Menno Hurenkamp

Spinnend over de schreef

Hij is de verzinnebeelding van het likkebaarden. Zijn hoofd en lijf, zijn lachen en praten, het is allemaal een constant watertanden: van die gevatte opmerking tegen een journalist en van die soepele zwaai waarmee hij van zijn fiets sprong, van die vrouw van net en die vrouw van straks, van het overeten én van het diëten, alles wekt zijn begeerte of zijn tevredenheid. De Amsterdamse wethouder Rob Oudkerk lijkt als een ouderwetse Lebemann ondraaglijk te genieten van zijn constant overtreden van regels en moraal — dit was precies wat Clinton telkens weer overeind deed veren, al was de Amerikaanse president ook politiek nogal kundig.

We strepen dus deze week af: één pretendent-leider van de Partij van de Arbeid. Want het is een domme schande dat een politicus als Oudkerk graag als privé-persoon de vrijheid zou willen hebben coke te snuiven. Dat vind ik natuurlijk vooral omdat ik kleine kinderen heb en ook belachelijke hypotheekschulden en allerlei schrijfverplichtingen en zelfs in mijn dromen geen tijd vind om een paar lijnen naar binnen te halen om vervolgens wat opwinding te zoeken. Maar het idee dat het tegen de wet is om cocaïne te gebruiken, lijkt me een afdoende argument om elk gezeur van een politicus over «opmerkingen gedaan in de privé-sfeer» te ontkrachten. Regelmakers die de regels niet zien zitten moeten de regels veranderen in plaats van ze overtreden. Als Oudkerk zich door de wet belemmerd voelt, moet hij als door de wol geverfd politicus weten wat hem te doen staat.

Het is maar dat u het weet, maar mijn generatie van jonge hoog opgeleide dertigers vindt cokegebruik echt volkomen normaal. Journalisten, academici, advocaten en ambtenaren snuiven cocaïne wanneer het ze uitkomt — in het weekend op een feestje, of door de week als er een deadline is. Het klinkt heel liberaal om in een staat van volkomen hermanheinsbroekheid daar je schouders over op te halen, onder het motto dat mensen vooral zelf moeten weten wat ze in hun vrije tijd doen. Maar dan stap je wel makkelijk over een paar inconsequenties heen.

Volgens grote delen van het justitieel apparaat hebben we namelijk juist niet veel ergere problemen dan de drugshandel. Met enorme sommen belastinggeld rennen agenten achter de criminelen aan die Rob Oudkerk en mijn vrienden van coke voorzien. Dat beleid wordt ook politiek breed gesteund. Maar te midden van alle gejeremieer over cellentekorten en meer blauw op straat, het najagen van grote boeven en kleine sukkels, terwijl de hardwerkende veelverdieners en freischwebende freelancers zich over de bepoederde creditcard buigen, dat deugt natuurlijk principieel noch praktisch. Óf je zegt dat die agenten daarmee moeten stoppen omdat je een lijntje zelf ook lekker vindt (dat durft Oudkerk niet, want dan krijgt de Amsterdamse burgemeester Cohen ruzie met de Verenigde Staten), óf je houdt je mond en liefst ook je neus dicht. Zo niet, dan ondergraaf je je eigen geloofwaardigheid en die van de democratie. En in de wetenschap dat de gewenning aan die dubbele moraal inzake cocaïne groeit naarmate mijn generatie dichter bij de macht komt, is het meer zaak hier niet lichtvaardig over te denken.