Elaine Showalter

Spiegeltje, spiegeltje aan de wand

In haar levensbeschrijvingen van vrouwelijke iconen legt Elaine Showalter de nadruk op het geworstel in het persoonlijke leven. Dat levert vooral een lekker leesboek op. Vrouwen spiegelen zich nu eenmaal graag aan andere vrouwen.

Elaine Showalter, =Inventing Herself: Claiming a Feminist Intellectual Heritage

Uitg. Scribner New York, 384 blz., ƒ81,15

Ik lees liever een interview met Nina Brink dan met Cor Boonstra. Koop de Playboy als Manuëla Kemp erin staat. Ben bereid me in de moleculaire biologie te verdiepen als een leuke vrouw erover schrijft. Waarom? Waarschijnlijk om dezelfde reden dat een man nooit een boek als Inventing Herself zal lezen, en dat een titel als Inventing Himself ondenkbaar is.

De Amerikaanse wetenschapster Elaine Showalter, bekend van de klassieker A Literature of Their Own (1979) waarin ze Engelse schrijfsters van de Bröntes tot Doris Lessing in een feministische traditie plaatst, heeft de biografieën van een aantal vrouwelijke iconen aaneengeregen onder de noemer Inventing Herself: Claiming a Feminist Intellectual Heritage. Zij noemt haar heldinnen «iconen» omdat zij uitgroeiden, bij of ná leven en welzijn, tot symbolische figuren die opeenvolgende generaties vrouwen bleven inspireren en voortstuwen. Showalter legt in haar openingshoofdstuk uit vooral geïnteresseerd te zijn geweest in avonturiersters en vrouwen die risico’s durven nemen. Ze maakt haar cirkeltje uitverkorenen direct mooi rond door alvast parallellen te trekken tussen leven en dood van Mary Wollstonecraft, met wie ze haar overzicht zal beginnen, en hekkensluitster prinses Diana. Zij stierven beiden op 38-jarige leeftijd in het jaar ‘97, met twee eeuwen ertussen, en leidden allebei het exemplarische vrouwenleven dat zich heftig beweegt tussen de behoefte aan onafhankelijkheid en aan liefde.

Onafhankelijkheid! Liefde! Hoe langer je naar die woorden kijkt, des te leger ze worden. Dat geldt ook voor Showalters onderneming in het algemeen. Ze plundert de talloze biogra fieën die al geschreven zijn over haar iconen en des tilleert daar tamelijk brave verhaaltjes uit op het niveau van de faits divers. Weliswaar beschrijft ze smakelijk in het hoofdstuk over de jaren zeventig van de vorige eeuw hoe zij zelf, kortgerokt, vergeefse pogingen deed het mannenbastion van het revolutionaire tijdschrift Partisan Review te belege ren, in navolging van queenbees als Mary McCarthy en Susan Sontag, maar in feite levert ze met Inventing Herself het definitieve bewijs van haar eigen werkbijenstatus.

Liefde en werk, het zijn de vaste pijlers waarop vrouwenlevens drijven en stuklopen. Voor de foute man, de demonische minnaar, de driedubbelgetrouwde oplichter, blijken intelligente vrouwen door de eeuwen heen een fijne neus te hebben. Of moet je de zaak omkeren, en creëren sterke vrouwen zwakke mannen? Hoe dan ook, onthutsend blijft het, zulke open ogen en zoveel ondergang.

Eleanor Marx, dochter ván, spant in haar masochisme de kroon. Haar «huwelijk» met de grootste Don Juan van Londen, die volgens sommigen op een hagedis leek en volgens anderen op Quasimodo, moest doorgaan voor een model van modern marxistisch samenleven maar was in de praktijk een aaneenschakeling van leugens en bedrog door haar officieel met een ander getrouwde man. Briljante Eleanor, socialiste, activiste, droeg haar lot met verve, gesterkt door het voorbeeld van romanheldin Emma Bovary wier levensverhaal ze vanuit het Frans in het Engels vertaalde. Toen echter bleek dat Don Juan na het overlijden van zijn echte vrouw in het geniep met een actrice was hertrouwd, kleedde Eleanor Marx zich in het wit, ging als een bruid op bed liggen en nam een fatale dosis vergif in.

