Hoe na te denken over Islamitische Staat

‘Spoken regeren waar de goden zijn verdwenen’

Islamitische Staat wordt vaak ‘middeleeuws’ genoemd, maar in feite is de beweging heel modern: een afschuwelijke expressie van een wijdverbreide frustratie over een gemondialiseerd westers model dat vrijheid en voorspoed voor iedereen belooft, maar niet in staat is die te leveren.

De afgelopen maanden is in veel gebieden sprake geweest van geweldsuitbarstingen: oorlogen in Oekraïne en het Midden-Oosten, zelfmoordaanslagen in Xinjiang, Nigeria en Turkije, opstanden van Jemen tot Thailand, bloedbaden in Parijs, Tunesië en het zuiden van de Verenigde Staten. Toekomstige historici zouden een dergelijk ongecoördineerd wapengekletter heel goed kunnen beschouwen als het begin van de Derde – en de langste en merkwaardigste – Wereldoorlog. Er zijn zeker krachten aan het werk die groter en complexer zijn dan die in de voorgaande twee wereldoorlogen; zij overtreffen ons vermogen om ze te begrijpen, en zeker ons vermogen om de richting die ze nemen naar onze hand te zetten.

De eerdere consensus van direct na de Koude Oorlog – dat de burgerlijke democratie het raadsel van de geschiedenis zou hebben opgelost, en dat een mondiale kapitalistische economie zou uitmonden in wereldwijde voorspoed en vrede – ligt in duigen. Maar er zijn nog geen plausibele alternatieve vormen van politieke en economische organisatie in zicht. Een wereld die is georganiseerd ter wille van het spel van het individuele eigenbelang lijkt steeds vatbaarder voor manisch tribalisme.

In de steeds langer wordende spiraal van muiterijen van Charleston tot Centraal-India hebben de opstandelingen in Irak en Syrië onze aandacht gemonopoliseerd door hun snelle militaire overwinningen; hun exhibitionistische meedogenloosheid, vooral jegens vrouwen en minderheden, en, het belangrijkst, hun onbeschaamde verleiding van jonge mensen uit de steden van Europa en de VS. De mondialisering heeft overal de oudere vormen van gezag snel verzwakt, in de Europese sociaal-democratieën net zozeer als in de door Arabische despoten geregeerde staten, en een reeks onvoorspelbare nieuwe spelers op het toneel gebracht, van Chinese irredentisten en cyberhackers tot Syriza en Boko Haram. Maar de plotselinge verschijning van Islamitische Staat (Isis, inmiddels IS) in het Iraakse Mosoel vorig jaar, en het voortdurende onvermogen om haar expansie een halt toe te roepen of haar aantrekkingskracht te neutraliseren, zijn de duidelijkste tekenen van een algehele perplexiteit, vooral onder de politieke elites, die niet lijken te weten wat ze doen en wat ze teweeg brengen.

Door haar vermogen om een territorium met de omvang van Engeland binnen te vallen en te bezetten, groot enthousiasme onder jongeren los te maken in Pakistan, Gaza, Afghanistan, Nigeria, Libië en Egypte, en duizenden camp-volgelingen te inspireren, vertegenwoordigt IS een kwantumsprong ten opzichte van alle andere particuliere en door staten gesanctioneerde geweldscultussen. Maar we doen het niet goed als het gaat om het cognitieve probleem dit verschijnsel te duiden.

Voor Obama is IS een ‘terroristische organisatie, zonder enige twijfel’, die ‘we zullen vernederen en uiteindelijk zullen vernietigen’. Britse politici, die ondanks alle negatieve ervaringen hopen ‘indruk te maken op de inboorlingen met een vertoon van macht’, willen de Levant en Mesopotamië bombarderen. Een sensatiebeluste en van alle scrupules ontdane pers lijkt graag mee te willen gaan in hun ‘nobele leugen’: dat een militie uit het Midden-Oosten, die profiteert van de totale onbekwaamheid van haar plaatselijke tegenstanders, een ‘existentieel risico’ vormt voor een eilandfort dat zowel Napoleon als Hitler heeft weten te weerstaan.

