Profiel: Paul Witteman

Spiegel van de natie

«Och heden, nóg meer Witteman», verzuchtte een recensente toen NOS-chef Wolffensperger eind vorig jaar liet weten een gooi te willen doen naar een 24-uurs nieuwszender met elke dag een «talkshow van een kwartier met een herkenbaar gezicht als Paul Witteman».

Zij is niet de enige die zijn gezicht niet meer kan zien. «De ronde van Witteman doet geen spat onder voor alle emotietelevisie bij de commerciëlen», zei Wim de Bie enkele jaren geleden. «Het is even plat en smakeloos. En dan zit dat hoofd daar maar begrijpend te knikken. Bah. Zo erg is dat, godverdomme, onder het mom van integriteit. Met die pretentie en die schijnheiligheid van ‘dit is het betere werk’.»

Waar komt die weerzin vandaan? Herkenbaar is Witteman zeker. Hij is het huismerk van de publieke omroep en overtreft zowel in de kwaliteit als de kwantiteit van zijn tv-optredens alle rivalen, ook die van de commerciële zenders. Het goedlachse trio rond de tafel van Barend & Van Dorp mag ongekend populair zijn, het laat regelmatig journalistieke steken vallen die Witteman zou hebben opgepakt, zoals een terloopse opmerking van Pim Fortuyn dat de financiering van de VVD «bij elkaar gefraudeerd» wordt. En Witteman is niet alleen volgens alle polls de publiekslieveling van Nederland, ook onder collega’s geniet hij het meeste aanzien, vóór Philip Freriks, Marga van Praag en Andries Knevel. Laatstgenoemde heeft het daar misschien het moeilijkst mee, maar ook hij geeft toe dat «Witteman door de jaren heen een natuurlijk gezag heeft weten op te bouwen».

Het is zuur voor Wim de Bie, maar Witteman is het betere werk. Hij is ’s lands beste interviewer en hij dankt die faam aan zijn competentie, niet aan omroeppolitieke capriolen, concessies aan de Luxemburgse wansmaak of dubieuze connecties met «de bladen». Wat nog het meest in zijn voordeel pleit, is dat hij vaak als eerste op zijn tekortkomingen wijst. Zo zette hij de harde toon voor het dagelijkse, korte Nova-interview waarin de «persoon van de dag» wordt ondervraagd, maar hij lag na afloop niet zelden wakker omdat hij een vraag had gemist, een opmerking laten glippen, een verkeerde opening gekozen waardoor het interview te stroef was geworden: «Godverdomme denk ik dan, dat heb ik verkeerd gedaan; verkeerde vragen, een beginvraag die juist de slotvraag had moeten zijn.»

Over zijn eerste, geruchtmakende interview met kroonprins Willem-Alexander uit 1997 laat hij zich relativerend uit: «Ik heb er alles aan gedaan, weet zeker dat een ander het niet beter zou hebben gedaan. Maar ja, het was geen top…» Een ander, eveneens controversieel interview met de ongeneeslijk zieke ex-Fokker-directeur Frans Swarttouw werd door Kees Fens betited als «stunt-sterven», een afstotend soort chique waartoe Witteman zich niet had mogen lenen: «Hij zat, maar veel minder spectaculair, haast mee te sterven. Hij zat met de dood in zijn schoenen, geregisseerd door de doodskunstenaar.» Dat mag waar zijn, het weerhield hem er niet van Swarttouw aan de tand te voelen over zijn belastingvlucht naar België en andere pijnlijke onderwerpen. En ach, Swarttouw was een afstotende persoonlijkheid, maar hij was wel stervensziek en dan is enige compassie op zijn plaats.

Paul Witteman (Overveen, 1946) rolde in de journalistiek om de tot dusver enige respectabele reden: hij kon niets anders. Hij groeide op in een groot katholiek gezin waar «alles draaide om muziek en nog eens muziek». Paul ambieerde een carrière als concertpianist maar was niet goed genoeg voor het conservatorium. In later jaren viel hij van zijn geloof, maar verloor niet zijn liefde voor Johann Sebastian Bach. «Er gaat geen dag voorbij zonder dat ik een uur naar Bach luister. Als je niet beter wist, zou je door Bach en zijn muziek bijna in god gaan geloven.»

Na een mislukte studie politicologie bracht hij er ook als schrijvend journalist bij De Tijd en Elsevier weinig van terecht. Pas toen hij midden jaren zeventig bij de Vara-radio terechtkwam, ontdekte hij zijn talent in het roerige programma In de Rooie Haan. «Live radio, korte gesprekken met politici, interviews die altijd resultaat moesten hebben. Politici zijn in het algemeen saai, proberen iets onbelangrijks op te blazen of juist iets belangrijks te bagatelliseren. Bij In de Rooie Haan heb ik geleerd to the point te komen.» In het eveneens vaak chaotische programma Het Lagerhuis doet hij dat door op het juiste moment de aandacht te verleggen naar een minder schreeuwerige spreker. Van Witteman pikken de deelnemers dat, want zijn sterkste punt is zijn onbevangenheid. Hij is zelden routineus; elke keer wanneer de camera hem aan het begin van een uitzending opzoekt, zit of staat hij daar schijnbaar voor het eerst, aandachtig, een tikje nerveus zelfs, reden waarom hij zijn optreden vaak inluidt met een iets te ferm handgebaar of onwennige stemverheffing. Vervolgens bijt hij zich in zijn rol vast alsof het de laatste keer is, en voor zijn gevoel is dat ook zo. Het feit dat zijn beide broers jong aan kanker zijn overleden stemt hem hypochondrisch («Ik denk bij elk hoestje al dat ik kanker heb») en voedt tegelijk zijn werklust, alsof hij zijn eigen dood voelt naderen. Zodoende drukte hij zijn stempel op een hele reeks geslaagde programma’s en programmaformules, van Nova tot Buitenhof en van Het Lagerhuis tot B&W.

