Buitenland

Spitzen­kandidaten

Op de agrarische pronkmarkten in het Roemenië van Nicolae Ceausescu waren de uitgestalde groentes en fruit van hout. Het hout was beschilderd, op de promotiefoto’s en filmpjes leek het zo net echt. Onder Ceausescu leefden de meeste Roemenen in geselende armoede en uitzichtloze soberheid, net zoals op vele andere plekken in Oost-Europa. Van doen alsof kun je eten noch leven.

In Oost-Europa is de ervaring met die onvrijheid nog vers (jonger ook dan de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog). De striemen van de jarenlange kneveling zijn diep. Dit versterkt de hang naar tradities, die kan leiden tot hun blinde ophemeling, en alle gevaren die daarbij horen. Maar diezelfde Oost-Europeanen hebben waarschijnlijk ook een realistische antenne voor macht, en dan vooral voor die situaties waarin de macht misbruikt wordt om te doen alsof. In die gevallen reageren Oost-Europeanen met snijdende minachting en droeve gelatenheid. West-Europeanen zien daar regelmatig een gebrek aan beschaving in. Maar wellicht is het andersom.

De EU-brede opkomst voor de Europese-Parlementsverkiezingen in 2014 was 42 procent, een laagterecord. Oost-Europa was trendsetter. In Tsjechië kwam 18 procent op, in Slowakije 13 en in Hongarije, Polen en Roemenië respectievelijk, 29, 24 en 32 procent; allemaal heel veel lager dan in West-Europa. Het zijn ontluisterende cijfers, zeker in het licht van de hoop die de Europese integratie aanvankelijk bracht. Ze zeggen ook iets over het krediet dat de EU verspeeld heeft sinds de toetredingen van deze landen (in 2004 en 2007).

Dat is niet zomaar gebeurd. Toen de financieel-economische crisis toesloeg en de forint keihard onderuitging, bleken hypotheken in euro’s voor Hongaren als groentes van hout. Hetzelfde geldt voor het West-Europese klatergoud dat de boulevards van Praag, Warschau en Boekarest doet blinken, en voor de West-Europese ruilverkaveling van hun land op de Europese kapitaalmarkt.

Van doen alsof kun je eten noch leven

In het Europees Parlement (EP) is dit alles nauwelijks een thema. Het EP is bezig met de aanloop naar de verkiezingen van volgend jaar, inclusief een verregaande vorm van doen alsof: de prolongatie van het systeem van ‘Spitzenkandidaten’ (bij de verkiezingen van 2014 geïntroduceerd). Dit systeem wordt in en om het EP gezien als een meesterzet van EU-democratisering, ook al vertellen de opkomstcijfers iets anders. Hoe werkt het?

Via het systeem van Spitzenkandidaten claimt het EP, op basis van het Verdrag van Lissabon, dat de partij die de EP-verkiezingen wint de voorzitter van de Europese Commissie levert. Zo zou er echte Europese politieke strijd ontstaan, dichter bij de mensen ook, en de relevantie van het EP toenemen. Dit is risicovol wensdenken om tenminste drie redenen.

Eén: de opkomst in 2014 was lager dan ooit. Twee: de Spitzenkandidaten van de drie grootste partijen – de christen-democraten, de sociaal-democraten en de liberalen – bleken generatie-, sekse- en streekgenoten én doorgewinterde representanten van de Brusselse instituties: Jean-Claude Juncker, Martin Schulz en Guy Verhofstadt. Zij konden onmogelijk voor nieuw elan zorgen. En dat bleek meteen na de verkiezingen: ze waren vooral druk met het elkaar dekking geven in hun jacht op de baantjes. Drie: uiteindelijk werd de Commissie opgezadeld met Juncker als voorzitter, een uitgerangeerde politieke overlever. Zo incorporeerde zij een enorm (extra) geloofwaardigheidsprobleem vanuit het EP. De Commissie ontleent immers haar kracht aan haar rol als het institutioneel geheugen van de Europese integratie én (onafhankelijk) facilitator van Europese besluitvorming (tussen de lidstaten). Die rol is door de Spitzenkandidaat Juncker in woord en daad vertroebeld.

Het is stuitend om de Spitzenkandidaten te bestempelen als een succes. Toch gebeurt het. Dat is allereerst een ontkenning van de werkelijkheid, waarin de Europese democratie toch vooral een nationale aangelegenheid blijft. Daarnaast is het ook schadelijk voor het EP zelf. Dat bestaat bij gratie van een Brusselse realiteit, die Europeanen nog onvoldoende ervaren als verbonden met hun dagelijkse leven. Dat is problematisch.

Het is de verbinding met de nationale democratieën, en de samenlevingen die zij vertegenwoordigen, die de eerste prioriteit zou moeten zijn van het EP. Die verbinding moet échter. Alleen zo kan de belangrijke democratische sfeer van het EP levend blijven. Zij die dat echt willen, kunnen de Spitzenkandidaten, en hun charade met kwetsbare democratie, missen als kiespijn. In Oost-Europa hebben velen intussen hun conclusies al getrokken.