Oscars: Joaquin Phoenix en Philip Seymour Hoffman in The Master

Split screen

In zijn nieuwste film toont Paul Thomas Anderson ons de strijd tussen het beest en de meester. Of tussen gevoel en verstand. De boodschap is duidelijk: zo’n overzichtelijk onderscheid bestaat niet. Dat is beangstigend en geruststellend tegelijk.

Medium master

Mensen houden van overzicht. We delen de wereld graag op in paartjes van extremen waartussen een eenvoudige keuze gemaakt dient te worden: oud of jong, de Beatles of de Rolling Stones, Bassie of Adriaan, goed of fout, jij of ik. De menselijke ziel wordt al sinds de Oudheid opgesplitst in gevoel en verstand, een strikt gescheiden duo dat de dolende mens uit elkaar trekt. De westerse geschiedenis lijkt in een golfbeweging tussen ratio en irratio op en neer te deinen: van de redelijke Oudheid naar de hysterische Middeleeuwen, van de kennis minnende Verlichting naar de passionele Romantiek.

In The Master, de nieuwe film van Paul Thomas Anderson, komen we deze traditionele tegenpolen tegen in de personen van Freddie Quell (Joaquin Phoenix) en Lancaster Dodd (Philip Seymour Hoffman). Freddie heeft in Japan gevochten tijdens de Tweede Wereldoorlog. Samen met de andere mariniers viert hij op een zonnig strand de overwinning. De jolige, dronken mannen maken van zand een enorme vrouw met grote borsten, en Freddie steekt grappend een hand tussen haar benen. Het gelach verstomt wanneer hij boven op de zandvrouw klimt en haar begint te penetreren. De anderen vertrekken. Freddie gaat naast de pop liggen en slaat een arm om haar heen. We zien een getraumatiseerde, alcoholistische marinier, die niet kan aarden in het naoorlogse Amerika. Maar het gaat verder dan dat. Freddie is een onbeheersbaar beest; impulsen die anderen stroomlijnen of negeren, volgt hij blind. Hij brouwt zijn eigen cocktails, een mix van de beschikbare alcohol en willekeurige chemicaliën. Geobsedeerd door vagina’s en vol agressie raast hij door naoorlogs Amerika. We kijken hoofdschuddend toe.

Het is een opluchting als Dodd ten tonele verschijnt: een kalme, vriendelijke intellectueel, in wie we onszelf willen herkennen. Hij is de leider van The Cause (zijn volgelingen noemen hem respectvol ‘master’), een groep die gelooft dat mensen lijden onder trauma’s die hun ziel soms wel miljoenen jaren geleden heeft opgelopen. Door het oplossen van deze trauma’s kunnen mensen hun emoties definitief beheersen. Dodd is gefascineerd door de onstuimige Freddie en zijn vreemde brouwsels, en neemt hem op in zijn familie, met het doel hem te genezen.

Zo komen de tegenpolen met elkaar in aanraking. We verwachten een eenvoudige keuze. De meester zal het beest temmen, door hem de schoonheid van de menselijke zelfbeheersing te tonen. Of misschien overwint juist de rebelse romanticus, door zich los te maken van alle regels die onze moderne maatschappij hem oplegt. Of heel misschien ontstaat er een onverwachte vriendschap. Regisseur Paul Thomas Anderson benadrukt meermaals het contrast tussen beide heren door ze aan twee kanten van het scherm in beeld te brengen. Wanneer ze gearresteerd worden fungeert de muur tussen hun cellen – Freddie razend aan de ene, Dodd berustend aan de andere kant – als een split screen van de menselijke geest.

Maar is die scheiding wel zo helder? Naarmate de film vordert, loopt alles steeds meer door elkaar. Voor de kijker zijn beide mannen zowel afstotelijk als aantrekkelijk, en uiteindelijk weet je niet meer wie de gek is en wie de dokter. Freddie is een idioot, maar oprechter dan alle wanhopig nostalgische volgelingen van The Cause. Hij houdt van bevelen, terwijl hij eigenlijk niet te temmen is. Dodd is een rationele denker, maar heeft verschrikkelijke woede-uitbarstingen en zijn filosofie wordt almaar ongeloofwaardiger. De meester probeert de controle te behouden, maar laat zich langzaam verleiden door Freddie’s dierlijkheid en zijn mysterieuze brouwsels. Ze hebben elkaar nodig, maar kunnen ook niet samen zijn – wat geïllustreerd wordt wanneer ze in een liefdevolle vechtpartij over een grasveld rollen. Dodds ijzige vrouw (Amy Adams) moet de meester eraan herinneren (terwijl ze hem op zakelijke wijze aftrekt bij de wastafel) wie de baas over wie is.

Paul Thomas Anderson reageerde in interviews over The Master terughoudend of geïrri­teerd op de vele analytische vragen. Hij gaf aan dat zijn bedoelingen en interesses tijdens het vijf jaar durende schrijfproces (de regisseur begon vlak na zijn laatste film There Will Be Blood aan het scenario) voortdurend veranderden of samenvloeiden, en dat de acteurs ook veel invloed hadden op het eindresultaat. Ja, zo gaf hij toe, Lancaster Dodd en The Cause zijn geïnspireerd door Scientology-aartsvader L. Ron Hubbard en zijn Dianetics-beweging uit de jaren vijftig, maar de film heeft verder niets met deze moderne religie te maken. De theorieën van journalisten dwongen hem een associatief creatieproces te reduceren tot concrete, logisch verbonden onderdelen. Hij weigerde zo te ­denken.