Extreem? De Amerikaanse journaliste Margaret Fuller schreef met haar ene hand over morele groei in het baanbrekende feministisch manifest Women in the Nineteenth Century (1845), terwijl haar andere hand smeekbedes richtte aan een Duitse zakenman die, op de vlucht voor al te veel intensiteit, haar met de zorg voor zijn hond had opgescheept.

Veelbelovende achttienjarige studente Hannah Ahrendt viel in handen van haar docent Martin Heidegger. De 35-jarige Heidegger, getrouwd, vader van twee kinderen, wist Ahrendt zijn leven lang als maintenee te houden, op de momenten dat het hem zo uitkwam. Hier krijgt zelfs de kalme toon van Showalter iets dreigends: «He was a satanic temptor who kept her in thrall for the rest of her life.» Toen Heidegger de verhouding verbrak, richtte Ahrendt zich tot hem met de bezwerende woorden van Elizabeth Barrett Browning: «But if God please, I shall but love thee better after death.» Na de Tweede Wereldoorlog, waarin Heidegger vrolijk met de antisemitische wind mee was gewaaid, kwam Ahrendt weer in beeld om een goed woordje voor hem doen. Toen de briefwisseling tussen Ahrendt en Heidegger boven water kwam, vroeg men zich af hoe het mogelijk was dat iemand die de banaliteit van het kwaad kon ontleden, het banale kwaad van een man als Heidegger door de vingers kon zien.

Tja. Zo zal volgens Angela Carter iedere weldenkende vrouw zich weleens hebben afgevraagd waarom een «nice girl like Simone» haar tijd verdeed met «boring old fart» Jean-Paul. Simone de Beauvoir werkte aan haar magnum opus, tevens monument van zelfhaat, De tweede sekse (1949), in de meest kwetsbare periode van haar leven. Aan de ene kant had ze haar essentiële liefde voor Sartre, aan de andere kant had ze haar eerste «volledige» orgasme bij haar Amerikaanse minnaar. Bezocht door onvermoede krachten en verlangens schreef Beauvoir hartverscheurend fatalistisch over alles wat met het vrouwelijk onderlichaam te maken had.

Showalter heeft ze erop uitgezocht, op de tegenstrijdigheden, de verlangens, het narcisme en het masochisme. In haar levens beschrijvingen legt ze de nadruk op het geworstel om in het persoonlijke leven de hogere idealen in de praktijk te brengen. Ook als er sprake was van collectieve bewegingen, moesten vrouwen individueel de tol betalen voor hun niet voor de hand liggende keuzes en wereldse ambities. Hun echtgenoten waren hen niet trouw, hun kinderen raakten van hen vervreemd en in de publieke opinie was hoon hun deel.

Een kentering in deze heroïsche dramatiek lijkt aan te breken met de komst van de feministische diva’s in de jaren zeventig van de vorige eeuw, aangevoerd door Germaine Greer. Het is natuurlijk nog maar afwachten of straks niet ergens een koffer met brieven te voorschijn komt en ook Greer haar leven lang in de verstikkende ban bleek van een schele Quasimodo, maar vooralsnog blijft zij het voorbeeld van de vrouw die de plezierfactor in het vrouwenleven propageerde en met overtuiging uitdroeg. Greer ging er prat op zonder slipje haar promotietours te doen, vastbesloten als ze was duizenden minnaars te verschalken. Mary McCarthy in een brief aan Hannah Ahrendt: «Ik was in Londen en zag het idool van de vrouwenbeweging. Een absurde Australische reuzin die riep: ‹We moeten ze aan hun verstand brengen dat neuken een politieke daad is!› »

Reacties als die van McCarthy op de verschijning van Greer vielen mij het meest op in Showalters schets van opeenvolgende Grote Vrouwen. In feite voeren zij een spiegeldans op, elkaar bewonderend en beschimpend, met als uiteindelijke doel zichzelf beter te kunnen zien. Ze zetten zich tegen elkaar af (Beauvoir die schettert nooit een woord van die verschrikkelijke Margaret Mead te zullen lezen, McCarthy die met afgrijzen Beauvoirs smakeloze kleding beziet), of schrijven een zelfportret via de biografie van de ander (Emma Goldman over Mary Wollstonecraft, Hannah Ahrendt over Rahel Varnhagen).