De islamdeskundigen die op 9/11 hun winkeltjes openden, brengen hun waren steeds koortsachtiger aan de man, bijgestaan door theoretici die het hebben over de botsing der beschavingen, en andere intellectuele robots van de Koude Oorlog, die zijn geprogrammeerd om in binaire termen te denken (wij tegen hen, de vrije tegen de onvrije wereld, het Westen versus de islam) en hun vocabulaire te beperken tot woorden als ‘ideologie’, ‘dreiging’ en ‘generatiestrijd’. De vele pseudo-verklaringen – islamisme, islamitisch extremisme, islamitisch fundamentalisme, islamitische theologie, islamitisch irrationalisme – zorgen ervoor dat de islam meer dan ooit een concept lijkt op zoek naar inhoud, terwijl de haat en de vooroordelen tegen ruim anderhalf miljard mensen worden genormaliseerd.

In breed perspectief lijkt IS een product van een catastrofale oorlog – de Anglo-Amerikaanse inval in Irak. Het lijdt geen twijfel dat de grondslag voor deze beweging werd gelegd door de systematische verwoesting van dat land na ruim tien jaar van zware sancties en embargo’s. De ontmanteling van het Iraakse leger, de de-baathificatie en de Anglo-Amerikaanse steun aan de sjiitische overheersing van Irak hebben geleid tot de vorming van al-Qaeda in Mesopotamië, de voorloper van Isis. Veel lokale factoren kwamen samen om de opkomst van Isis vorig jaar mogelijk te maken: op wraak beluste soennieten; gereorganiseerde baathisten; de afhankelijkheid van het Westen van despotische bondgenoten (Al-Sisi, Al-Maliki) en het onsamenhangende Syrië-beleid; de cynische manoeuvres van Assad; het hoogmoedige neo-ottomanisme van Turkije, dat in zijn roekeloosheid louter lijkt te worden overtroffen door de daden van Saoedi-Arabië en de Golfstaten.

Het mislukken van de Arabische lente heeft ook een rol gespeeld. Tunesië, waar het allemaal is begonnen, heeft het grootste contingent buitenlandse jihadisten naar Irak en Syrië gestuurd. Alles bij elkaar zijn naar schatting zeventienduizend mensen, vooral jonge mannen, uit negentig landen naar Syrië en Irak afgereisd om hun diensten aan IS aan te bieden. Tientallen Britse vrouwen zijn erheen gegaan, ondanks het feit dat mannen van IS meisjes van tien jaar oud tot slaaf hebben gemaakt en hebben verkracht, en hebben verordonneerd dat islamitische meisjes tussen hun negende en zeventiende moeten trouwen en in afzondering moeten leven.

Het is niet moeilijk te begrijpen dat dichtbevolkte landen als Pakistan en Indonesië altijd een aanzienlijk aantal kandidaten herbergen voor goed betaald martelaarschap. Wat is echter de verklaring voor de aantrekkingskracht van een kalifaat op duizenden inwoners van betrekkelijk welvarende en stabiele landen, zoals de Londense schoolmeisjes die dit voorjaar naar Syrië afreisden?

Het is denkbaar dat IS als militair fenomeen kan worden vernederd en vernietigd. De beweging zou ook nog verder kunnen doorstoten, om vervolgens abrupt weg te vallen en daarna weer opnieuw op te rijzen (zoals al-Qaeda, dat in de afgelopen jaren diverse malen is vernederd en vernietigd). De staat kan zijn enorme macht gebruiken om paspoorten in te nemen, websites te sluiten en zelfs de indoctrinatie in ‘Britse waarden’ op scholen af te dwingen. Maar dit is geen goede manier om een dam op te werpen tegen wat een wereldwijde uitbraak van intellectueel en moreel separatisme lijkt.

Demagogen van ieder slag hebben de sluimerende reservoirs van cynisme en ontevreden- heid aangeboord
***

islamitische staat is slechts één van de vele bewegingen die van deze aanpak profiteren; demagogen van ieder slag hebben de sluimerende reservoirs van cynisme en ontevredenheid aangeboord. Hun toenemende succes en invloed zou ons er op z’n minst toe moeten aanzetten onze fundamentele aannames over orde en continuïteit sinds de politieke en wetenschappelijke revoluties van de negentiende eeuw opnieuw te onderzoeken – ons geloof dat de menselijke goederen die tot nu toe zijn verworven door een gelukkige minderheid door de steeds verder groeiende meerderheid die hier ook naar verlangt uiteindelijk kunnen worden verkregen. We moeten ons afvragen wat de moderne belofte van vrijheid en voorspoed nog waard is voor de miljoenen jongeren die over de hele wereld hun erfenis in ontvangst nemen. Zijn zij er niet toe gedoemd, zoals vele anderen in het verleden, om te blijven hangen tussen een gevoel van ontoereikendheid en wraakfantasieën?

