100 jaar avant-garde: Dada in Zürich

Spiegelgasse 1

In het Cabaret Voltaire was honderd jaar geleden de eerste bijeenkomst van wat kort daarna Dada genoemd zou worden. Een dag in de ‘Kaäba van de avant-garde’. Op de volgende pagina’s een mini-special over honderd jaar avant-garde.

Medium aluf 20nic portrait 20of 20sophie 20taeuber 20with 20dada 20head

Wat is eigenlijk treuriger dan de herdenking van een avant-garde? Een beweging die vooruitkwam juist door niet terug te kijken en haar eigen tijd zag als een leegte die vroeg om een radicaal nieuwe invulling. Dada was zo’n avant-garde die kunst bedreef als een nieuw geloof, een manier van denken als fundament voor alle kunst en leven daarna, los van de realiteit en er toch onlosmakelijk mee verbonden. Op 5 februari was het honderd jaar geleden dat de Duitser Hugo Ball aan de Spiegelgasse het Cabaret Voltaire opende met een avond met Franse en Deense liederen, Roemeense gedichten en Russische volksdansen.

‘Toen ik het Cabaret Voltaire oprichtte, had ik de indruk dat er in Zwitserland een handvol jongelieden rondliep die net als ik niet alleen van zijn onafhankelijkheid wilde genieten, maar die ook wilde laten blijken’, noteerde Hugo Ball in zijn dagboek, Die Flucht aus der Zeit. Medeoprichter Richard Huelsenbeck, ook een Duitser, was explicieter in zijn herinnering: ‘We wilden het Cabaret Voltaire het brandpunt van de ‘nieuwste kunst’ maken, hoewel we niet verzaakten om de dikke en volkomen niet-begrijpende filistijnen van Zürich van tijd tot tijd te laten weten dat we hen zagen als varkens en de Duitse keizer als aanstichter van de oorlog.’

Zürich werd tijdens de Eerste Wereldoorlog een snelkookpan voor de avant-garde, gelegen vlak over de Duitse grens was de stad veilig voor de oorlog achter de Alpen. Een groep Duitse en Oost-Europese intellectuelen verbleef er uit ideologische of politieke redenen. Ze verlangden naar Parijs, Berlijn en New York maar maakten er zolang de oorlog voortduurde in Zwitserland het beste van. Ook Lenin verbleef in de stad als banneling en woonde in de straat van het Cabaret Voltaire toen daar de eerste wilde Dada-avonden plaatsvonden – hij wordt dan ook wel een stille dadaïst genoemd.

Maar de harde kern van Dada, een naam die pas later in het jaar werd geïntroduceerd, was een gezelschap van Duitsers, Roemenen en Zwitsers met lust voor een eclectisch repertoire. De avonden van Hugo Ball, Tristan Tzara, Marcel Janco, Hans Arp, Sophie Taeuber-Arp, Emmy Hennings en Richard Huelsenbeck moesten het vacuüm dat ze doormaakten in neutraal Zwitserland kleur geven. Alleen het irrationele kon de heersende moraal te lijf gaan: woorden moesten uit de taal geruimd worden en plek maken voor nieuwe woorden, beeltenissen werden aan stukken geslagen in een moderne beeldenstorm.

‘Het beeld van de menselijke vorm is geleidelijk aan het verdwijnen uit het schilderij van deze tijd en alle objecten verschijnen alleen nog in fragmenten. Dit is eens te meer bewijs voor hoe lelijk en versleten het menselijke aangezicht is geworden, en hoe alle objecten uit onze omgeving voor ons afstotelijk werden’, schreef Ball op 5 maart. In het theater konden persoonlijkheden worden gesplitst tot aan de grens van waanzin, waarna het tijd was voor ‘simultaangedichten’, primitivistische ‘negerliederen’ en demonische bezweringen, voor het ‘miauwen van middeleeuwse Bruitisten’ en dichtregels over ‘fladderende stenen’. Herrie gepaard met dronkenschap en geweld.

Op 11 april noteerde Ball dat om middernacht een groep onbekende Nederlandse jongens met banjo’s en mandolines was binnengevallen en de hele boel op z’n kop zette met een excentrieke (tap)dans. Op een dag bracht Marcel Janco maskers mee naar het Cabaret en ontdekten de dadaïsten een nog grotere mate van vrijheid. Met maskers voor hun gezicht beleefden ze het geloof dat de werkelijkheid in godsnaam anders mocht zijn. Ze dreven zichzelf tot waanzin uit niets dan disrespect voor de wereld.