Toen hij in 1998 de Zilveren Nipkow ontving, prees de stichting terecht zijn veelzijdigheid: «Hij is niet alleen een voortreffelijk presentator, maar ook een intelligent interviewer die zich met schijnbaar groot gemak op de moeilijkste gebieden begeeft. Hij heeft psychiaters geïnterviewd, maar ook psychopaten (het eerste interview met een stalker was van Witteman). Hij heeft mensen met grote emotionele problemen meevoelend maar nooit klef aan het woord gelaten. Witteman laat iedereen in zijn waarde, of het nu de minister-president is of een plagiaat plegende hoogleraar. Maar hij laat wel ondubbelzinnig blijken dat hij de waarheid horen wil en niets dan de waarheid.»

Misschien verklaart dat het gevoel van oververzadiging. Paul Witteman is de spiegel van de natie; hij kan en wil ons land en zijn inwoners, politici, praathoofden, topambtenaren en captains of industry niet interessanter maken dan zij zijn. Nederland is af en het is mislukt, dat mogen we Paul Witteman niet kwalijk nemen.

Wittemans tere punt is zijn schnabbelwoede. Krachtens een afspraak met de NOS (waar hij een jaarsalaris van 225.000 euro verdient) beunt Witteman tenminste enkele keren per jaar bij als gastpresentator of dagvoorzitter, doorgaans bij grote bedrijven. Om die reden wordt hij door collega’s en rivalen scheef aangekeken en eind vorig jaar kwam hij er door in opspraak. Hij liet zich inhuren voor een «masseerdag» van ABN Amro, een multimedia-evenement dat door het voltallige personeel in RAI, Ahoy en andere locaties per satelliet werd bijgewoond. De leiding wilde het personeel voorbereiden op het ontslag van meer dan zesduizend werknemers. Paul Witteman, Harmen Siezen en andere prominente Nederlanders die als gespreksleiders waren ingehuurd, kregen «instructiebriefjes» waarop stond aan welke regels ze zich hadden te houden.

De conclusie was gauw getrokken: Witteman is koopbaar en dus ómkoopbaar. Maar dat is niet hetzelfde. Naar verluidt vraagt hij 7000 euro voor dergelijke presentaties. Volgens zijn manager John Bukman is de prijs lager, maar «precieze opgaven zijn in de branche ongebruikelijk».

Ingewijden vertellen dat Witteman zijn prijs laat afhangen van de koopkracht van de geïnteresseerde partij. En een groot bedrijf kan wel wat lijden, zoals directeur Albert de Booij van het Rotterdamse bureau Speakers Academy voorrekent: «Als Witteman of een andere bekende Nederlander een symposium van KPN voorzit, dan trekt het door de naamsbekendheid van de dagvoorzitter alleen al gegarandeerd vijfhonderd man. Sla het honorarium van tien mille nu eens om over die vijfhonderd man, dan kost die dag KPN twee tientjes per bezoeker. En dan hebben die vijfhonderd man in de zaal een werelddag met veel informatie en humor. Die beroemde Nederlanders beschikken op een of andere manier toch over een bepaalde brutale charme waarmee ze die ene nukkige president-directeur kunnen openbreken.»

En precies dát deed Witteman, volgens ooggetuigenverslagen, op de bewuste dag met ABN Amro-president Rijkman Groenink. Hij zaagde hem eens lekker door over de vraag waarom de bank meer belang hechtte aan de aandeelhouderswaarde dan aan de bestaanszekerheid en het werkplezier van het personeel. Groenink was zichtbaar in verlegenheid gebracht, hele filialen barstten in hoongelach uit en vakbondswoordvoerder Huug Gorter prees zich gelukkig dat Groenink noodgedwongen door de bocht moest: «Hij gaf toe dat aandeelhouderswaarde alleen kan worden gecreëerd door de klant tevreden te stellen en dat daarvoor eerst het personeel tevreden moet zijn; dat hadden we nog niet eerder uit zijn mond gehoord.»

Wie Witteman van de buis wil hebben, moet zwaardere middelen inzetten. In de laatste roman van Moses Isegawa, Twee chimpansees (2001), wordt nauwkeurig beschreven hoe Wittemans look-alike Paul van Wit tijdens een discussieprogramma verandert in een aap: «Terwijl het zweet parelt, en vlak voor hij het afveegt, bespeurt de cameraman iets vreemds: de huid van de man zwelt op, rijst op alsof hij is verbrand en barst dan open. De ogen zinken diep weg, de handen worden harig, zijn penis is gekrompen tot de gebruikelijke zeven centimeter van alle chimpansees. De omroep gaat miljoenen aan dat materiaal verdienen.»

Zo is het maar net, met dit verschil dat de echte Witteman de eerste zou zijn om zijn autoscoop van nuchter en waarschijnlijk niet ongeestig commentaar te voorzien. Overigens verandert Isegawa’s protagonist van gedaante door overmatig gebruik van whisky en cocaïne, en dat — met alle respect voor bonafide gebruikers — heeft Witteman niet nodig. Het is jammer voor de querulanten; zij zullen moeten wachten tot Paul zijn eigen gezicht niet meer op tv kan zien.