland hebben en zo de grondslag van onze internationale invloed verzwakken. Een neutraliteitspolitiek betekent per definitie afstand nemen van de machtspolitiek door grote mogendheden (respectievelijk de kans daar vanaf de zijlijn op te wegen). Daarmee geef je de mogelijkheid op je te verzetten tegen machtspolitiek. Wat resteert is de kans op te treden als leider van een club van kleine landen die eveneens vertrouwen op markt en recht. Bij optie drie is de inzet Europa tot mondiale machtsfactor te maken. Dit is een onzeker en kostbaar project, dat zich nog moet bewijzen. Nederland zou moeten breken met de gewoonte om de VS of het VK erbij te halen als tegenwicht tegen het Frans-Duitse duo. Dat zou de Nederlandse (rem-)macht in Europa verminderen en brengt het risico op onderschikking aan Parijs en Berlijn met zich mee. Daar staat tegenover dat Nederland tussen Duitsland en Frankrijk diplomatieke ruimte kan zoeken voor eigen belangenbehartiging, temeer daar deze beide, in samenspel met de EU-instellingen, de facto een Europese G2 vormen (en geen G1). In zo’n constellatie kan Nederland meepraten over Europa’s geopolitieke strategie. Ter contrast: de kans op strategisch meepraten in Washington is nihil. Bovendien zal de uitkomst van een Europees gesprek meer sporen met de nationale (geografische, economische) belangen dan die van een Atlantische opdracht.

Vervolgens: hoe vallen de drie strategische opties uit wat betreft geografische positionering en werkzame collectieve identiteiten? Van de Atlantische wereld, zagen we al, verzwakt de geografische basis. Weliswaar leeft bij hard-liners de gedachte van een Noord-Atlantisch minisysteem, losgekoppeld van de wereldeconomie, maar voor Europese landen, ook die aan de Noordzee- en Atlantische kusten, lijkt zoiets illusoir. Met ‘het Westen’ beschikt de Atlantische wereld over een krachtig narratief, waarvan de democratische inkleuring teruggaat tot de achttiende eeuw, maar waaraan ook een grote koloniale last hangt.

De neutraliteitsoptie biedt een (mentale) geografische verbinding met Noordwestelijk en Scandinavisch Europa, evenwel ten koste van de band met de grote Europese buren. De Hanze-coalitie biedt geen soelaas ten aanzien van dringende problemen op het gebied van asiel en migratie; een duurzame oplossing zonder Frankrijk en Duitsland, ja zonder Spanje en Italië, is geografisch moeilijk voorstelbaar. De traditie van protestantse koopmansgeest en terughoudend internationaal engagement spreekt sommigen aan, maar beperkt de wervingskracht voor de Nederlandse samenleving als geheel.

Het streven als ‘Europa’ een grootmacht in de wereld te zijn doet een beroep op de gezamenlijke identiteit van de volken op ons continent, die even onmiskenbaar aanwezig is als lastig te bepalen. Bijgevolg zouden Nederlanders zich mettertijd meer verbonden moeten voelen met Unie-genoten Italië en Oostenrijk dan met de Amerikanen en Brexit-Britten.

Afname van Nederlands internationale invloed is welhaast onvermijdelijk

Om deze continentale draai qua cultureel onbehagen te verzachten leggen Nederlandse politici de nadruk op onze plaats in ‘Noordwest-Europa’ (zo bijvoorbeeld minister Wopke Hoekstra in zijn Humboldt-lezing van 2019): gelijkgezinde democratische welvaartsstaten, gehecht aan rechtsstaat en goed bestuur. Een oudere, onder sociaal- en christen-democraten gangbare variant is de notie van het ‘Rijnland’, dat het Frans-Duitse grensland zichtbaar maakt en de sociale-markteconomie als norm in zich draagt. Deze blik op de buren brengt je in twee stappen bij de hunkering in diplomatiek Den Haag naar een Europese binnenring van sterke lidstaten: wat zou het handig zijn om over Rusland, rechtsstaat of migratie te vergaderen zonder het zwakke Zuiden of het onliberale Oosten van de Unie! Deze gedachten miskennen dat uitsluiting van hun buren om geopolitieke redenen geen optie is voor Duitsland wat betreft Oost-Europa (van Polen kan en mag het geen afscheid nemen) en voor Frankrijk wat betreft Zuid-Europa (buurlanden Italië en Spanje). Ruimtelijke dwang overtroeft identiteitspolitiek ongemak: tot nader order is de volledige EU27 het kader voor Europa’s geopolitieke ontplooiing.