Dada kon alles zijn en propageerde daartoe het niets. Meer dan een kunststroming begon het als een methode die kon worden toegepast in andere landen en uiteenlopende disciplines. Hannah Höch werd dadaïst in Berlijn, André Breton in Parijs en Marcel Duchamp bedreef het dadaïsme in New York, maar ook het werk van Albert Einstein en Sigmund Freud wordt als dadaïstisch bestempeld. Cabaret Voltaire, tegenwoordig een kunstruimte met shop en café, viert het eeuwfeest daarom met 165 feestdagen, één dag voor iedere dadaïst. Met een ‘religionlos’ Offizium beginnen de herdenkingen al vroeg, zodat er een hele dag overblijft om naar het gedachtegoed van de gevierde dadaïst te leven.

Spiegelgasse 1, 6.30 uur. Een man of tien, onder wie het barpersoneel, een ouder Zwitsers echtpaar en een Britse performancekunstenaar met een obsessie voor Dada, is bijeengekomen op de eerste verdieping van het Cabaret. Aan de muren hangen de karakteristieke collages, op een zwarte wand is een stempelkussen geschilderd met het woord ‘Selbst’. Directeur Adrian Notz neemt plechtig plaats voor de schouw, het altaar van het Offizium. Aan de muur boven zijn hoofd hangt de beroemde foto van Hugo Ball in ‘kubistisch’ kostuum, een dwangbuis van kartonnen kokers en een hoge koksmuts op zijn hoofd. De foto werd genomen tijdens Balls laatste optreden in Cabaret Voltaire, op 23 juni 1916. Hij bracht die avond zijn Verse ohne Worte in de persoon van een ‘magische bisschop’ als een liturgisch gezang, waarna hij badend in het zweet van het podium werd getild. Cabaret Voltaire moest daarna sluiten omdat Dada uit de hand liep, financieel en moreel, en de groep zou uitwijken naar de Waag.

‘Dit is eens te meer bewijs voor hoe lelijk en versleten het menselijke aangezicht is geworden’

Naast het altaar staat een eenvoudige piano klaar waar pianist Dario Bonuccelli later vandaag zo’n negen uur lang zonder pauze op zal spelen. Oorspronkelijk stond de piano in een hoek van de ruimte opgesteld, maar Bonuccelli verplaatste hem naar het midden van de zaal, naast een zuil met een pluchen bankje. Mocht hij knock-out gaan, dan valt hij tenminste zacht.

Notz wordt tijdens het Offizium van alle kanten gefilmd zodat het feest over de hele wereld gevierd kan worden (‘Dada ging immers ook over de kracht van de herhaling!’) en of we dus op afstand willen blijven om de cameraploeg, GoPro en iPhones niet te storen. Op de eerste dag herdenken we Armada von Dulgedalzen, pseudoniem van Louise Strauss-Ernst, journaliste, kunsthistorica en de eerste vrouw van Max Ernst. Notz vertelt over Dulgedalzens verdiensten en keert voor zijn gezicht naar de foto van Ball. Dan leest hij het gebed voor, een symfonisch Lautgedicht waar Ball in bleef, galmend met rollende r’en en ronde u’s, dat zo eindigt: ‘tuffm im zimbrabim negramai bumbalo negramai bumbalo tuffm i zim/ gadjama bimbala oo beri gadjama gaga di gadjama affalo pinx/ gaga di bumbalo bumbalo gadjamen/ gaga di bling blong/ gaga blung’. Na de opnamen staan cappuccino’s en croissants klaar.

Ball schreef over zijn eerste dagen in Zürich hoe mooi hij de stad vond en hoe puur de taferelen op de kades langs de Limmat. ‘De meeuwen zijn niet nagemaakt of opgezet, ze vliegen echt door het midden van de stad. (…) Het maakt niet uit of ik hier blijf of niet. Er moeten hier nog steeds mensen zijn die de tijd hebben, die nog niet “dwangmatig” zijn; die niet van papier of wind zijn gemaakt en die zakelijke conjunctuur niet verwarren met leven en hun belangen niet met lot.’ De dadaïsten reserveerden een speciale avond in Cabaret Voltaire voor de lokale bevolking, maar die kwam niet.

Van die eerste tijd is weinig bewaard gebleven dat bij een herdenking vraagt om opnieuw bekeken te worden. Dada was het gebaar, op avonden die als Gesammtkunstwerk werden ervaren. Maar tegelijk droeg het in al zijn absurditeit de hele wereld in zich mee. De tentoonstelling Dada Universal in het National Museum Zürich toont dus niet de oorspronkelijke maskers, maar Afrikaanse maskers en gasmaskers uit dezelfde jaren dat de dadaïsten ermee in het rond dansten. Niet de kostuums die ze daarbij droegen, maar Franse capes uit de loopgraven en de prothesen die soldaten van hun reis meenamen. Wél de readymades van Marcel Duchamp, waaronder Fountain (1917), en het gedicht dat Louis Aragon de titel Suicide (1920) gaf – de letters van het alfabet in vijf regels onder elkaar – omringd door de scherven van een geëxplodeerde bom. In Cabaret Voltaire, de ‘Kaäba van de avant-garde’, was de weg bereid voor latere dadaïsten om voorwerpen aan de mens-in-stukjes te verbinden.