Nadat hij in 1862 uit Europa naar Rusland was teruggekeerd, begon Dostojevski voor het eerst gedurende langere tijd de uiterst moderne kwelling van de wrok te onderzoeken, die de vrouwenhaters op Twitter vandaag de dag net zozeer tentoonspreiden als de potentiële rekruten van IS. Sinds Poesjkin hadden Russische schrijvers al de bijzondere psychologie van de ‘overbodige’ mens in een semi-westerse samenleving onderzocht: opgevoed met een gevoel van hoop, maar op drift geraakt door de beperkende omstandigheden en blootgesteld aan gevoelens van zwakheid, inferioriteit en jaloezie. Rusland heeft tijdens zijn pogingen om het Westen in te halen veel van zulke geestelijk losgeslagen jonge mannen voortgebracht, behept met een aan Byron ontleend beeld van de vrijheid, verder opgeblazen door het Duitse idealisme, maar gedwarsboomd door de zeer weinig belovende omstandigheden om dit alles in te verwezenlijken.

Roedin, in Toergenjevs gelijknamige roman, wil zichzelf graag ‘volledig, gretig en totaal’ aan iets overgeven; hij eindigt dood op een Parijse barricade in 1848, nadat hij zichzelf heeft opgeofferd voor een zaak waar hij niet helemaal in geloofde. Het was echter Dostojevski die het scherpst zag hoe individuen, getraind om te geloven in een verheven notie van persoonlijke vrijheid en soevereiniteit, en vervolgens geconfronteerd met een werkelijkheid die dit soort verlangens meedogenloos afstrafte, uit de verlammende ambivalentie konden breken door zich over te geven aan gratuite moordpartijen en paranoïde opstandigheid.

Zijn inzichten in deze noodlottige kloof tussen theorie en praktijk van het liberale individualisme deed hij op tijdens zijn reizen in West-Europa – de oorspronkelijke plek van de grootste sociale, politieke en economische revolutie in de menselijke geschiedenis, en het grote voorbeeld van zijn ideaal van individuele vrijheid voor de hele mensheid. Tegen het midden van de negentiende eeuw was Groot-Brittannië de paradigmatische moderne staat en samenleving geworden, die zijn zinnen stevig had gezet op industriële welvaart en commerciële expansie. Tijdens een bezoek aan Londen in 1862 besefte Dostojevski al snel het wereldhistorische belang van waar hij getuige van was. ‘Je wordt je bewust van een enorm idee’, schreef hij na een bezoek aan de Internationale Tentoonstelling, waar een alles veroverende materiële cultuur tentoon werd gespreid: ‘Je voelt dat er grote, eeuwige ontkenning en geluk voor nodig is om je niet over te geven, niet te capituleren voor wat je ziet, niet te buigen voor wat is, en Baal niet te verafgoden – dat wil zeggen, de materiële wereld niet te aanvaarden als je ideaal.’

Volgens Dostojevski was de tol voor zoveel pracht en praal een samenleving die gedomineerd wordt door de oorlog van allen tegen allen, waarin de meeste mensen tot de status van verliezers zijn veroordeeld. In Parijs merkte hij op sarcastische wijze op dat de vrijheid louter voor miljonairs bestond. De notie van gelijkheid voor de wet was een ‘persoonlijke belediging’ voor de armen die waren blootgesteld aan de Franse justitie. En ook de broederschap was een aanfluiting in een samenleving die werd gedreven door ‘individualistische, isolationistische instincten’ en de hang naar privé-eigendom.