—————
Amerikanen trainen Nigeriaanse soldaten. Niger, april 2018 © Tara Todras-Whitehill / The New York Times / ANP

Dit is waar we nu staan, dit zijn – aan het begin van een grote geopolitieke transitie zoals we sinds 1940-1962 niet meer hebben meegemaakt – naar ons oordeel de vragen waarover Nederland dringend moet denken en spreken. Geopolitieke positionering, zoveel moge duidelijk zijn, is niet een zaak voor buitenlandexperts alleen, maar een publieke zaak in de volle zin des woords – voor schrijvers, intellectuelen en columnisten, voor universiteiten, musea en verenigingen, voor alle burgers van en stemmen in de Nederlandse res publica.

Er is niet één beste antwoord, er ligt geen Gouden Eeuw in het verschiet, maar de inzet is toekomstig zo goed mogelijk greep te houden op ons gezamenlijke lot. Onze analyse toont dat afname van Nederlands internationale invloed welhaast onvermijdelijk is; het is de weerslag van de opkomst van niet-westerse machten, China voorop. Die schok voor het stelsel moet worden verwerkt. Elk van de drie strategische opties vangt dit machtsverlies op eigen wijze op.

Zelf menen wij, gezien de pijnlijke keuzes waarvoor het einde van de Pax Americana ons stelt en de nadelen en onzekerheden van beide andere scenario’s, dat aansluiting bij een door Duitsland en Frankrijk aangedreven Europese geopolitiek op langere termijn voor Nederland de meeste zekerheid biedt – voor veiligheidsbelangen, voor bescherming van onze welvaart en samenlevingsproject, voor borging van democratische en vrijheidswaarden. Het presidentschap van Joe Biden biedt na de trumpiaanse woelingen vier jaar respijt om ons als Nederland in Europa te organiseren.

—————

Een cruciale vraag tot slot. Laat de publieke argwaan jegens ‘het continent’, jegens Parijs en Berlijn, actieve aansluiting bij Europese geopolitiek wel toe? Deze toekomst kan geen gestalte krijgen tegen de klippen van nationale achterdocht op.

Hier ligt een grote opdracht. De keuze voor een continentale wending noopt tot een heroriëntatie op de intellectuele en culturele tradities die zich in ons land na de Tweede Wereldoorlog of al eerder hebben gevormd. De terugkeer van de geopolitiek vraagt van Nederland een herwaardering van de staat. Het is dankzij staten dat mensen er de afgelopen eeuwen in zijn geslaagd om instituties te bouwen die de voorwaarden voor hun manier van leven als gemeenschap schiepen, die handelingsvermogen, orde én vrijheid boden. En toch zijn in de drie hier besproken domeinen – macht, territoir en identiteit – de voorwaarden voor de vrije samenleving vergeten, is de noodzakelijke onderliggende orde uitbesteed of als overbodig weggedacht.

Voor de buitenlandpolitieke machtsvragen is het evident: na 1815 uitbesteed aan de Britten, na 1945 aan de Amerikanen. Verzet tegen Frans-Duitse dominantie als nationaal leidmotief. De Pax Americana schraagde een liberale hypocrisie; omdat de macht en het Goede relatief geloofwaardig samenvielen hoefden we bij de harde noodzaak en vuile kanten van machtsuitoefening niet stil te staan. De nieuwe situatie vergt meer eerlijkheid en meer inzicht in realpolitieke tegenstrevers.

