Spijker én stuiterbal

HET WAS EEN mooi moment bij het televisieprogramma Zeeman met boeken, afgelopen voorjaar. Onderwerp van gesprek: de nieuwe dichtbundel van Judith Herzberg. ‘Xandra, kon Herzberg jou bekoren?’ gaf gespreksleider Michaël Zeeman aan Xandra Schutte het voortouw. Deze begon een genuanceerd betoog waaruit duidelijk werd dat zij een aantal van de gedichten nogal dagelijks en quasi-diepzinnig vond, op het kitscherige af. Ze was nog niet uitgesproken of medediscussiant Kees Fens liet zich met een verbaasde uitroep ontvallen dat hij had verwacht dat juist Xandra wel gecharmeerd zou zijn van Herzbergs dichtkunst. ‘Hoezo?’ vroeg zij enigszins onthutst na deze onverwacht persoonlijke aantijging. Ik herinner me niet meer precies of Fens zei dat vrouwen nu eenmaal altijd van Herzberg hielden of dat ze altijd van dergelijke poëzie hielden, het punt was in ieder geval duidelijk: Fens verdacht Schutte van een vrouwelijke smaak.

Het was grappig en pijnlijk tegelijkertijd. Grappig, omdat het hele idee dat er zoiets bestaat als ‘vrouwelijk’ en 'mannelijk’ sinds jaar en dag een van de thema’s is in Schuttes kritieken en essays. Pijnlijk, omdat ik had verwacht dat Fens in al zijn eruditie inmiddels ook een pan-seksuele blik zou hebben. Opeens bleek hij echter zonder gêne zowel gesprekspartner als onderwerp tot hun sekse te kunnen reduceren. DE WEIGERING om met dergelijke reducties genoegen te nemen en het verlangen om zowel het een als het ander te zijn, vormen de zinderende rode draad in de bundel Maskerade. Xandra Schutte brengt hierin een aantal essays bijeen die zij, in iets andere vorm, eerder publiceerde in onder andere De Groene Amsterdammer. Wonderlijk genoeg, en dit zegt iets over de duidelijke richting waarin Schutte zich als lezer en criticus de afgelopen jaren heeft ontwikkeld, laat deze bundel zich lezen als een persoonlijke Werdegang. De afzonderlijke stukken winnen in deze gebundelde staat aan kracht: je moet er niet lukraak een paar lezen, maar ze in deze volgorde tot je nemen om het beeld compleet te krijgen. In het eerste deel van de bundel, 'De kleren van Orlando’, betoogt Schutte met behulp van voorbeelden uit de literatuur (Virginia Woolf, Radclyff Hall, Margriet de Moor), de popcultuur (Michael Jackson, Madonna, Annie Lennox), de beeldende kunst (Cindy Sherman) en de cosmetische chirurgie (Orlan) dat vrouwelijkheid en mannelijkheid niet meer dan kunstgrepen zijn. Sekse is een kwestie van aankleding, van theater, 'vaak nog clichématig theater ook’. In het tweede deel, 'De ironische steenworp’, koppelt ze een analyse van haar liefde voor het werk van Anna Blaman en een uitgebreide bespreking van het schrijverschap van Renate Dorrestein aan een pleidooi voor 'radicale ironie’ in de literatuur. Dit pleidooi echoot na in haar verhandeling over de verbeelding van 'hedendaagse heiligen’ in drie films, Breaking the Waves, Noorderlingen en Teorema, die ze duidelijk uiteenlopend waardeert. Haar voorkeur voor het naast elkaar bestaan van cynisme en ernst, van parodie en evangelie, laat zich vertalen naar wat zij van kunst in het algemeen verwacht: ambivalentie. In het derde deel ten slotte, 'Wie verandert’, gaat ze in op de literaire personages die de ultieme staat van ambivalentie bereikt hebben: de sekseloze tussenwezens in het Peter Pan-verhaal, de clowns in het werk van K. Schippers en de verworpenen in Nightwood van Djuna Barnes. 'Ze zijn niet wie ze zeggen dat ze zijn en ze zeggen niet wie ze wel zijn omdat ze dat domweg niet kunnen zeggen.’ MASKERADE kan, zoals gezegd, worden gelezen als de ontwikkelingsgang van een lezer/beschouwer. De aanvankelijke preoccupatie met sekse maakt plaats voor vragen omtrent waarheid en leugen, afstand en betrokkenheid. Vooral in het eerste deel is de overlap met de feministische canon aanzienlijk, maar Schutte laat er geen twijfel over bestaan dat zij de bijbehorende 'pasklare ideeën’ niet deelt. Triomfantelijk beschrijft ze de ontzetting onder feministen toen bleek dat de uit en te na geïnterpreteerde teksten van een jonggestorven schrijfster door een man geschreven waren. Koren op Schuttes molen: 'Waarom doet de biologie van Danielle Sarréra er zo toe als haar nagelaten werk zo prachtig vrouwelijk te lezen is?’ Schutte houdt van pendelen, van ja én nee, van 'en-en’, en niet van 'of-of’. Ze waardeert Dorresteins romans omdat die zich laten lezen als een gang door het spiegelpaleis op de kermis. 'In de ene spiegel ben je een spijker, in de andere een stuiterbal.’ Waarom zou je genoegen nemen met een vaste positie? Is authenticiteit niet sowieso bedrog? Bestaat er wel zoiets als een autonoom zelf? In de wijze waarop Schutte antwoorden zoekt op deze vragen komt haar voorkeur voor pendelen ook tot uiting. Onorthodox en fris schraagt ze verschijnselen en figuren van deze tijd met klassieke teksten en auteurs (Ovidius, Molière), essayisten van naam (Barthes, Eco, Sontag) en persoonlijke getuigenissen. Mooi beschrijft Schutte haar eerste schokkende besef dat ze tot een kaste behoort, nadat de kapper haar een meisjeshoofd heeft aangemeten. Deze ervaring sterkt haar mede in de gedachte dat vrouwelijkheid een kwestie van strategie is, iets is wat bij wijze van spreken in de klerenkast hangt. 'In mijn gedachten ben ik vaak nog steeds geslachtsloos, maar voor de spiegel word ik vrouw.’ Wat niet wegneemt dat Schutte van die verkleedkist houdt, net zoals ze de zuigkracht van het circus voelt, 'de wereld van vermomming, maskerade, schijn en steelse gebaren die telkens weer de clou van de truc verhullen’. Het zegt iets over Schuttes essayerend vermogen dat ik terwijl ik haar voorkeuren nergens bleek te delen, haar stukken met smaak heb gelezen, me afvragend waarom ik juist zo'n hekel heb aan het circus in het algemeen en clowns in het bijzonder. In elegante, onmodieuze taal waarin woorden als 'godvruchtig’, 'vermetel’ en 'boefachtig’ opeens volstrekt natuurlijk klinken, voert zij de kunst van de ambivalentie ten top. Nooit boosaardig (ook een typisch Schutte-woord), meestal voorzichtig ('Ik weet het allemaal niet zo goed’), om dan onverwacht en des te doeltreffender uiteindelijk een venijnig klapje uit te delen ('Het is jammer dat Sally Potter dat niet heeft begrepen’, over de in haar ogen mislukte verfilming van Woolfs Orlando). Het is precies die ambivalentie die maakt dat je altijd wilt weten wat de schrijfster ergens van vindt.