Hoofdcommentaar

Spiritus

De kabinetsformatie kan eindelijk echt beginnen. Laten we ervan uitgaan dat het kerstreces reinigend heeft gewerkt. De heren hebben zich dus bezonnen. Plicht roept. Als er geen gekke dingen gebeuren, zit er binnen twee maanden een cda- pvda- cu-kabinet: met Balkenende in het Torentje, Rouvoet op Sociale Zaken en Bos toch maar op Financiën.

Het is een intrigerende vraag in hoeverre ‘religie’ in die formatie een rol gaat spelen. De ChristenUnie heeft nooit doekjes gewonden om haar fundamentele principes. Nu al roepen sommige pvda-coryfeeën, zoals Hedy d’Ancona, hun voorman Bos toe de rug recht te houden inzake abortus, euthanasie en bijzonder onderwijs. Dat lijkt wat overbodig. Rouvoets brigade hoort eerder tot de realo’s dan tot de fundi’s. De ChristenUnie zal eerder willen incasseren op Sociale Zaken, Jeugd- en Gezinszorg dan een moeizame en onwinbare campagne beginnen op Justitie. Er zullen op de hachelijke ethische dossiers wel wat verzachtende en alternatieve maatregelen worden getroffen – meer geld voor palliatieve zorg bijvoorbeeld, of meer kinderopvang – en waarom ook niet als de wettelijke regelingen zelf onberoerd blijven. Misschien dat er wat gedaan wordt om de zondagsrust te versterken. Ook niet erg. Wellicht komt er een minister van Jeugdzaken. Wel ja, best een goed idee.

Serieuze religieuze politiek blijft een tweesnijdend zwaard. De christelijke partijen zullen inzien dat alles wat zij doen om hun eigen zuil te plezieren – in onderwijs, media of zorg – evenredig ten goede komt aan de andere zuilen, lees: de islamitische. Als een cu-staatssecretaris van Onderwijs per se Intelligent Design in het vmbo-curriculum wil opnemen, dan volgt daaruit dat islamitische scholen hun kinderen mogen vertellen dat menstruerende vrouwen onrein zijn en Sinterklaas niet echt bestaat.

Nu wordt dezer dagen – en niet alleen omdat het Midwinterfeest gevierd werd – met graagte geroepen dat religie als politieke factor de wind in de zeilen heeft. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (wrr) publiceerde een ‘verkennend onderzoek’ over ‘Geloven in het publieke domein’. De Raad is er heilig van overtuigd dat de ontkerkelijking tot staan is gebracht en dat religie ‘een opmerkelijke come-back maakt’. De Raad stelt dat de media niet alleen ‘voertuig voor religie’ zijn, maar ook ‘nieuwe religiositeit’ creëren. kro-medewerkers, bijvoorbeeld, mogen graag wijzen op het ‘succes’ van programma’s als Herman Finkers in het klooster of dat bbc-programma waarin een groep Britse mannen zich een zomerlang liet insluiten in een klooster. Jan Siebelink ziet in de verkoopcijfers van zijn Violen ook al een bewijs van de herkerstening van het land.

Het is tekenend dat bij de constructie van zo’n idee van comeback de kijkcijfers erbij gehaald worden. Dat bbc-programma werd goed bekeken, maar geen van de novieten sloot zich bij de broeders aan. Wie zegt dat zo’n programma ‘nieuwe religiositeit’ creëert, zal dat ook denken van de Intocht van Sinterklaas (een bisschop, after all). Met dezelfde redenatie zou je moeten stellen dat de Nederlanders wel een bijzonder gezond en sportief volkje moeten zijn omdat ze zo buitengewoon veel naar voetbal en schaatsen kijken.

Niet religie maakt een comeback. Praten over religie maakt een comeback. Studie naar religie maakt een comeback. Religie zelf, als ordenend principe in het persoonlijke en gemeenschappelijke leven, verdwijnt. The Guardian publiceerde daarover vlak voor Kerst een onderzoek. De Britse situatie is anders dan de Nederlandse. Er wonen meer immigranten en ze wonen er al langer; tradities, ook religieuze, hebben er krachtiger wortels. Maar de getallen liegen er niet om. Tweederde van alle Britten beschouwt zichzelf als niet-religieus. 82 procent van de bevolking vindt dat religie een bron is van tegenstellingen en spanningen in de maatschappij. Slechts dertien procent van de ondervraagden zegt ten minste één keer per week een religieuze dienst te bezoeken. 43 procent doet dat nimmer. En die monniken, waar de kro zich zo blij over maakte: daar zijn er in Engeland en Wales nog precies 1345 van. Nonnen: 1150. Gemiddelde leeftijd: tegen de zeventig jaar. Vrouwelijke novicen in 1982: honderd. In 2004: elf. De gedachte dat het land bestaat uit een mozaïek van faith-based communities, zoals Blair en veel religieuze leiders het graag voorstellen, is op niets gebaseerd.

De verhoudingen zijn in Nederland niet anders. Minder dan een derde van de kamerleden behoort tot een religieuze politieke partij. De entree van de ChristenUnie in het kabinet is niet een voorbode van een nieuw ethisch reveil. Religieuze politiek is, hoe ferm ook geformuleerd, en hoe fatsoenlijk gepresenteerd, een achterhoedegevecht.

Nu is ‘religie’ een rekbaar begrip. ‘De ontkerkelijkte Nederlanders, de “ongebonden spirituelen”’, zegt de Raad, zijn ‘massaal op zoek naar nieuwe vormen van religieuze inspiratie.’ Daaronder vallen de ietsisten, de wicca’s, de tarotkaartleggers en zij die doen aan yoga en meditatie. Enkele tienduizenden Nederlanders hebben via Tellsell een Biostabil aangeschaft, een magneetje aan een kettinkje (zilver: Ä 119, goldplated: Ä 229). Het ding heeft geen medische werking. Moeten de dragers van de Biostabil nu als ‘religieus’ worden aangemerkt?

Je kunt op basis daarvan zeggen dat religie een comeback maakt. Je kunt ook zeggen: een flink deel van de bevolking laat zich nog altijd met kraaltjes en spiegeltjes en wierook voor de gek houden.

Slaat dat wrr-rapport dan helemaal nergens op? Neen. Er bestaat een grote groep buitenstaanders – twintig procent van de Nederlanders, zegt de wrr, oftewel dertig kamerzetels. Grof gezegd: de egocentrische botteriken, met een kort lontje en met wantrouwen tegen ‘de ander’ én tegen ‘de overheid’, of het nu scheidsrechters zijn of leraren dan wel conducteurs. Kortom, de a-socialen van de Tegenpartij. De wrr pleit ervoor dat de overheid iets doet aan de zingeving van deze groep, om een betere ‘burgerschapsstijl’ te ontwikkelen.

Dat is een probleem waarop de christelijke partijen in het nieuwe kabinet een handig antwoord denken te hebben. Maar de nederlaag van de liberale partijen bij de laatste verkiezingen toont aan dat die uitdaging voor de pvda nog groter is: het formuleren en uitdragen van een nieuw grass-roots idee van burgerschap.