Dostojevski diagnosticeerde het nieuwe project van de menselijke bevrijding aan de hand van de verwondering en de bitterheid van mensen die pas in een laat stadium hun intrede in de moderne wereld hadden gedaan, en hoopten hun voordeel te kunnen doen met de duidelijk succesvolle ideeën en methoden daarvan. Voor deze naïeve laatkomers was de kloof tussen individuele bevrijding en het gebrek aan beschikbare middelen in hun barbaarse sociale orde het grootst. De zichzelf hatende kantoorbediende in Aantekeningen uit het ondergrondse vertegenwoordigt de mens die zich er pijnlijk van bewust is dat een vrije morele keuze onmogelijk is in een wereld die steeds verder aan banden wordt gelegd door de instrumentele rede. Hij droomt voortdurend en tevergeefs van wraak op zijn sociale meerderen. Raskolnikov, de ontwortelde voormalige rechtenstudent in Misdaad en straf, is de psychopaat van de instrumentele rationaliteit, die met quasi-logische redenen op de proppen komt voor alles wat hij verlangt. Nadat hij een oude vrouw heeft vermoord, ontleent hij de filosofische rechtvaardiging daarvoor aan de meest gevierde nationalist en imperialist van zijn tijd, Napoleon: een ‘ware meester, die alles mag’.

***

De bloedige drama’s van deze politieke en economische achterop-blijvers lijken misschien ver verwijderd van het liberaal-democratische Groot-Brittannië. De vroege en beslissende winnaar in het spel van de moderne geschiedenis heeft veel van zijn burgers een bewonderenswaardige hoeveelheid zekerheid, stabiliteit en waardigheid kunnen brengen. De kortzichtige visie op de moderne geschiedenis als een conflict dat zich in wezen afspeelt tussen een open samenleving en haar vijanden (de liberale democratie versus het nazisme, het communisme en de islam) kan binnen de ononderbroken omheining van Groot-Brittannië (en de VS) juist lijken. Het is geen onzin om te beweren dat de innovaties en het mondiale bereik van Groot-Brittannië het licht van de rede naar de verste uithoeken van de aarde hebben verspreid. Groot-Brittannië heeft de moderne wereld gemáákt, in die zin dat de krachten die het heeft helpen opkomen – technologie, economische organisatie en wetenschap – een maalstroom hebben gevormd waardoor nog steeds miljoenen levens worden overweldigd.

Maar dit is ook de reden dat de prestaties van Groot-Brittannië niet los kunnen worden gezien van hun dubbelzinnige gevolgen elders. De schuld geven aan de islamitische theologie, of zich fixeren op de weerzinwekkende retoriek van IS, kan onmisbaar zijn voor het bereiken van een bepaald soort morele zelfbetovering en het versterken van onze superioriteitsovertuigingen: wij, liberaal, democratisch en rationeel als we zijn, verschillen in alles van deze barbaren. Maar oefeningen in het rechten van onze rug kunnen het feit niet verdonkeremanen dat de geschiedenis van Groot-Brittannië lange tijd op één lijn heeft gelegen met die van de wereld die het land heeft geschapen, en tot die wereld behoren ook zijn klaarblijkelijke vijanden in Europa en daarbuiten. Ongeacht wat het ‘eilandverhaal’ beweert, de geloofssystemen en instellingen die Groot-Brittannië heeft geïnitieerd – een mondiale markteconomie, de natiestaat, de utilitaire rationaliteit – hebben eerst een langdurige noodtoestand in Europa veroorzaakt, voordat ze de oudere werelden van Azië en Afrika beroerden.

De terugkerende crises kunnen verklaren waarom een hele reeks figuren, van William Blake tot Mahatma Gandhi, en van Simone Weil tot Yukio Mishima, op opmerkelijk overeenkomstige wijze hebben gereageerd op de opkomst van de industriële handelssamenleving, en op het ongekende fenomeen dat alles wat vast lijkt te staan in rook opgaat, in heel Europa, Azië en Afrika.

Vrouwen die een prominente rol krijgen in de publieke sfeer zijn een bron van onvrede voor mannen in de hele wereld die zich bedreigd voelen