Ook in het denken over binnenlandse economische en maatschappelijke ordening moet de Staat weer een plaats krijgen. Decennialang werden in economiestudies enkel het Oostenrijkse liberalisme en de Chicago School onderwezen; scholen die de markt beschouwden als enige garantie van orde. Deze leer is uitgedaagd door de groeiende ongelijkheid binnen landen, door de bankencrisis van 2008. Staten met hun belastingbetalers (die ook kiezers zijn), en instituties en regels die markten breidelen, zijn nodig om bestaanszekerheid voor iedereen te waarborgen. Op een ander domein begreep Hannah Arendt al dat een universele verklaring van mensenrechten weinig waard is voor wie niet beschikt over een staatsburgerschap, voor wie niet ergens op de wereld burger is en deel van een gemeenschap, die haar rechten inhoud en aanspraak geeft.

Wat betreft het geografische zelfbeeld is een kanteling nodig van de geliefde zee naar het continent. Uiteraard blijft Nederland een rivierdelta aan de Noordzee. Wel kunnen en moeten we de blik draaien: niet enkel stroomafwaarts naar die kustlijn, met Londen en New York daarachter, maar vaker stroomopwaarts – naar de Maas die vanuit België aankomt, naar de Rijn vanuit Duitsland en Frankrijk. En die blik moet ook gaan naar de overzijde van de Middellandse Zee, naar cruciale partners in het Midden-Oosten en Afrika – niet om de hoek maar wel geografisch nabijer en onder meer vanwege migratiedruk directer rakend aan Nederlandse belangen dan de machtsverhoudingen in de Pacific of de Zuid-Chinese Zee.

Inzake het denken over collectieve identiteit en een cultureel-historische orde, ten slotte, spelen individualisme, kosmopolitisme en de naoorlogse amerikanisering het zelfbesef parten. Zo eindigden de plannen voor het Nationaal Historisch Museum in Arnhem als farce. De Franse bescherming van eigen culturele producten tegen de wetten van Europese markt en de globalisering werd nergens meer dan in Nederland aangezien voor nationalistische grootheidswaan. Ook dat liet mensen zonder houvast.

Op al deze domeinen gaat het om de erkenning dat de door Nederland gekoesterde en nagestreefde vrijheid en manier van leven in crises en historische woelingen niet kunnen worden gewaarborgd zonder een gemeenschap als fundament en met statelijk handelingsvermogen. In de kern draait het om een herwaardering van de Staat, in Franse (of Chinese) zin: drager van een historische continuïteit, spreekbuis van een territoriaal afgegrensde gemeenschap van burgers, en speler op het wereldtoneel. En met hoofdletter geschreven, om deze Staat te onderscheiden van een Nederlandse ‘overheid’ die zich ziet als leverancier van diensten aan burger-consumenten.

Wij zeggen geenszins dat ook Europa een Staat moet worden. Wel dat de Europese Unie als statenverbond de drager en beschermer van de samenlevingsprojecten in de Europese (lid)staten kan worden. In een tijdperk waarin China zich – in de woorden van Zhang Wei-Wei – als ‘civilizational state’ geopolitiek ontplooit, waarin de verschillen tussen Amerika en de Europese samenlevingen pregnanter worden, waarin de Arabische wereld en Turkije of Rusland een eigen pad kiezen, ervaren we scherper dat de geografische belangen en gedeelde instellingen die Europeanen verenigen, sterker zijn dan wat hen scheidt.


Luuk van Middelaar is hoogleraar Europees recht (Leiden) en auteur, Frans-Paul van der Putten is hoofd van het Clingendael China Centre en Monika Sie Dhian Ho is algemeen directeur van Instituut Clingendael