Spielbergs schietfilm

Thomas Keneally, Schindlers Lijst. Uit het Engels vertaald door Han Visserman, uitgeverij Luitingh, 383 blz., f29,90
‘Fatale menselijke kwaadaardigheid is de belangrijkste stof van vertellers, de erfzonde het moedervocht van geschiedschrijvers. Maar het is een hachelijke onderneming om over deugd te moeten schrijven.’ Wat zou dat ‘moeten’ in de tweede zin betekenen? Dat moet geen probleem zijn voor wie weet wat ‘fatale menselijke kwaadaardigheid’ is en bij ‘moedervocht’ nattigheid voelt.

Hebben we aan de ene kant Klaas, die naar elders trekt om zijn geluk te beproeven, een rokkenjager die van een stevig glas houdt. Zijn goede inborst komt pas boven in de confrontatie met de plaatselijke slechterik, Piet - wat liederlijke aanleg betreft Klaas’ evenknie, maar als gevangenbewaarder in de gelegenheid zijn machtswellust bot te vieren. Piet is en blijft zwart, Klaas wordt een Goedheiligman en wint. Ik heb het over een Amerikaanse schietfilm, Schindler’s List.
Hoe komt men erbij die vergissing een ‘strenge, sobere en gewetensvolle film’ te noemen? Van de goede bedoelingen van de maker mag ik af wezen, maar sober en streng? In sneltreinvaart worden inmiddels tot metaforen gedegradeerde scenes van razzia’s, veewagens, kampselecties, enzovoort doorgenomen. Af en toe wordt een detail uitvergroot, op de manier zoals Hollywood pleegt in te zoomen: niet om iets beter te zien, maar om het grotere belang van een onderdeel te benadrukken (onschuldig meisje gaat vreselijk lot tegemoet, dan geven we haar te midden van alle zwart-wit toch een rood jasje!).
Sober? Er is weinig in deze film dat niet op effectbejag berust. Maar daarmee zie je nog niks. Ja, veel moord en doodslag. Maar wat het is om dag in dag uit vernederd te worden, wat angst die dagelijks gevoed wordt met je doet, hoe onophoudelijke honger voelt, kortom: het ondraaglijke, dat alleen in beeld te brengen is door erbij stil te staan - dat kun je in deze film hooguit vermoeden.
Sint wint. Voor het effect mag je natuurlijk niet laten zien dat Piet, kampcommandant Amon Goeth, al veel eerder zwart wordt gemaakt, door zijn broeders in het kwaad nota bene. Dat had het maar ingewikkeld gemaakt. Om dezelfde reden komt de kijker niets te weten van de beweegredenen van Schindler: Klaas wordt Sint zoals Saulus Paulus. Vanaf een hogergelegen plaats, gezeten op zijn paard is hij getuige van een razzia in het getto van Krakau: 'Vanaf die dag’, zou hij beweren, 'moest het voor ieder weldenkend mens duidelijk zijn wat er zou gebeuren. Ik was nu vastbesloten alles te doen wat in mijn vermogen lag om het systeem te verslaan.’ Zo staat het in het boek, de roman van de Australische schrijver Thomas Keneally.
Het boek is geen haar beter. En dan heb ik het nog niet eens over de onbeholpen beeldspraak en idiote zinnen - wat de vertaler nog eens heeft aangedikt door een Nederlands uit eigen doos. Geeft Spielberg zijn speelfilm het air van een documentaire, Keneally noemt een roman wat in feite een documentaire is, met als enige vormprincipe de chronologie. En wat zegt de roman over de motieven van Klaas en Piet? 'Eigenlijk’ zijn beide dikzakken van hetzelfde laken een pak: 'Toch kan men zich moeilijk onttrekken aan de gedachte dat Amon de donkere broeder van Oskar was, de woesteling en fanatieke beul die Oskar door een ongelukkige wending in zijn voorkeuren misschien had kunnen worden.’ Die zinswending beslecht het verschil tussen een massamoordenaar en een man die tot bezinning komt, met als gelukkige bijkomstigheid 'zijn redding van een dwarsdoorsnede van een gedoemd volk’. Alleen maar toeval. De roman gaat nog dieper: Klaas’ drijfveer is de wens om in de ogen van zijn vader een geslaagd mens te zijn, en met zijn moeder heeft hij ook nog iets.
Een aanfluiting, film en boek: niets nieuws laten ze zien, alleen een uitzonderingsgeval, met een psychologie zo plat als een dubbeltje. Dat alles, aldus de vrome prevelementen, tot nut en vermaak van 'een wereldpubliek’.