De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

Het groeifonds

Spenderen om te renoveren

Een investeringsfonds met een eenzijdige focus op productiviteit maakt de Nederlandse economie niet toekomstbestendig. Economische ontwikkeling stuit op allerlei ecologische grenzen. Wat is wél een slimme manier om de miljarden te besteden?

Windmolens van EAZ Wind in Saaksum, Groningen © Pepijn van den Broeke / De Beeldunie

Zou de kritiek milder zijn geweest als Wopke en Wiebes hun fonds een andere naam hadden meegegeven? Dat investeren verstandig is om de economische schok van de coronacrash te dempen is geen controversiële opvatting. Niemand zit te wachten op een terugkeer van het bezuinigingsspook. Maar het etiket ‘groeifonds’ wekte wantrouwen. Was ‘groei’ geen term uit het oude normaal? Als we de afgelopen jaren iets hebben geleerd, dan is het toch dat een stijging van het bruto binnenlands product niet automatisch zorgt voor een weerbare economie.

Het kabinet probeerde de kritiek te ontzenuwen door te benadrukken dat we ‘anders’ moeten groeien, dat bbp-winst geen doel op zich is, maar altijd ten dienste staat van brede welvaart. Maar wie de Kamerbrief leest kan zich moeilijk aan de indruk onttrekken dat de regering zich meer zorgen maakt over het vestigingsklimaat dan over het veranderende klimaat. Twintig miljard euro mag er de komende vijf jaar besteed worden aan kennisontwikkeling, innovatie en infrastructuur. Daar liggen namelijk ‘kansen om de productiviteit te verhogen’.

‘Zo’n eenzijdige focus op productiviteit vind ik niet erg pragmatisch’, zegt economisch onderzoeker Elisa Terragno Bogliaccini. ‘Waarom gaat het nauwelijks over banen? We weten dat de werkloosheid enorm dreigt op te lopen, dan zou het toch logisch zijn om dat als prioriteit te nemen.’ Haar advies is dan ook om volop te ‘investeren in groene en sociale werkgelegenheid’. Dat is meteen de titel van het recente rapport van het Sustainable Finance Lab (sfl) en Our New Economy (one) waaraan Bogliaccini meeschreef. ‘Toen corona uitbrak wisten we direct: dit zal een flinke crisis veroorzaken. Dat biedt ook kansen. Het is slim om fors te investeren na economische tegenslag, want het is de snelste route uit het dal.’

De logische vervolgvraag is dan: hoe kunnen we de investeringsmiljarden het best besteden? Voor een bevredigend antwoord ontwikkelden de onderzoekers van sfl en one een meetlat met zes criteria. Productiviteit is daar een van, maar vormt niet het summum. Werkgelegenheid, duurzaamheid, sociale gelijkheid en tijdigheid zijn minstens zo belangrijk. Ook wordt meegewogen of de voorstellen ‘anderhalvemeter bestendig’ zijn. ‘Onder economen begint het besef in te dalen dat we een bredere blik moeten hanteren’, zegt Bogliaccini. Dat bleek ook uit de enquete die sfl en one hebben uitgezet onder vakgenoten. Meer respondenten gaven prioriteit aan werkgelegenheid, sociale gelijkheid en duurzaamheid dan aan productiviteit.

