Spiegels

We leven in een gemediatiseerde tijd en zijn eraan gewend onszelf voor de camera te presenteren. We weten hoe we overkomen als we zelf de regie hebben. Maar wat als iemand anders je filmt?

In het eerste deel van de Harry Potter-cyclus krijgt Harry met Kerst, van een anonieme afzender, een onzichtbaarheidsmantel (‘it was strange to the touch, like water woven into material’). Hij gebruikt hem om ermee door de verboden afdelingen van Hogwarts te zwerven, en loopt daar tegen een grote spiegel aan.

Spiegels en onzichtbaarheid: symbolen waar Freud een dag over zou kunnen uitweiden.

In de reflectie ziet Harry behalve zichzelf ook een man en een vrouw naast zich, die toch echt niet bij hem in de ruimte zijn. Het duurt even voordat Harry, de oerwees, door heeft dat het zijn vermoorde ouders zijn. Een paar dagen lang blijft hij bij de spiegel zitten, totdat professor Dumbledore hem opzoekt. Het is de Spiegel van Erised, legt hij uit. Een spiegel die niets meer of minder laat zien dan ons diepste verlangen. ‘Alleen de gelukkigste man ter wereld zou deze spiegel als een gewone spiegel kunnen gebruiken, in de zin dat hij zichzelf zou zien precies zoals hij is.’

Psychoanalyticus Jacques Lacan zei over spiegels dat we ons altijd betrapt voelen als we onverwacht onze reflectie zien, omdat de persoon die we zien zelden of nooit overeenkomt met hoe we ons voelen. Degene die wie zien in de spiegel is onze concurrent, iemand die hopeloos voor ons uit rent, of juist kansloos achterloopt.

Ik zag mezelf niet in de spiegel, maar op tv en het is eeuwig zonde dat Lacan en J.K. Rowling daar nooit over schreven. Ik zat bij Buitenhof, om te praten over mijn nieuwe boek, Echte pretentie – ik noem het maar even – dat deze week verscheen.

Van tevoren had ik mijn praatje klaar, ik zou een betoog houden vóór de culturele elite, ik had argumenten volgordelijk in mijn hoofd, had me-ga-grappige oneliners ingestudeerd. Ik zat in de studio op de eerste rij te wachten tot ik aan de beurt was.

‘En dan gaan we het nu hebben over culturele pretentie, want daar heeft onze volgende gast een boek over geschreven…’

Vrienden vroegen of mijn neus wel vast zat, zo vaak zat ik aan mijn gezicht

Voor mijn gevoel zat ik twee minuten later weer op mijn stoel, geen idee meer wat ik had gezegd. Geen oneliners waarschijnlijk. Later die middag vroeg mijn uitgever of ik een fragment kon aanwijzen dat ze als pr-ding konden inzetten, en het lukte me niet. Naar jezelf op opname luisteren is al vreselijk, omdat je je eigen stem – hol, blik – nooit hoort zoals anderen je horen. Naar jezelf als levend bewegend beeld te kijken is nog erger: de gelukkigste man in de wereld ziet zichzelf op tv precies zoals hij is, het probleem is alleen dat de ongelukkigste man zichzelf ook precies ziet zoals hij is.

Tv is een spiegel die te scherp is om te verdragen. Zeker in een studiosetting: het beeld rust op jou, wegkijken kan niet, het isoleert, het toont jou zonder enige context, waardoor alles wat je doet zoveel groter toont.

(In een aflevering van de tv-evergreen Friends kijken de New Yorkse vrienden een oude homevideo. Monica, een verbeten slanke twintiger, blijkt een redelijk obese tiener geweest te zijn. Monica: ‘Het is niet eerlijk, the camera adds ten pounds.’ Chandler: ‘Hoeveel camera’s waren er dan wel niet?’)

Toen ik ooit, ver voor de oorlog, een terugkerende gast was bij een programma op het kortstondige kanaal Het Gesprek, kreeg ik na de eerste uitzending appjes van vrienden die vroegen of mijn neus wel vast zat, zo vaak zat ik tijdens het programma aan mijn gezicht. De tweede keer hield ik de hele uitzending mijn armleuning vast – en kreeg ik appjes dat ik eruitzag alsof ik bang was dat ik zou omvallen. De derde uitzending legde ik mijn ene hand op mijn andere hand op tafel, kalm en statig – en kreeg ik na afloop vragen of ik een alcoholprobleem had en de tremor in mijn hand wilde onderdrukken.

Het Gesprek had weinig programma’s, ze herhaalden ze continu. Steeds als ik midden in de nacht terugkwam van een feestje en de tv aan zette trof ik mezelf in hun loop, vreemd, met een veel egalere huid dan ik normaal heb, bruiner ook. Veel te veel uitdrukkingen op mijn gezicht. Mijn wenkbrauwen leken half weggeschminkt. Op tv leek ik geen lippen te hebben, en zulke grote tanden dat het een wonder is dat er geen Chinezen op me jagen om een toverdrankje van me te maken.

Ik liep van de tv naar mijn spiegel en weer terug. Om mijn wenkbrauwen te controleren, mijn lippen, zaten ze er nog? Wie ben ik?

Jorge Luis Borges, in De Aleph: ‘Ik zag alle spiegels in de wereld en geen enkele weerspiegelde mij.’

We leven in een gemediatiseerde tijd, waarin we volledig gewend zijn ons voor onze camera te presenteren, we maken met onze telefoons meer foto’s dan ooit, weten precies hoe we het beeld in ons hoofd overeen krijgen met het beeld op de telefoon. Ons zelfbeeld is geregisseerd door onszelf. Dit is dan wat er gebeurt als de zelfregie wegvalt, en je jezelf ziet in 3D, met geluid, bewegende beelden door iemand anders dan jezelf gefilmd: je gelooft het niet. Dat is de paradox van televisie: het is de meest realistische spiegel die we hebben en tegelijk voelt hij volkomen onecht.