‘Spoken regeren waar de goden zijn verdwenen’, schreef Schiller, die het uitmonden van het ‘heilige gevoel’ in nationalisme en politieke macht betreurde. Angst voor morele en spirituele achteruitgang, en sociale chaos, was ook een gemeenplaats in veel negentiende-eeuwse Britse geschriften. ‘De rijken zijn rijker geworden, en de armen zijn armer geworden; en het schip van de staat wordt tussen de Scylla en Charibdis van anarchie en despotisme gedreven’, schreef Shelley in 1821, waarbij hij de ongelijkheid en de wanorde weet aan het ‘ongeremd gebruik van het vermogen om te rekenen’. Coleridge, die ‘een verachtelijke democratische oligarchie van gladde economen’ veroordeelde, vroeg zich af: ‘Is de groei van het aantal welgestelde individuen wat moet worden verstaan onder de “wealth of the nation”?’ Dickens heeft veel baat gehad bij Carlyle’s wanhopige idee van kasbetalingen als de ‘enige band’ die tussen mensen bestaat. D.H. Lawrence schrok terug voor ‘het platte dwingen van alle menselijke energie in een concurrentieslag van pure acquisitie’. De bekendheid met deze Britse geschriften heeft bijgedragen aan de vorming van Marx’ denkbeelden over een proletariaat, dat door de ongelijkheid en de vernederingen van het industriële kapitalisme tot een revolutionaire verlossing van het menselijk bestaan werd geleid.

De feitelijke revoluties en opstanden deden zich echter voor buiten Groot-Brittannië, waar het liberale individualisme, het product van een gevestigde samenleving met vaststaande sociale structuren, geen antwoord leek te hebben op de nood van de ontwortelde massa’s die in ellendige omstandigheden in de steden leefden. Dit onvermogen inspireerde aanvankelijk culturele nationalisten, socialisten, anarchisten en revolutionairen door heel Europa, voordat het een vruchtbare voedingsbodem bleek voor veel antikoloniale bewegingen in Azië en Afrika. Bij wijze van ironie van de moderne geschiedenis, die tot op de dag van vandaag van toepassing is, heeft de zoektocht naar een nieuwe morele gemeenschap voortdurend onverwachte en vileine vormen aangenomen. Maar vervolgens zorgden de ontheemding en de trauma’s die werden veroorzaakt door de industrialisatie en de verstedelijking voor de groei van ‘Blut und Boden’-ideologieën, zelfs in het verlichte West-Europa.

‘De weg van de moderne cultuur’, klaagde de Oostenrijkse schrijver Franz Grillparzer ooit, ‘leidt van de menselijkheid via nationaliteit naar bestialiteit.’ Hij stierf te vroeg (in 1872) om een ander markeringspunt op weg naar de barbarij te zien: het moderne Europese imperialisme, waarvan de humanitaire retoriek – net als een van zijn vertegenwoordigers, Joseph Conrads Kurtz – ‘hol van binnen’ was.

In Azië gingen de gebruikelijke ontwrichtingen van een industrieel handelssysteem dat politieke grenzen overstijgt en de economische zelfvoorzienendheid vernietigt, waardoor individuen tot slaven van onpersoonlijke krachten werden gemaakt, vergezeld van een racistisch imperialisme. De vroege slachtoffers en tegenstanders van deze ultra-agressieve moderniteit waren plaatselijke elites die hun verzet organiseerden rond traditionalistische loyaliteiten en fantasieën over het terughalen van een verloren gegaan gouden tijdperk – ontwikkelingen die zichtbaar waren in de Bokseropstand in China en in de vroeg-negentiende-eeuwse jihads tegen de Britse heerschappij in India.

Premoderne politieke leiders, lang geleden vervangen door in het Westen opgeleide mannen en vrouwen die John Stuart Mill citeerden en individuele rechten eisten, bestaan niet meer en kunnen ook niet meer bestaan, hoe ‘islamitisch’ hun theologie ook mag lijken. Zij keren vandaag terug als parodie – en er is veel dat louter camp is aan een zelfbenoemde kalief met een Rolex-horloge en een Indiase, op een programma van de wederopleving van het hindoeïsme gekozen premier, die gekleed gaat in een Savile Row-pak van vijftienduizend dollar met gepersonaliseerde krijtstrepen. De verspreiding van de geletterdheid, de verbeterde communicatie-infrastructuur, de groeiende populaties en de verstedelijking hebben Azië en Afrika tot in de verste uithoeken veranderd. Het verlangen naar zelfverwezenlijking via materieel succes domineert de bestaande geestelijke idealen van traditionele religies en culturen volledig.

