Spiegelbeeld

De positie van Verhagen en Cohen is omstreden, toch zetten zij stug door. Nieuwe leiders zouden ook niet in staat zijn hun partijen uit het slop te trekken.

ALS CDA-VICE-PREMIER Maxime Verhagen in de spiegel kijkt, zou het mij niks verbazen als hij in zijn gelaat soms trekken van PVDA-leider Job Cohen meent te ontwaren. Andersom moet Cohen hetzelfde overkomen. De heren hebben veel gemeen.

Verhagen mag zichzelf formeel dan niet de leider van het CDA noemen, de facto is hij dat wel, wat vooral vervelend is voor dat deel van de achterban dat tegen de gedoogconstructie met de PVV was. Onbetwist is zijn leiderschap dan ook niet. Wie denkt dat minister van Financiën Jan Kees de Jager tussentijds even als leider kan worden aangewezen, snapt de positie van Verhagen niet en ook niet dat zo’n manoeuvre tot interne problemen in de partij leidt en waarschijnlijk de val van het kabinet tot gevolg heeft. Ook invloedrijke tegenstanders van de gedoogconstructie zitten daar nu niet op te wachten. Met het aanwijzen van een nieuwe leider zal gewacht moeten worden tot nieuwe verkiezingen.

Bij de PVDA moeten ze dat herkennen. In tegenstelling tot Verhagen kan Cohen zich wel gewoon partijleider noemen, maar ook zijn positie is niet onomstreden. De kritische opmerkingen van vertrekkend partijvoorzitter Lilianne Ploumen over hem verzon ze niet. Het was in nette bewoordingen wat menig partijlid denkt. Iemand moet het ook een keer hardop durven zeggen, zeker als Cohen enkele weken daarvoor heeft aangekondigd bij volgende verkiezingen opnieuw lijsttrekker te willen zijn. Wist Ploumen eigenlijk wel dat Cohen dat zou gaan zeggen? Of werd ze – net als in 2010 toen Wouter Bos hem als zijn opvolger aanwees – voor een voldongen feit gesteld? Cohens opmerking, zondag in het tv-programma Buitenhof, dat hij een democraat is en voorstander van interne lijsttrekkersverkiezingen, is op z’n minst opmerkelijk.

Ook hier is het naïef te denken dat Cohen vanwege alle kritiek nu op stel en sprong vervangen zou kunnen worden door een nieuwe, aansprekende partijleider. Deze moet dan uit de fractie komen, want wat heb je aan een partijleider die onzichtbaar aan de zijlijn staat. Daardoor valt de Amsterdamse wethouder Lodewijk Asscher, die veelvuldig wordt genoemd, automatisch af. Terwijl hij wel degene is die kandidaten als Ronald Plasterk of Diederik Samsom zou kunnen doen verbleken. Dus ook de PVDA zal moeten wachten op een échte nieuwe partijleider tot de volgende verkiezingen.

Wat Verhagen en Cohen ook delen, is dat ze de eerste man zijn van ooit grote volkspartijen met veel macht die nu nog maar een schim van zichzelf zijn. Dat het CDA in de regering zit, doet daar niks aan af. Die neergang is niet slechts van gisteren, maar op dit moment staan ze er beide in de opiniepeilingen wel erg slecht voor. Misrekeningen zijn daar mede de oorzaak van.

Verhagen dacht na de gigantische verkiezingsnederlaag zijn partij voor nog verder wegglijden te kunnen behoeden door de gedoogconstructie met de PVV aan te gaan, om zo uit de oppositiebankjes te kunnen wegblijven. Dat is, vooralsnog, niet gelukt. In 2010 dacht de PVDA met Cohen de nieuwe minister-president in huis te hebben gehaald. Het liep anders, al was het op het eind van de verkiezingsdag met een nipt verschil met de VVD. Maar niemand had zich tevoren openlijk afgevraagd of Cohen in een rechtstreeks debat was opgewassen tegen PVV-leider Wilders, of hij het in de oppositie ook goed zou doen en of hij het in zich had op financieel-economisch terrein als politicus te excelleren. Vooralsnog speelt ook deze verkeerde inschatting de partij wél parten. Maar Verhagen en Cohen lijken beiden stugge doorzetters. Zal de toekomst uitwijzen dat dit toch vruchten afwerpt?

Want het idee dat een nieuwe leider in staat zou kunnen zijn de partijen uit het slop te trekken, is een misvatting. De roep om een sterke leider verdoezelt een groot probleem waar beide partijen mee kampen: waar staan ze eigenlijk voor in dit woelige begin van de 21ste eeuw? Hoe bedrijf je christelijke politiek in een geseculariseerde samenleving? Wat is een Partij van de Arbeid als bijna niemand zich meer arbeider voelt en noemt? Het is niet voor niks dat in beide partijen wordt gezocht naar een moderne invulling van oude begrippen. Wat is rentmeesterschap anno nu, is er nog een middenveld in een geïndividualiseerde samenleving, kun je verdwenen gemeenschapszin terug organiseren of is dat een contradictio in terminis? Dat zijn vragen die bij het CDA leven.

De PVDA worstelt met termen als verheffing en bestaanszekerheid. Wat is verheffing in een samenleving die enerzijds beduidend hoger is opgeleid dan toen de term nog simpelweg betekende meer mensen een hogere opleiding, maar die tegelijkertijd ook steeds platter wordt, in de betekenis van hufterig? Kun je de term bestaanszekerheid eigenlijk nog wel gebruiken als veel mensen het terechte angstige voorgevoel hebben dat hun kinderen het niet beter zullen krijgen dan zijzelf en zijzelf het mogelijk slechter dan voorheen?

De herijking van die termen is niet los te zien van de vraag op welke kiezer CDA en PVDA zich moeten richten. Ook daar worstelen Verhagen en Cohen mee nu aan brede volkspartijen op de kiezersmarkt geen behoefte meer lijkt. Of ontneemt het ruime aanbod aan ‘oude’ partijen hier het zicht op de werkelijke vraag vanuit de markt?

Bij die vraag begint het spiegelbeeld te barsten. Ter linkerzijde is er oog voor de behoefte aan een nieuwe, progressieve, vrijzinnige en tegelijkertijd sociale partij en het machtsblok dat dit zou kunnen vormen tegenover rechts. Grootste struikelblok zijn de bestaande partijen die daar deel van zouden kunnen uitmaken zelf. Cohen trekt weliswaar niet hard aan die linkse samenwerking, maar voor Verhagen valt er helemaal niks te trekken. Zijn CDA is eenzaam en zal zichzelf moeten zien te redden.