Spoken

De kloof tussen politici en burgers bestaat helemaal niet, concluderen vijftig politicologen in een recent onderzoek. Waarom blijven we daar dan toch zo hardnekkig in geloven?

SPOKEN bestaan niet. Maar wat doe je als iemand er toch bang voor is? Die gedachte drong zich op toen vorige week op het Haagse Binnenhof met het dikke boekwerk Democratie doorgelicht de resultaten werden gepubliceerd van een studie van vijftig politicologen naar het functioneren van de Nederlandse democratie.Den Haag gelooft dan wel niet in spoken, maar wel in de kloof tussen politicus en kiezer. Die kloof bestaat echter niet, concluderen de politicologen. Is dat voldoende om het geloof erin uit de wereld te helpen?

Eerst even kort hoe de politicologen het bestaan van de kloof en daarmee samenhangende andere bijgeloven in hun studie ontkrachten. Het vele gepraat over de kloof is ingegeven door de verkiezingsuitslagen die laten zien dat kiezers steeds meer heen en weer bewegen tussen partijen. De kiezer zou niet weten wat hij wil en wispelturig zijn, wordt dan wel gezegd. Dat blijkt niet te kloppen. De kiezer springt wel vaker dan in de tijd van de verzuiling van de ene partij naar de andere, maar die keuze blijft ingegeven door vaste waardepatronen. Iemand springt in het stemhokje dus niet ineens van een partij met uiterst linkse sociaal-economische ideeën naar een uiterst rechtse partij.
Waarom dan toch al die kiezersbewegingen? Omdat de kiezers binnen hun waardespectrum kunnen kiezen uit meerdere partijen die in hun ideeën steeds dichter naar elkaar toe zijn geschoven. Met de polarisatie valt het, behalve in woorden, dus wel mee. Of tegen, zo u wilt, maar dat blijken de meeste kiezers dan niet met u eens te zijn, want die zijn met hun ideeën ook steeds dichter bij elkaar gekropen.

De kloof uitgelegd als een toenemend wantrouwen van de kiezer in de politiek bestaat ook niet. Sterker, het vertrouwen in zowel politici, politieke partijen als het functioneren van de democratie is zelfs enigszins gestegen.
Dan is er nog de verklaring dat er een kloof zou zijn omdat politieke partijen steeds minder de politieke opvattingen van de kiezers zouden representeren. Klopt al evenmin en ook hier is eerder sprake van het tegenovergestelde. In hun onderlinge concurrentiestrijd doen politieke partijen er juist veel aan om met hun ideeën zo goed mogelijk aan te sluiten bij de wensen van de kiezers. Dat was in de tijd van de verzuiling wel anders, omdat kiezers toen vanwege hun geloof of sociale klasse toch wel trouw op deze of gene partij stemden.
Voor alle 147 Tweede-Kamerleden die vorige week niet bij de presentatie van Democratie doorgelicht waren, dan nu de conclusie die de politicologen Rudy Andeweg en Jacques Thomassen in hun eveneens vorige week gepresenteerde boekje Van afspiegelen naar afrekenen uit bovenstaande trekken: de kiezer verstaat zijn democratische vak beter dan ooit. Dat u het in de oren knoopt. Niet meer zeuren over de kiezer, dus. Waarom is er dan toch dat geloof in de kloof? Vrij vertaald zeggen Andeweg en Thomassen dat dit geloof zo hardnekkig is omdat het een symptoom is van een ander probleem in de Nederlandse democratie. Met zijn heen en weer springende stemgedrag maakt de kiezer volgens hen zijn onvrede duidelijk met het gevoerde kabinetsbeleid. In ons representatieve politieke bestel heeft dat echter niet direct het gewenste gevolg. Een partij - zoals vorig jaar het CDA - kan immers gehalveerd worden en toch weer gaan regeren.

In de Verenigde Staten waar ze een meerderheidsstelsel hebben, heeft de stem van de kiezers wel een direct gevolg voor de samenstelling van de regering. Toen de Republikeinen na acht jaar George Bush de verkiezingen verloren, was de oppositie aan zet en mocht de Democraat Barack Obama gaan regeren.
Niet moeilijk te raden waar Andeweg en Thomassen voor pleiten, al is het niet direct voor een tweepartijenstelsel. Maar wel voor een democratie waarin de wil van de meerderheid telt. Daarom moeten we in Nederland volgens hen ook niet meer zo moeilijk doen over het gebrek aan dualisme bij regeringspartijen. Die zijn dan immers gekozen om hun beleid uit te voeren, minder om de kiezer in de Kamer te vertegenwoordigen. Daarom ook willen de twee politicologen hervormingen die ertoe moeten leiden dat de kiezer kan kiezen voor het wegsturen van het kabinet en het aan de macht brengen van de oppositie. Dat is echter juist het probleem, de oppositie bestaat niet, daarvoor is zij immers nu, maar ook tijdens het vorige kabinet te veel versnipperd en verdeeld.
Om aan die versnippering een einde te maken, komen Andeweg en Thomassen met een - weliswaar schuchter - pleidooi voor het opwerpen van een kiesdrempel. Kleine partijen, zoals de Partij voor de Dieren of de SGP, zouden dan nu geen afgevaardigden in de Kamer hebben.

Als bijdrage aan de discussie die Andeweg en Thomassen graag willen, hier een paar tegenargumenten. Zo is tegen hun voorstel in te brengen dat het Nederlandse politieke stelsel juist uitermate geschikt is om onderwerpen die de kiezers bezighouden maar die de bestaande politieke partijen onvoldoende oppikken op de agenda te krijgen. Het dierenleed is daar een voorbeeld van, maar ook de onvrede over het immigratie- en integratievraagstuk dat begin deze eeuw door Pim Fortuyn succesvol uit de taboesfeer werd getrokken.
Zonder kiesdrempel kan de moderne, geïndividualiseerde kiezer ook beter een partij vinden waar hij zich bij thuisvoelt. Je zou kunnen zeggen dat het juist vreemd zou zijn als de kiezer die zich niet meer, zoals vroeger, bij een collectief voelt horen door het politieke systeem gedwongen wordt zich alsnog te bekeren tot een links of rechts collectief. Wat als dat rechtse collectief zou worden overgenomen door iets als de Tea Party? Waar moet die kiezer dan heen? Overstappen naar het linkse collectief is dan een te grote stap, zo wispelturig is de kiezer immers niet.