Spiegels in de verte

Een vlucht in het verleden zorgt ervoor dat wifi- en bluetooth-symbolen dichterbij lijken dan ze in werkelijkheid zijn. Even weg uit het nu.

Nog maar net de grens over en al drie keer aan de dood ontsnapt. Het gevaar in de spiegel doemt zo veel sneller op dan we kunnen bevroeden. Het ene moment zwart asfalt zover het oog reikt, het volgende in de dode hoek iemand die met niets meer om voor te leven achter het stuur is gekropen. Geen voltooider leven dan dat van een Audi-rijder, denk ik.

Je pikt ons er trouwens zo uit op de Raststätte. Wij zijn het volkje dat, gehaast op weg naar de toiletten, bij de deur rechtsomkeert maakt. Terug naar ons gele nummerbord en naar de koffer waarin we op het laatste moment toch een paar van die wegwerpmondkapjes hadden gestoken? Wisten wij veel dat ze die dingen hier overal ook echt dragen.

Het is een oud autootje, ons autootje. Ontworpen door een Italiaan die naast auto’s ook fototoestellen, basketballen en minstens één pastasoort op zijn naam heeft staan. De druk om het ding in te ruilen voor een wat netter en vooral ook veiliger exemplaar neemt toe, maar we bieden nog even weerstand.

De rit duurt een kleine vijf uur en in plaats van onszelf te pijnigen met het luisteren naar opgewonden gesprekken over de actualiteit, een nare gewoonte die we maar niet kunnen afschudden, zetten we een reeks lezingen aan. We zijn trouwens voor het eerst in vijf maanden moederziel alleen. Dat meervoud is er een beetje ingesleten, zo lijkt het.

Boven de snelweg hangen wat smoezelige wolken. Drie gebogen strepen, toenemend in lengte. Als een gigantisch wifi-symbool.

De stem uit het luidsprekertje komt amper boven het lawaai van de motor uit. Het gaat over een oude en een moderne opvatting van vrijheid. Aan de ene kant een idee van een vrijheid als iets dat collectief is en in een publieke sfeer wordt beleefd en aan de andere kant een vrijheidsbegrip dat voor alles individueel, commercieel en privaat van aard is. Over hoe die moderne opvatting aan twee zijden wordt geflankeerd door gevaar. Aan de ene kant is er de aantrekkingskracht die de oude vrijheidsbeleving op ons blijft uitoefenen, nobeler als zij ons toeschijnt, aan de andere kant is er de illusie dat individuele vrijheid betekent dat we ons kunnen terugtrekken in de private sfeer en dat we ons daar veilig mogen wanen. Maar, zo zegt de stem, ook de vrijheid om een apolitiek leven te leiden moet politiek verdedigd worden. Anders komt er een dag dat die privésfeer blijkt te zijn opgeheven door hen die er geen waarde aan hechten.

Woorden die mensen angst moeten inboezemen gaan niet zo lang mee, denk ik

Het gaat over positieve en negatieve opvattingen van vrijheid en ik denk aan Duitsers die met mondkapjes braaf bungelend om hun hals het gaspedaal platdrukken. Het gaat over de Franse revolutie, en de gedachte dat progressieve idealen het altijd afleggen tegen het narcisme van haar luidruchtigste voorvechters laat zich niet helemaal wegdrukken.

Er is even te veel nu, nu. Dat warme bad van de actualiteit, dat wordt gedomineerd door een pandemie en een voor de televisie bedacht personage dat het tot president van het machtigste land op aarde schopt, is afgekoeld. Al die herkauwde gesprekken over wat eerst verstikkende politieke correctheid heette en nu opeens een gevaarlijke afrekencultuur is, roepen weinig meer op dan ergernis. Woorden die mensen angst moeten inboezemen gaan niet zo lang mee, denk ik.

Als de taak waarvoor ik op pad ben gestuurd is volbracht, lees ik in een hotelkamer op mijn telefoon verder in een boek uit 1978 over de veertiende eeuw. Het zijn de hoofdstukken over de Zwarte Dood die de meest fascinerende spiegel voor het heden bieden – de verwoesting was onvergelijkbaar veel groter, maar de hulpeloosheid van de mens die is overgeleverd aan een niet goed begrepen, brute nieuwe realiteit is in wezen dezelfde – maar toen Barbara W. Tuchman de titel A Distant Mirror koos, zullen de pogroms daarin een belangrijkere rol hebben gespeeld. Jodenhaat had diepere wortels in het christendom, maar een belangrijke katalysator was de wijze waarop joden fungeerden als levend schild tussen heerser en volk. De woekerrentes die joodse kredietverstrekkers gehaat maakten stroomden grotendeels door naar de kroon en vormden zo een verkapte belasting. Vreemdelingenhaat heeft altijd moeten afleiden van uitbuiting en onderdrukking.

Mijn vlucht in het verleden krijgt vleugels als ik Werner Herzogs Cave of Forgotten Dreams aanzet. Een film waaraan ik nooit eerder toekwam omdat er op de een of andere manier altijd wel een Marvel-productie tussenkwam. Natuurlijk wordt mijn hart gestolen door de voormalige circusartiest, met zijn paardenstaart en zijn accent zo zwaar en zo Frans als de boezem van Marianne, die zegt dat de grotschilders vanuit een ver maar herkenbaar verleden tot ons spreken en dat het doel van het onderzoek is verhalen te vertellen over wat er destijds in de grot kan zijn gebeurd, maar die ook uitstraalt dat de helaasheid van de exercitie hem niet ontgaat: ‘We will never know because past is definitely lost. We will never reconstruct the past. We can only create a representation of what exists now, today.’

Als Herzog zelf door een van de gigantische, doodstille kamers van de grot dwaalt, zegt hij op de hem kenmerkende, doodernstige toon: ‘Is this their heartbeat or ours? Will we ever be able to understand the vision of the artists across such an abyss of time?’

Hopeloos verloren in het nu als ik ben, denk ik op een van de muren een bluetooth-symbool te ontwaren.