Naar die maatstaven scoort investeren in het openbaar vervoer beter dan het opschalen van de laadinfrastructuur voor elektrische auto’s. Die laadpalen komen doorgaans vooral terecht in de meer welvarende wijken, terwijl een snelle treinverbinding tussen Groningen en Amsterdam banen creëert én de kloof tussen Randstad en provincie kan verkleinen. Het doortrekken van de Noord/Zuidlijn naar Schiphol is dan weer onwenselijk als dat zorgt voor meer vervuilend vliegverkeer. Het aanleggen van fietssnelwegen levert daarentegen direct winst op voor het klimaat en de volksgezondheid. Een persoonlijke favoriet van Bogliaccini is het vergroenen van de stedelijke omgeving: ‘Het heeft een sterke sociale component en betrekt mensen bij hun directe leefomgeving. Ook vanuit klimaatoogpunt is het slim: het planten van bomen helpt om CO2 op te nemen en biedt verkoeling. Het maakt ons bovendien gelukkiger – mensen maken niet voor niets boswandelingen in hun vrije tijd. Een eenvoudige ingreep kan zo ontzettend veel goeds creëren.’ Maar de kans dat zo’n voorstel in aanmerking komt voor financiering uit het groeifonds is klein, want een enorme vergroting van het bbp zal zo’n vergroeningsproject niet onmiddellijk bewerkstelligen.

Er is één voorstel dat op alle terreinen de perfecte score haalt: een betaald omscholingsprogramma richting groene banen. De energietransitie heeft een positief effect op de werkgelegenheid, maar dan moeten er wel voldoende mensen worden opgeleid om die zonnepanelen te monteren, huizen te isoleren of windmolens te repareren. In het onderwijs en de zorg, twee sectoren waar volgens de economenenquête het meest in moet worden geïnvesteerd, was er sowieso al een tekort aan personeel. Zeker nu veel mensen door de coronacrisis hun baan dreigen te verliezen is de grote uitdaging om deze groep te begeleiden naar nieuw, duurzaam werk.

Nu veel mensen hun baan verliezen is de grote uitdaging: ze begeleiden naar duurzaam werk

Wat dat betreft kunnen we een voorbeeld nemen aan andere landen in Europa. De Franse herstelplannen zijn uitdrukkelijk gericht op het bestrijden van werkloosheid en de overgang naar een groene economie. Een derde van het stimuleringspakket van honderd miljard euro is bestemd voor het aanjagen van de energietransitie. Van de 130 miljard die de Duitse regering uittrekt om de economie tijdens de coronacrisis draaiende te houden, is vijftig miljard gereserveerd om het land toekomstbestendig te maken. Zo krijgt de auto-industrie een fikse financiële stimulans om te verduurzamen, ontvangt Deutsche Bahn extra geld voor de modernisering en uitbreiding van het spoorwegennet, worden er nieuwe windparken op zee gebouwd en komt er geld beschikbaar voor een grootschalige renovatie van de gebouwde omgeving.

Het grootste contrast met het Nederlandse groeifonds is dat de Franse en Duitse regeringen er niet voor terugdeinzen om zelf keuzes te maken. Ministers Wopke Hoekstra en Eric Wiebes laten dat liever over aan een commissie van experts. Onafhankelijke deskundigen kunnen voorkomen dat het fonds een politieke speelbal wordt, omdat zij beter in staat zijn de lange termijn voor ogen te houden, zo is de uitleg van het kabinet. ‘Het is een typisch technocratische benadering’, zegt Bogliaccini. ‘Het kabinet besteedt de beoordeling uit aan een stel experts die niet democratisch verkozen zijn. En omdat de criteria zo vaag geformuleerd zijn hebben ze ook nog eens behoorlijk wat ruimte om dat zelf in te vullen.’

De Algemene Rekenkamer en de Raad van State begrijpen überhaupt niet waarom er een nieuw fonds moet komen. Waarom kunnen de voorgenomen investeringen niet gewoon via het ministerie lopen? Door het fonds een aparte status als ‘niet-departementale begroting’ te geven zouden de ministers de parlementaire controle op overheidsuitgaven omzeilen. Zo’n ‘commissie van wijze mannen en vrouwen’ is helemaal niet nodig, oordeelde ook Het Financieele Dagblad in een hoofdredactioneel commentaar: ‘Het Nederlandse kabinet weet wat de grote transitievraagstukken zijn. De visie is er. Het geld is er nu ook. Nu nog de politieke daadkracht.’