IS probeert wanhopig het vroege ideologische antagonisme tussen het imperialistische moderne Westen en zijn traditionalistische vijanden te doen herleven. Een recent nummer van haar tijdschrift Dabiq haalt goedkeurend de ‘wij-tegen-hen’-uitspraak van George W. Bush aan, die erop hamerde dat er geen ‘Grijze Zone’ bestaat in de heilige oorlog. Verlangend naar intellectueel en politiek prestige ontvangen de diy-jihadisten behulpzame aanmoedigingen van de zelf-uitgeroepen paladijnen van het Westen. Botsend in de nacht versterken de onwetende legers der ideologen elkaars gekoesterde zelfbeeld met de authenticiteit waarnaar zij verlangen. Maar hun grotendeels uit de lucht gegrepen tegenstellingen verdwijnen als sneeuw voor de zon zodra we beseffen dat veel geweld vandaag de dag voortkomt uit een opgeblazen en voortdurend gedwarsboomd verlangen naar convergentie en gelijkschakeling, en niet zozeer uit religieuze, culturele en theologische verschillen.

***

De opkomst van de mondiale economie in de negentiende eeuw en het feit dat een klein eiland daardoor tot grote hoogte kon stijgen hebben geleid tot een explosie van het verlangen tot nabootsing, van West-Europa tot aan Japan. Sindsdien heeft een gevoel van onmacht en door een zucht naar compensatie gedreven culturele trots de zwakkeren en gemarginaliseerden er routinematig toe gebracht hen aan te vallen die sterker lijken dan zij, terwijl ze er stiekem op hopen hun voordelen te kunnen delen. Woede om de vernedering en machteloze jaloezie kenmerken de islamitische opstandelingen en de hindoeïstische fanatici vandaag de dag net zozeer als dat zij de militaristische Japanners deden hameren op hun unieke geestelijke waarden. Het is zeker geen esoterische dertiende-eeuwse hadith die IS zo graag de moderne westerse technologieën van de oorlogvoering, revolutie en propaganda doet omarmen – en met name, zoals het moorddadige dandyisme van Jihadi John aantoont, het gemediatiseerde ‘shock-and-awe’-geweld van het Westen.

Er is niets opmerkelijks aan het feit dat de grootste groep buitenlandse strijders in Irak en Syrië afkomstig is uit Tunesië, het meest westerse van de Arabische landen. Grootschalig onderwijs, een economische crisis en een ongevoelige overheid hebben lange tijd een vruchtbare bodem gelegd voor de cultussen van autoritarisme en geweld. De machteloosheid en het gevoel van deprivatie worden vandaag de dag verscherpt doordat je, dankzij de digitale media, je leven voortdurend kunt vergelijken met het leven van de gelukkigen (vooral vrouwen die tot de beroepsbevolking zijn toegetreden of een prominente rol krijgen in de publieke sfeer: een gemeenschappelijke bron van onvrede voor mannen in de hele wereld die zich bedreigd voelen). Het frustratiequotiënt is het hoogst in landen met een grote populatie goed opgeleide jonge mannen, die meervoudige shocks en ontheemdingen hebben ondergaan in hun transitie naar de moderniteit en toch niet in staat zijn invulling te geven aan de belofte van zelfontplooiing. Voor velen van hen is de tegenstelling die Dostojevski al onderkende tussen extravagante beloftes en magere middelen ondraaglijk geworden.

Het ‘heilige gevoel’ – de traditionele basis van religies, waarbij nederigheid en zelfbeheersing komt kijken – is verwaterd, ook al zitten de kerken, moskeeën en tempels nog steeds vol. De spoken van de macht regeren zonder enige beperking waar de goden het hebben laten afweten. Hun triomf maakt gehakt van de middeleeuws-moderne as waarlangs jihadisten die op Instagram in Halloween-kostuums rondwaren nog steeds worden gemeten. Zo uitgebreid is de onderdrukking van premoderne geestelijke en metafysische tradities dat het lastig is zich hun wederopstanding voor te stellen, laat staan de restauratie, op een noodzakelijkerwijs grote schaal, van een niet-instrumentele kijk op het menselijk leven (en de veel misbruikte wereld van de natuur). Maar er lijken ook geen politieke ontsnappingsroutes te zijn uit de gruwelijke cyclus van vergeldingsbombardementen en onthoofdingen.

