Opgever

Spirituele tocht

Een groot deel van mijn familie is in de weer met ‘spiritualiteit’.
De kracht van stenen, de aura’s om u heen, rustgevende geuren ook voor u, praten met je innerlijk, denk weet doe, er is iemand die naar je luistert.
Dit is voor mij op familiedagen ingewikkeld.
Ik moet iedere keer weer het verhaal aanhoren van die steen die in de Dordogne werd gevonden en die Wim in zijn zak deed en toen hij thuiskwam had hij uitslag op zijn been op de plek waar de steen zat. Toen heeft Wim die steen aan zijn vrouw gegeven en die stopte hem in haar tas. Maar na een dag had Sjaan ook uitslag op haar heup precies op de plek waar ze haar tas had gehouden. Dus stenen hebben een kracht.
Het erge aan dit verhaal is dat voornoemde Wim een hoge, verantwoordelijke functie heeft. Als hij een verkeerde beslissing neemt, sterven er vele mensen.
Hoe kan zo iemand – gepromoveerd, constant met wetenschappelijke vragen in de weer – niet zien dat zijn verhalen over de kracht van stenen onzin zijn?
Wanneer ik zeg: ‘Misschien ben je net als ik gevoelig voor ijzer en metalen. Ik kan geen ring om mijn vinger verdragen, want dan krijg ik meteen ook uitslag’, dan zegt Wim: ‘De kracht van stenen gaat veel verder. Chiel, onze zoon, heeft astma maar sinds hij een ketting draagt met een (hier de naam van een steen – opg) haalt hij veel vrijer adem.’
Meer dan de helft van mijn familie gelooft dit. Ze geloven ook dat er ‘iets’ is, dat het leven ‘een bedoeling’ heeft en ze zijn ook allemaal geïnteresseerd in ‘eeuwenoude wijsheid’.
Ik heb deze afwijking niet. Natuurlijk wordt mij dit kwalijk genomen. Men heeft ook medelijden met mij, en met enige regelmaat hoor ik: ‘Maar als het waar zou zijn, zoals jij zegt, dat het leven zinloos is, waarom maak je er dan geen eind aan?’
Onderhand vindt iedereen deze gesprekken op familiebijeenkomsten leuk, behalve ik.
Nu was laatst mijn tante overleden en ik kreeg een kaart waarop stond: ‘De optocht naar Driehuis-Westerveld vangt om drie uur des middags aan.’
Uiteraard stoorde ik me minder aan de ‘aanvang’ dan aan ‘de optocht’.
De rouwstoet was optocht geworden.
Opeens voelde ik een ethisch probleem opkomen. Ik wilde rouwen en niet meelopen in een optocht. Ik besloot mijn nicht te bellen.
‘Ik ga niet meelopen in een optocht… Wel in een rouwstoet.’
‘We vieren de dood… We zijn blij voor mamma… daarom noemen we het een optocht, op haar verzoek… Maar als jij het een rouwstoet wil noemen, je bent vrij.’
‘Dat weet ik, maar wat doen jullie? Lopen jullie mee in een optocht, of in een rouwstoet?’
‘Een optocht. En we lopen niet, we gaan met witte wagens… Wit, dat wilde mamma.’
‘Maar gaan jullie feestvieren of rouwen?’
‘We vieren de dood… We gaan lachen en zingen… en of je een verhaaltje of een gedichtje wil schrijven met mamma als onderwerp en die verzamelen we dan en verbranden we bij het graf dan kan zij ze lezen waar ze nu is…’
‘Maar ze leest niks meer, want ze is dood, en ze is nergens…’
‘Is ze ook niet in je hart?’
‘Ja goed, daar wel, maar…’
‘Bewaar het gedicht dan in je hart… dat is ook goed.’
Twee dagen later rij ik toch mee in de feestelijke optocht en heb ik ook iets op een briefje geschreven dat in een vuurtje wordt gelegd en zie ik om een graf alleen maar lachende mensen.
Voor het eerst in mijn leven heb ik de neiging om mijn broek uit te trekken en op het graf te pissen. Zomaar. Terwijl het zo’n lieve tante was.