Het is inderdaad niet alsof beleidsmakers om ideeën verlegen hoeven te zitten. De Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur publiceerde afgelopen zomer nog een rapport over de vraag hoe Nederland ‘groen uit de crisis’ kan komen. Net als de onderzoekers van sfl en one keek de raad daarbij naar meer dan enkel het nationale verdienvermogen. Zo kan een verruiming van de subsidieregeling voor woningisolatie de samenleving rechtvaardiger maken. En het verbeteren van de fietsinfrastructuur is gunstiger voor de verduurzaming van de leefomgeving dan het stimuleren van de vraag naar elektrische auto’s.

De vraag is of de commissie van het groeifonds dat soort overwegingen straks meeneemt in de beoordeling. Pieter Pauw vreest het ergste. Als onderzoeker aan de Frankfurt School of Finance and Management adviseert hij overheden en private partijen over duurzame financiering. ‘Mijn ervaring is dat scherpe criteria cruciaal zijn, zeker als externe experts zo’n zwaarwegend advies geven’, zegt hij in een videogesprek vanuit Duitsland. Ook de samenstelling van de tienkoppige commissie belooft volgens hem weinig goeds. Er is plek aan tafel voor mensen uit de top van het bedrijfsleven, voor universiteitsbestuurders en een oud-minister van Financiën, zelfs prins Constantijn mag aanschuiven als techexpert, maar vertegenwoordigers van vakbonden of milieu-organisaties ontbreken. ‘Echt representatief is het niet’, oordeelt Pauw. Met de huidige opzet riskeert het fonds een ‘politiek-ambtelijke grabbelton’ te worden, ‘waar de usual suspects hun business-as-usual-projecten met overheidsgeld gaan financieren’, waarschuwde hij daarom onlangs in een opiniestuk in NRC Handelsblad.

‘Ik zou graag zien dat het geld juist naar ambitieuze en innovatieve projecten gaat’, legt Pauw uit. ‘Neem de transportsector. Daar is de uitstoot van broeikasgassen in Nederland sinds 1990 met 33 procent gestegen, tegen alle internationale afspraken in. Die trend moeten we snel omkeren. We hebben niet alleen behoefte aan elektrische auto’s, maar ook aan andere, slimmere vormen van mobiliteit. We focussen nog te veel op schijnoplossingen. We denken vanuit het bestaande systeem en proberen dan her en der een paar procentjes klimaatwinst te boeken. Dit is het uitgelezen moment om de zaken met wat meer afstand te bekijken. Zijn al die vliegreizen wel nodig? Kunnen we niet toe met minder mobiliteit? In de lockdown zijn we meer thuis gaan werken en vergaderen we vaker via videoverbinding – op dat vlak zou de overheid ook innovatie kunnen stimuleren.’

De kosten van verduurzaming vallen in het niet bij de prijs van een ontwricht milieu

Van een kabinet dat zo bezig is met internationale competitiviteit zou je verder verwachten dat het sterker inzet op energie-efficiënte, vindt Pauw: ‘Een bedrijf dat lagere energiekosten heeft is concurrerender. In het klimaatakkoord is al vastgelegd dat bedrijven moeten onderzoeken hoe ze energie kunnen besparen, en dat ze verplicht zijn om maatregelen te nemen die ze binnen vijf jaar kunnen terugverdienen. Veel bedrijven hebben dat nog niet gedaan, dus echt lekker functioneert die regeling niet. De overheid zou bijvoorbeeld een consortium kunnen oprichten met adviseurs die kijken waar de besparingsmaatregelen liggen en in welke sectoren de meeste winst te boeken is. Op die manier geef je bedrijven in deze lastige tijd een steuntje in de rug.’