Vroeg in de middag arriveert een groep oude mannen met rode mutsen en zonnebrillen op in Cabaret Voltaire. Ze tappen uit de absintfontein op hun tafel en roepen ‘Dadadadadadada’. Het is de Dada-club uit Praag.

De piano is nog iets dichter naar de zuil toe geschoven waardoor de pianist al meteen op het zachte bankje kan plaatsnemen. Naast hem staat een schaaltje bonbons die hem op de been moeten houden tijdens het spelen van Erik Satie’s Vexations, een muziekstuk (vermoedelijk uit 1893) van nog geen halve pagina lang dat Satie voorzag van een duivelse tekst: ‘Pour se jouer 840 fois de suite ce motif, il sera bon de se préparer au préalable, et dans le plus grand silence, par des immobilités sérieuses’. 840 keer achtereen dit stuk spelen vraagt het bovenmenselijke en het was John Cage die voor het eerst besloot deze opdracht letterlijk te nemen.

Bonuccelli staat een paar keer op van zijn piano, gaat zitten, zucht en begint aan de eerste omloop. Veertig seconden doet hij over de vier regels en dan tikt hij op de iPad die voor hem staat: 1 – nog 839 keer te gaan. De voortdurende herhaling – binnen Vexations zijn de regels ook een herhaling van zichzelf – maakt de muziek lange tijd interessant om naar te luisteren. Die eerste noot die eigenlijk vals klinkt, valt toch nog op zijn plek, maar na zestig Vexations zijn de meeste toehoorders vertrokken. Hard klinkt het geratel van een 3D-printer hoog aan een muur, met een briefje dat hier aan een mysterieuze creatie gewerkt wordt.

’s Avonds staat het Cabaret Voltaire en het gebied rond de Spiegelgasse vol met mensen. Immer voortslepende Vexations (na vijf uur alarmerend traag) klinken via een speaker door het centrum van Zürich. Binnen is het tijd voor de absurditeit waar iedereen voor is gekomen. Een hond genaamd Ada krijgt een hondenkoek in de vorm van de letter D toegeworpen. Het beestje schrokt de ‘D’ naar binnen en likt de kruimels van de vloer – de club uit Praag valt om van het lachen en wordt tot stilte gemaand.

Een man roept steeds ‘Ich bin der Sohn meiner Mutter’ en verdwijnt dan achter zijn eigen rookgordijn

Een man genaamd Akarus Milbus Von Duvall, in een groen gewaad met een witte duif op zijn hoofd, sluit een instrument aan op een rookmachine annex stofzuiger, rinkelt met bellen in zijn hand, roept steeds opnieuw ‘Ich bin der Sohn meiner Mutter’ en verdwijnt dan achter zijn eigen rookgordijn. En zo gaat het door. Het Italiaanse kunstenaarscollectief Lu Cafausu maakt opnamen voor een filmscène waarin vanaf een pak pasta de ingrediënten worden voorgedragen. Kunstenaar Kerim Seiler verklaart heel Cabaret Voltaire tot sculptuur en stelt de prijs op dertien miljoen frank, die het voortbestaan van Dada in Zürich moet verzekeren.

Op ongezette tijden ontploft er aan het plafond een bom gouden confetti. De pianist speelt door, zijn ogen gesloten, de bonbons onaangeraakt en de teller op 542. Waar buiten zijn muziek de straten vult, gaan de noten binnen verloren in de mensenmassa en de voortdurende optredens van Von Duvall, die met zijn magische instrument naast de sculptuur van Voltaire heeft plaatsgenomen. Op de piano stapelen lege bierglazen en bankbiljetten zich op.

Dat Dada aan het eind van de oorlog niet als eenheid Zürich zou verlaten, was onafwendbaar. Ball had zich al eerder teruggetrokken en stierf in 1927. Tristan Tzara was opgetreden als ‘directeur’ en nam Dada mee naar Parijs. Alleen Sophie Taeuber-Arp bleef met haar man Hans Arp af en aan in Zwitserland wonen. Haar gezicht staat nu op de 50 frank-biljetten afgebeeld.

Het Kunsthaus Zürich wijdt een tentoonstelling (die in het voorjaar doorreist naar het MoMA in New York) aan Dadaglobe, een project van Tzara dat om financiële redenen nooit gerealiseerd werd. Een wereldkaart in het Kunsthaus toont de verspreiding van Dada, van Praag tot Santiago en Madrid, en Tzara had het idee om álle Dada in een anthologie te verzamelen. De werken die kunstenaars hem toezonden worden nu in de tentoonstelling en een publicatie voor het eerst samengebracht.

