Spijbelen

‘Gerrit, waar is Gerrit gebleven?’ Het is de slotavond van de Vlaamse lezingentournee Saint Amour, en Gerrit Komrij is eventjes zoek. Het hele gezelschap is neergestreken in het café de Zeven Schaken, om de hoek bij het Antwerpse stadhuis. Daar strandden we elke avond na een optreden, twee weken lang. De Nederlandse delegatie bleef altijd het langst: Ilja Pfeijffer, Tommy Wieringa, ik en Gerrit Komrij.

Dan zwalkten we iets na drieën die paar honderd meter over het stadhuisplein en de Grote Markt terug naar ons hotel, het Hilton. Gerrit drukte op de nachtbel: ‘Kómrij… kamer vijfhonderdtwáálf…’ Deur open. Een beduusde portier snelde toe. ‘Eh… goedenacht… meneer Komrij… Maar wie zijn al die andere mensen?’ ‘O!’ Verrast keek hij om zich heen, alsof hij ons nu pas opmerkte. ‘O, dat is alleen voor de seks…!’ Hinnikend van pret liepen we naar de lift.

Tegen twaalven zag je elkaar dan misschien weer bij het ontbijt, behalve Gerrit Komrij, want die was gewoon om zeven uur al opgestaan, had kranten gelezen, stukjes geschreven, het internet geplunderd. Zodat hij ’s middags verslag kon doen van de nieuwste roddels uit de literaire wereld. ‘Wat is de literatuur toch een mooi vak, hè?’ voegde hij er handenwrijvend aan toe.

Waar Komrij verscheen, was er meteen plezier. Dat was al toen ik hem voor het eerst ontmoette. Ik was net afgestudeerd, schreef freelance wat stukjes voor universiteitsblad Mare, en Komrij was gastschrijver aan de letterenfaculteit in Leiden. Wie mocht hem interviewen? Op de redactie was dat een heel gevecht, waarbij ik het vanzelfsprekend moest afleggen tegen de ervaren eindredacteur.

Eén avond voor het geplande interview belde de ervaren eindredacteur. Hij had griep. Of te veel werk. De precieze toedracht ben ik vergeten, zo overrompeld was ik door zijn vraag. Of ik het interview met Komrij kon overnemen.

Bloednerveus klom ik de volgende middag het trappetje op naar café de Burcht. Het ging mijn eerste grote interview worden. Ik had me amper kunnen voorbereiden. In het halletje controleerde ik voor de vijfde keer of mijn opnameapparatuur wel werkte.

Eenmaal tegenover hem, het onafscheidelijke glas witbier tussen ons in, waren alle zorgen verdwenen. Meteen was er die jongensachtige vrolijkheid, het intense plezier. Pas laat in de nacht kwam ik thuis, en de deadline drukte, maar dat deerde niet: ik hoefde de tape maar uit te tikken en had een feest van volzinnen, kwinkslagen, spitsvondigheden, venijnige plaagstootjes. Het bewees wat hij na afloop zei en vaker over interviews zou zeggen: ‘De interviewer krijgt ervoor betaald, maar ik doe al het werk!’

Jongensachtig. Dat klinkt natuurlijk nogal lullig, maar ik weet even geen ander woord voor, bijvoorbeeld, die avond na een diner met allerlei schrijvers en dichters in Den Haag.

‘Ga jij nog naar die lezing?’ vroeg ik hem bij het dessert.

‘Ik wilde me eigenlijk drukken…’ Guitige grijns.

En toen iedereen gedwee naar de locatie van de lezing liep, tikte hij me op de schouder. We draaiden ons om, en holden zo’n beetje richting het Voorhout. Een dame van de organisatie kwam van de andere kant en staarde hem verbluft en een tikje ongerust aan. ‘Jij hebt ons níet gezien!’ riep hij, haar voorbij rennend. En omkijkend over zijn schouder: ‘Jij hebt ons níet gezien!’

Gerrit Komrij gaf zulke avonden het aureool van avontuur. Je had bij hem altijd het gevoel aan het spijbelen te zijn, zoals die avond in De Posthoorn. Of een keer voorafgaand aan het Boekenbal. Mijn vriendin was zwanger, dus we gingen niet te lang: alleen naar het voorprogramma, dat Gerrit dat jaar had geschreven. Wel gingen we vooraf eten in Hotel Americain. Aan een tafeltje aan het andere eind zaten Gerrit en zijn partner Charles, vrolijk naar ons te zwaaien. Kom erbij, kom erbij. Steeds ging z’n telefoon. Belangrijke mensen die iets belangrijks moesten, want hij was vanavond belangrijk. Steeds was het antwoord: ‘Ach welnee, ik zit hier nog even met wat vrienden…’

Het vleide mij en tekent hem. Zo goed kenden we elkaar nu ook weer niet, maar als het ergens plezierig was, nam hij daar kennelijk de tijd voor. Ik kwam hem eens zomaar in De Slegte in Den Haag tegen. Meteen naar het café voor witbier en bitterballen. Over een half uur ging z’n taxi, naar het vliegveld, terug naar Portugal. Midden in het plezier verdween hij dan plotseling.

Zoals hij die laatste avond in de Zeven Schaken ineens is verdwenen, vroeger dan anders.

‘Jongens, heeft iemand Gerrit gezien?’

‘Hij houdt niet van afscheid nemen’, zegt Ilja, en knikt richting het raam. En daar zie ik hem gaan, over het plein, wat gehaast, zo lijkt het, maar dat kan ook zijn omdat het zachtjes regent. Ook dat is tekenend: er stilletjes tussenuit knijpen, ook van het afscheid spijbelen, zodat alles blijft zoals het was.