Tata Steel in IJmuiden. ‘Het groeifonds kan helpen om de overgang te maken naar een duurzamer model’ © Mischa Keijser / De Beeldunie

Natuurlijk, vraag honderd economen wat de meest verstandige investeringen zijn en je krijgt honderd verschillende antwoorden. Maar over de richting zijn ze verrassend eensgezind. Al voordat Covid-19 de overheid dwong tot stevige steunpakketten was het duidelijk dat er een hoop moest veranderen. We willen koolstofarme energie, natuurvriendelijke landbouw en schoon transport. Voor die transitie mag ook best wat geld uitgegeven worden, want het vergt geen hogere wiskunde om vast te stellen dat de kosten van verduurzaming in het niet vallen bij de prijs van een ontwricht milieu. Anders dan tijdens de vorige crisis tonen de meeste economen zich nu dan ook voorstander van anti-cyclisch begrotingsbeleid. In lekentaal: om de economie door zware tijden heen te helpen moet de overheid de portemonnee trekken. Niet alleen om het oude bouwwerk te stutten, maar vooral ook om de fundering te renoveren. Building back better, is het credo.

Over het oplopen van de staatsschuld hoeven we ons volgens de enquête van het Sustainable Finance Lab en Our New Economy voorlopig geen zorgen te maken. Slechts acht procent van de ondervraagde economen vreest dat de huidige staatsschuld van rond de zestig procent van het bbp op den duur onhoudbaar wordt. Het overgrote merendeel vindt dat we ons niet blind moeten staren op de Brusselse begrotingsregels. Twee derde van de economen verwacht dat we de staatsschuld zonder problemen kunnen laten oplopen tot maar liefst 120 procent.

Als minister Hoekstra hun advies zou volgen, kan hij flink wat extra geld bijlenen om in de economie te pompen. De twintig miljard die hij nu heeft toegezegd is weliswaar ‘een substantieel bedrag’, zegt Bogliaccini, maar komt niet in de buurt van wat nodig is. Zeker als we de aangescherpte Europese klimaatdoelen willen halen, zal er meer geïnvesteerd moeten worden. De Europese Commissie becijferde dat er alleen al voor schone energie jaarlijks 350 miljard euro extra nodig is om ervoor te zorgen dat de EU haar CO2-uitstoot in 2030 met de beoogde 55 procent heeft teruggebracht (ten opzichte van 1990). Hoe groot dat investeringsgat precies is voor Nederland moet de Commissie nog berekenen, maar dat er ook hier een tandje bij moet is duidelijk.

Zolang die investeringen economische groei aanwakkeren, hoeft de staatsschuld ten opzichte van het bbp bovendien niet toe te nemen, benadrukt het rapport van sfl en one. Maar was dat groeidenken niet juist achterhaald? Bogliaccini zucht. ‘Op zich is dat een waardevolle discussie, die we in ons team zeker voeren, maar met dit rapport willen we een breed publiek aanspreken. Dan helpt het niet als je begint over degrowth of postgrowth, ook al heb ik persoonlijk mijn twijfels of groene groei kan werken. We hebben nu allereerst behoefte aan verstandige duurzame investeringen.’

‘Het wordt steeds duidelijker dat economische ontwikkeling op allerlei ecologische grenzen stuit’, zegt Pieter Pauw. ‘Dat geldt voor het klimaat, maar ook voor biodiversiteit en stikstof – daar gaat het opvallend genoeg helemaal niet over in de plannen voor het groeifonds. Terwijl: alle voorstellen die niet binnen die grenzen passen zouden geen groen licht mogen krijgen, want anders betalen toekomstige generaties uiteindelijk de rekening.’

Een fonds dat vooral gericht is op de vergroting van het nationale verdienvermogen getuigt niet direct van een diep ecologisch besef, maar toch is het te vroeg om het plan van Hoekstra en Wiebes nu al af te schrijven, vindt Pauw: ‘Dit is een gouden kans om dingen anders te doen. We hebben gezien dat het huidige economische model niet werkt. Op papier worden we steeds rijker, maar in de praktijk schuiven we de kosten af op het milieu. Zo’n fonds kan helpen om de overgang te maken naar een duurzamer model, maar vooralsnog ligt de focus erg op economische groei en is het klimaat bijzaak. Dat is heel erg zonde.’