HET MIGRANTENMUSEUM

Spiegel

Een schip meerde aan in de haven van Rotterdam en begon niet lang erna aan zijn enkele reis naar wat onbekend is. Dit is in het kort het verhaal van de gastarbeider met de boze ogen.
Het waren de jaren dat jonge migranten als hyena’s waren. Ze gingen na werktijd op zoek naar dingen die door anderen weggegooid waren. Ze waren jong, sliepen vele uren zonder een keer wakker te worden, hadden grote toekomstplannen, wilden huizen bouwen, met de mooiste meisjes trouwen, land kopen, auto rijden. Geen van hen dacht aan het noodlot dat op de loer lag om een van hen te nemen.
De migrant die met zijn 31 jaren eigenlijk niet jong genoeg was voor het gastarbeiderschap, die bij de werving had gelogen over zijn leeftijd en deze kans om in zijn miezerige leven voor het eerst een beetje geld te verdienen, koesterde, zag de spiegel in een straat in Rotterdam-Zuid. Hij bukte, pakte de spiegel op, inspecteerde de voor- en achterkant, de lijst van hout en zag dat de verf van de lijst eraf was gevallen, rechtsonder in het glas een kleine scheur zat en dat het glas ook een beetje zwart was geworden door het jarenlange gebruik. Hij keek in de spiegel, staarde naar zijn ronde hoofd met de haviksneus, dikke wenkbrauwen, te volle lippen. Hij lachte toen zijn tanden bloot, zag de gaten in zijn gebit waar hij twee tanden rechts beneden en een tand links boven had verloren en concludeerde dat de spiegel een goede spiegel was. Hij functioneerde.
De aasgieren begonnen op dat moment aan hun vliegmarathon boven Rotterdam. Er is geen migrant die er zonder psychische kleerscheuren af kan komen. De jonge migrant met de gitzwarte ogen keek in de pas buitgemaakte spiegel. Hij keek die dag anders. Had het aangezicht in de spiegel hem zijn verstand doen verliezen of was de spiegel daar slechts om getuige te zijn van het eerste slachtoffer van het noodlot?
De spiegel die in het Migrantenmuseum wordt tentoongesteld heeft in ieder geval gezien hoe een man die als het ware de stank van de dood heeft geroken naar zichzelf staart.
Op het moment dat de migrant de deur van het pension opende en een paar stappen naar binnen zette, daalden de aasgieren boven Rotterdam naar een betere hoogte. Ze deden dat omdat de dag veelbelovend was. Het was 3 augustus 1965. Midden in de zomer was het toch bewolkt en frisjes.
De migrant trof niemand in het pension. Het werk op de haven viel hem zwaar. Om eerlijk te zijn was hij niet sterk genoeg voor het sjouwwerk dat hij de laatste maanden deed. Met lichte pijn in zijn rug zette hij de spiegel op een kast, keek nog een keer langdurig naar zijn ogen, lippen, voorhoofd, haren, kin en neus. Toen trok hij zijn schoenen aan en liep naar buiten. Zoals mensen die afscheid nemen van hun naasten die op sterven liggen nam deze migrant afscheid van zijn gezicht, en vooral van zijn gitzwarte ogen die zo mooi boos konden kijken.
Het was zaterdag, de migrant ging die dag wandelen en kwam nooit meer terug naar het pension. Iedereen heeft de aasgieren zien vliegen boven Rotterdam, maar niemand weet wat er met de jonge migrant, die eigenlijk te oud was voor het gastarbeiderschap, is gebeurd en waarom hij dood bij het spoor lag. Tussen zijn spullen vonden ze de bewijzen van naar het moederland overgemaakt geld, zijn versleten kleren, schoenen met kleine gaten en de spiegel.
De spiegel die de eerste dode migrant in de ogen heeft gekeken staat in het Migrantenmuseum. Alleen deze spiegel weet hoe een migrant eruitziet die als eerste van zijn generatie de dood tegemoet gaat. Het was deze spiegel die heeft gezien dat die gastarbeider op zijn laatste dag als een schip was dat even in de haven van de stad Rotterdam aanmeerde om snel weer weg te varen naar die mysterieuze bestemming.