Het vermakelijkste, en meteen meest recente voorbeeld van die mengeling van zusterverering en -haat wordt geleverd door de oudere riotgirll van de jaren negentig, Camille Paglia. Showalter wijdt gelukkig een hoofdstuk aan haar, al vindt ze haar eigenlijk niet getourmenteerd genoeg om echt een icoon te kunnen zijn. «If you can’t join them, beat them», was Paglia’s leidraad. En omdat anderen het niet deden, riep ze zichzelf alvast maar uit als heter dan Mary McCarthy, slimmer dan Susan Sontag en geestiger dan Germaine Greer. Begin jaren zeventig, toen ze docente Engels aan het Bennington College was, nodigde ze Susan Sontag uit om een lezing te komen houden. Paglia was vastbesloten een onuitwisbare indruk op haar heldin te maken. Sontag was echter moe en chagrijnig, hield plichtmatig een slaapverwekkende lezing. Toen het Paglia eindelijk was gelukt om haar nog even onder vier ogen te spreken en ze haar de oren van het hoofd kletste, keek Sontag haar alleen maar verstoord aan en vroeg: «Wat moet je nu eigenlijk van me?» Paglia hakkelde: «Gewoon, met je praten.» Maar dacht ondertussen, zoals ze later in een artikel schreef: «Verdomme, ik ben je opvolger en jij bent te stom om het te kunnen zien.»

Twee jaar later zocht Paglia haar volgende doelwit op, Germaine Greer, die aan een naburige universiteit zou komen spreken. In plaats van een swingende groupie trof Paglia een «oude tang» aan die hel en verdoemenis preekte over de positie van vrouwen in Paki stan. Bij het vragenrondje waagde Paglia het haar hand op te steken en aan Greer te vragen wanneer ze weer eens over literatuur zou gaan schrijven. «Literatuur?» spuugde Greer. «Alsof er niks belangrijkers is op de wereld!»

Naomi Wolf, schrijfster van de fulminade tegen de cosmetica-industrie, The Beauty Myth (1990), werd vooral door feministes met wantrouwen bekeken. Zo jong, zo mooi, zo'n weelderige haardos, dit moest wel een heel goor staaltje van opportunisme zijn. Showalters eigen spiegelingen komen tot uiting in tamelijk ridicuul commentaar op de levenswandel van haar iconen. Zo schrijft ze over Beauvoir dat die natuurlijk gelijk had dat ze haar Parijse leventje niet opgaf voor haar minnaar; had ze zeker de rest van haar leven zijn sokken moeten wassen. Paglia bijt ze toe dat die wel lekker kan blijven proberen om Susan Sontag voorbij te streven maar dat ze «never even get close enough to eat her dust». Over prinses Diana schrijft ze pathetisch dat wij in haar tekortkomingen, haar wonden en haar littekens, die van onszelf zien (Paglia een jaar na dato: «Ik ben nog niet hersteld van Diana’s dood»).

Vrouwen kunnen geen spiegel voorbijlopen zonder er een blik in te werpen, zo blijkt maar weer uit deze geschiedenis van twee eeuwen feminisme. Showalters aanpak komt ook voort uit die behoefte. «Levensverhalen behouden hun kracht, terwijl theorieën vervagen», legitimeert zij de emmers biografisch materiaal die zo'n vierhonderd pagina’s lang over de lezer worden uitgeschud.

Voor een nieuw analytisch inzicht of enige diepzinnigheid zijn we bij Showalter niet aan het goede adres. Wel voor een lekker leesboek dat tegemoetkomt aan de universele en tijdloze onhebbelijkheid van vrouwen om naar andere vrouwen te kijken, zodat ze zich even hard aan hen kunnen vergapen als ergeren. Het is dan ook bijna onvergeeflijk dat er geen foto’s in het boek zijn afgedrukt.