Spion-schelm

Vorige week: typeringen van schelmen en schelmenromans. Conclusie: de biografieën van schelmen zijn vaak leuker dan hun romans. Deze week: James Bond.

Ik noem wat schelmen: Hemingway, de biografie is leuker, Diaghilev, de Russische schrijver, opera- en balletproducent, componist – zijn pas verschenen biografie van de hand van Sjeng Scheijen is echt schitterend, Oscar Wilde – in zekere zin, ook zijn biografie is interessanter dan zijn werk, en wie ik ook een goed voorbeeld vind is: Jean-Paul Sartre, een onbegrijpelijke filosoof, een matige romancier, maar wat een schitterend leven! Het leven van een schelm inderdaad.
Er is echter één genre in de literatuur waarin schelmen zeer populair zijn: het misdaadgenre, of spionagegenre. Een genre dat ook zeer populair is onder filmmakers.
Een stelling van mij is: hoe lower the culture hoe higher het schelmengehalte, tenzij… tenzij het dus een biografie is. Daarvoor geldt: hoe groter de schelm, hoe groter de kans dat je een prachtige biografie schrijft.
Spionageromans zijn een genot om te lezen als het om schelmen gaat. De spion heeft altijd een dubbele moraal, is altijd lichtelijk crimineel, is altijd een charmeur, is per definitie een opportunist – en alles doet hij in naam van de vrijheid.
James Bond is daarom de ultieme schelm, een creatie van Ian Fleming. In een studie van de Engelsman O.F. Snelling uit 1964 is te lezen dat James Bond in een traditie staat van schelmen. De auteurs John Buchan, Sapper en Dornford Yates schreven in de jaren dertig in Engeland zogenoemde ‘lichte romans’, die met honderdduizenden tegelijk over de toonbank vlogen. Hun romanhelden waren altijd schelmen, en ze waren uit hetzelfde hout gesneden: lid van dezelfde club in West End, allemaal financieel onafhankelijk en allemaal grote, zeer welbespraakte charmeurs. Of, zoals Snelling niet zonder humor zegt: ‘Ze blijven niet staan voor een slaapkamerdeur; ze komen zelfs nooit zo ver. (…) Wat slaapkamers en slaapkamerdeuren betreft, die zouden evengoed niet kunnen bestaan.’
Fleming wilde om aan geld te komen ook lichte romans schrijven en spiegelde zich aan deze auteurs, die hij trouwens kende. Fleming zocht een held voor zijn boeken. Hij was zelf een schelm, zeker, maar hij zocht iets wat hem overtrof. U weet dat Fleming in de Tweede Wereldoorlog de herinrichter was van de spionagediensten MI5 en MI6 en operaties uitdacht voor de Britse geheime dienst om de Duitsers te vernietigen.
En nu komt het.
Als oprichter van MI5 moest Fleming prins Bernhard in de gaten houden, omdat de Britten vermoedden dat Bernhard steun had verleend aan de SS tijdens de nacht van de lange messen, waarin SA-mensen werden geëxecuteerd. Verder was Bernhard door vooraanstaande Britten ooit in een SS-uniform gezien. Fleming nam die taak in 1940 persoonlijk op zich.
De twee kregen een grote vriendschap. Tuurlijk: twee charmeurs bij elkaar, twee spionnen. Ook na de oorlog hebben ze contact met elkaar gehouden.
En dan, in het negende Bondboek, Thunderball, komt Bernhard voor als Count Lippe. Als een van de grootste schelmen natuurlijk. Bond beschrijft hem zo: ‘De man was uitzonderlijk knap – een donkerbruin gebronsde vrouwenversierder met een elegant snorretje boven een koele mond van het type dat vrouwen graag kussen in hun dromen. Hij was atletisch lang, gekleed in een goed gesneden tweedjasje.’