Man Ray en Max Ernst leefden zich uit met foto’s en tekeningen, maar interessant is ook de correspondentie met Theo van Doesburg van De Stijl in Leiden, een avant-garde om in 2017 bij stil te staan. ‘Mais non, chèr monsieur van Doesburg’, schreef Tzara hem, ‘Dada est encore très chaud.’ Om Van Doesburg, die geen echte dadaïst was, over te halen mee te doen, stelde hij hem voor om bij publicatie duidelijk het onderscheid te maken tussen het kubisme van Van Doesburg en het dadaïsme. Maar Van Doesburg antwoordde dat hij in 1915-16 misschien nog een ‘kubist’ genoemd kon worden, maar met De Stijl niet meer. Als alter ego I.K. Bonset stuurde hij een foto in van de achterkant van zijn hoofd met een halo van tekst: ‘Je suis contre tout et tous – I.K.Bonset.Dada.’ en daarbij een lange lijst met beledigingen van Nederlandse kunstenaars. Bremmer noemt hij ‘le tjok-tjok-tjok de la peinture’, Bolland ‘Diarrhée de Hegel’, Van Eeden en Schoenmakers ‘clowns’ en erger.

Kunst die oorspronkelijk de naam ‘dada’ droeg omdat dat woord niets kon betekenen, kreeg snel toch een betekenis. Het Dada uit het Cabaret Voltaire dat de gebeurtenissen van een verschrikkelijke tijd overschreeuwde met nonsens kon na die tijd nooit meer op die manier gevoeld worden. Het was niet langer de werkelijkheid die om een masker vroeg, maar de kunst zelf.

Wranger dan het herdenken van een avant-garde is een antwoord zoeken op de vraag of ze mogelijk nog bestaat. En zo ja, waar dan, en zo nee, wie er dan voor het laatst het eerst met iets was. Het Cabaret Voltaire bleef de afgelopen jaren provocerende kunst programmeren. The Yes Men bijvoorbeeld kwamen verkleed als ‘levende dweilen’ om de reputatie van Zwitserse banken ‘schoon te maken’. Van de Spiegelgasse wandelden ze door het centrum, over het water naar de grote ubs-bank, waar ze rollend over de vloer en schurend tegen trapleuningen aan de slag gingen. De lulligheid van het optreden straalde slechts op het onbuigzame bankwezen af. En de komende maanden zullen onder anderen Thomas Hirschhorn, Nedko Solakov, Carlos Amorales en Lili Reynaud-Dewar in het Cabaret Voltaire optreden – kunstenaars die hun werk zeker niet gemaakt zouden hebben zonder een geschiedenis met Dada. Honderd jaar later zijn aspecten van de avant-garde bewaard gebleven, en toch is alles anders.

Gedurende de dag vlogen de toespelingen op het nu in het rond. ‘Wir sind ein, ein, ein!’, klonk het bij de opening in het National Museum en ook in de tentoonstelling werd verwezen naar crises, rampen en euforie over technologie die tot radicalisering leiden – toen en nu. Burgemeester Corine Mauch riep door een papieren megafoon in Cabaret Voltaire dat dadaïsten niets dan ‘Ausländer’, ‘Immigranten’ en ‘Flüchtlinge’ waren geweest die aan ‘nutteloze’ oorlogen ontsnapten. Vandaag trekken vluchtelingen grotendeels aan Zwitserland voorbij – omdat voor een verblijf betaald dient te worden – en daarmee een hoop ‘potentiële creativiteit’. Een dag na honderd jaar Dada vond een demonstratie plaats van activisten die het gebied rond (nota bene) Helvetiaplatz als vrijplaats claimen, een stuk land waar iedereen dan welkom is.

Is het de strijdvaardige geest van Zürich die daar nog altijd spreekt, zoals de burgemeester wil doen geloven, of zijn met de tijd de grenzen van kunst en politiek voorgoed verschoven? De Zürichers die eerder niet in het Cabaret Voltaire wilden komen, verdringen zich honderd jaar later in de straten voor de ingang. De stille kades van Dada’s beschonken nachten worden na middernacht bescheurd door snelle auto’s. Eigenlijk zijn alleen de meeuwen gebleven.


165 Days of Feast, t/m 18 juli elke ochtend om 6.30 uur, Cabaret Voltaire, Zürich. Voor het volledige programma met optredens, tentoonstellingen en voorstellingen in verschillende Zwitserse steden: dada100zuerich2016.ch

Beeld: Nic Aluf, Portrait of Sophie Taeuber with Dada head, 1920. Gelatin silver print, 20.9 x 16.6 cm (GALERIE BERINSON, BERLIN / ESTATE OF NIC ALUF )