Sinds zijn eerste film Hard Eight (1996) heeft Paul Thomas Anderson een fascinatie voor vader-zoon- of mentor-leerling-relaties gehad, die met elke film gecompliceerder werden. In zijn debuut nam een oude gokverslaafde een naïeve jongen onder zijn hoede, in Boogie Nights (1997) vond een door faam geobsedeerde tiener warmte bij een pornoregisseur en zijn entourage, in Magnolia (1999) bleek de vrouwenhaat van een self-help-goeroe voort te komen uit verdriet over een nalatige vader, en in There Will Be Blood (2007) adopteerde een kapitalistische oliebaron een zoon, die hij wegstuurt nadat de jongen doof geworden is. Deze laatste film vormde een omslagpunt in het oeuvre van Paul Thomas Anderson. Hij zoomde in en uit op de personages, zonder een duidelijke verhaallijn, wat benadrukt werd door de aritmische soundtrack van Radiohead-gitarist Jonny Greenwood.

In eerste instantie lijkt The Master eenduidiger dan zijn voorganger, maar de wederom aanwezige muziek van Greenwood voert ons mee in een steeds ingewikkelder verhaal. We delen onze ziel graag op in twee gescheiden compartimenten, en beelden ons een constante strijd in, waarbij ons verstand hopelijk onze emoties in toom zal houden. Maar The Master laat ons niet wegkomen met deze overzichtelijke en geruststellende tweedeling, ook al zijn de hoofd­personen nog zo duidelijk vertegenwoordigers van twee levensstijlen. In eerste instantie verwart dit ons, maar eigenlijk komt dit beter overeen met onze dagelijkse ervaringen. We denken een rationele beslissing te nemen als we Venz-hagelslag kopen, terwijl in feite onze emoties bespeeld zijn door een reclame. We huilen een uurtje tijdens onze zorgvuldig geplande afspraak met de psychiater. Alles loopt door elkaar.

Zo’n ambivalent verhaal kan alleen overtuigen wanneer het gedragen wordt door zeer kundige acteurs. Alle hoofdrolspelers van The Master werden dan ook genomineerd voor een Oscar (terwijl de film zelf en haar regisseur door de Academy genegeerd werden). Paul Thomas Anderson heeft sinds Magnolia een voorkeur voor acteurs die zichzelf niet of nauwelijks in de hand lijken te hebben. Voor There Will Be Blood bleef Daniel Day-Lewis maandenlang in zijn rol, en bulderde als een wervelstorm door de film. Van Tom Cruise kreeg je met terugwerkende kracht het idee dat zijn vertolking van de gestoorde übermacho in Magnolia een inkijkje gaf in zijn ware aard, zoals die later onder meer tijdens een beroemd optreden in de Oprah Winfrey Show naar boven kwam. Ook in The Master zien we twee grootmachten aan het werk. In een van hun eerste gezamenlijke scènes begint het fascinerende samenspel tussen Freddie en Dodd, of Phoenix en Hoffman. De meester onderwerpt zijn pupil aan een serie vragen, waarbij hij niet met zijn ogen mag knipperen. In een snelle wisseling tussen twee close-ups zien we hoe Freddie hysterisch lacht, liegt, scheten laat, zichzelf hard in het gezicht slaat en zich uiteindelijk blootgeeft, terwijl Dodd hem uitdaagt, bespeelt, liefkozend ‘a silly animal’ noemt, hem streng toespreekt en meelacht. Na de sessie drinken ze gebroederlijk van Freddie’s wonderdrankje.

Hoffman en Phoenix weten de tegenstrijdigheden van hun personages perfect te ­verbeelden. Hoffman kan met zijn lage stem en grote charme een hele kamer vol mensen in beroering brengen. Alles klopt aan Dodd, van zijn haar tot de zelfverzekerde tred waarmee hij langs zijn volgelingen loopt en handen schudt. Maar als op een feestje iemand hem kritische vragen stelt, zien we onder zijn intellectuele kalmte dezelfde agressie borrelen die hij bij Freddie probeert weg te nemen. Phoenix is zo’n acteur van wie je weet dat hij zichzelf in het dagelijks leven ook niet helemaal in de hand heeft. Hoffman wilde hem ook graag als tegenspeler, omdat er iets aan Phoenix was dat hem beangstigde. Phoenix’s vorige project was de mockumentary I’m Still Here (2010), waarin hij deed alsof hij een carrière als rapper ambieerde en ten onder ging, dik en met een vuistdikke baard. Vooral zijn warrige optreden in de talkshow van David Letterman veroorzaakte opschudding. Phoenix gaf later toe dat het project nep was, maar zei ook dat zijn verveling en het drankgebruik echt waren.

Phoenix’s vreemd knappe gezicht, met zijn inktzwarte haren, kromme neus en hazenlip, herbergt precies de mengeling van aantrekkingskracht en angstaanjagendheid die hem geschikt maakt voor de rol van Freddie. Hij mompelt zijn teksten door een opgetrokken hoek van zijn lip, en zijn lichaam zit voortdurend vol met spanning. Er werd niet gerepeteerd voor de opnamen, en Phoenix’s onvoorspelbaarheid gaf de film kracht, hoewel dit ook onpraktische kanten kende. Hij raasde regelmatig van de set af, de lampen in.

Uiteindelijk weten we niet voor wie van de twee we moeten kiezen. We herkennen ons in beide personages en vinden beiden afstotelijk. De boodschap is duidelijk: er is geen keuze, er is geen antwoord. Het overzichtelijke onderscheid verdwijnt, of heeft nooit bestaan. Dat is tegelijk een beangstigende en een prettige gedachte.

The Master draait nu in de bioscoop