In de vroege twintigste eeuw ging voor veel mensen de keuze tussen socialisme en barbarij – een beroemde uitspraak van Rosa Luxemburg. De Duitse denker sprak op het moment dat het historische drama van de negentiende eeuw – revolutie, nationalisme, staatsvorming, economische expansie, wapenwedlopen, imperiale uitbreiding – een desastreuze ontknoping beleefde in de Eerste Wereldoorlog. De keuze heeft in de eeuw daarna minder helder geleken. De nabootsende imperialismen van Japan en Duitsland, twee rancuneuze laat-moderniseerders in de schaduw van Groot-Brittannië, speelden op catastrofale schaal het conflict uit dat was ingebouwd in de kapitalistische orde. Maar socialistische staten, die menselijke samenlevingen wilden bouwen op samenwerking in plaats van op rivaliteit, produceerden hun eigen groteskheden, zoals werd gedemonstreerd door Stalin en Mao, en talloze regimes in de gekoloniseerde wereld die uit waren op moreel voordeel vis-à-vis hun westerse overheersers door zich te richten op zowel gelijkheid als welvaart.

Islamitische Staat is de behendigste van alle marktkooplui in de bloeiende internationale economie van de malaise

Sinds 1989 is de energie van het postkoloniale idealisme tegelijk met die van het socialisme verbleekt als economisch en ethisch alternatief. De ongebreidelde mondialisering van het kapitaal heeft meer delen van de wereld geannexeerd in een uniform patroon van verlangen en consumptie. De democratische revolutie van de ambitie, waar De Tocqueville begin negentiende eeuw getuige van was, verspreidde zich over de wereld en maakte overal het verlangen los naar welvaart, status en macht, zelfs in de minst veelbelovende omstandigheden. Het concept van gelijke kansen, waarbij talent, educatie en hard werken worden beloond door individuele mobiliteit, hield na 1989 op een exclusief Amerikaanse illusie te zijn. Het verspreidde zich zelfs naarmate de structurele ongelijkheid zich verder verschanste.

***

In de neoliberale fantasie van het individualisme werd iedereen verondersteld een ondernemer te zijn, die zichzelf steeds opnieuw traint en opnieuw uitvindt in een dynamische economie, voortdurend alert op de technologische veranderingen die zich daarin voordoen. Maar het kapitaal beweegt zich voortdurend over nationale grenzen heen, op zoek naar winst, en veegt vaardigheden en normen die verouderd zijn geraakt door toedoen van de technologie in de vuilnisbak van de geschiedenis; nederlagen en vernederingen zijn doorsnee-ervaringen geworden bij de veeleisende inspanningen van de bevrijding van het individuele zelf.

Veel mensen die deel uitmaken van het zogenoemde ‘precariaat’ beseffen vandaag de dag maar al te goed dat er niet zoiets bestaat als een ‘gelijkwaardig speelveld’. Het aantal jongeren dat is veroordeeld tot de wachtkamer van de moderne wereld, een uitgebreide versie van ‘Calais’ qua hopeloosheid, is in de afgelopen decennia exponentieel gegroeid, vooral in de jonge samenlevingen van Azië en Afrika. De aantrekkingskracht van de formele en informele afscheiding – de mogelijkheid, grofweg, om grotere controle te verkrijgen over je eigen leven – is van Schotland tot Hongkong toegenomen, tot buiten de behendige separatistische elites met hun meervoudig staatsburgerschap en buitenlandse bankrekeningen aan toe. Steeds meer mensen voelen de kloof tussen de extravagante beloften van individuele vrijheid en soevereiniteit, en het onvermogen van hun politieke en economische organisaties om die te verwezenlijken.

Zelfs in het land dat uitdrukkelijk is vormgegeven om deze beloften te vervullen – de Verenigde Staten – wemelt het van de boze desillusies over de verschillen tussen rassen en klassen. Een gevoel van slachtofferschap maakt zich zelfs kenbaar onder betrekkelijk bevoorrechte blanken, zoals blijkt uit de populaire kandidatuur van de rancuneuze Donald Trump. Na decennia van meedogenloze en inmiddels onoverkomelijke ongelijkheid vormt de onthulling van langdurig systematisch geweld tegen Afrikaanse Amerikanen een uitdaging aan het adres van een paar belangrijke nationale mythen en vroomheden. In een democratie die werd gesticht door rijke slaveneigenaren en kolonialistische ‘settlers’, en die werd uitgehold door plutocraten, blijken veel burgers nooit gelijke kansen te hebben gehad. Dit roept een vraag op die dwars door decennia van liberale dubbelzinnigheid heen snijdt – over de wreedheden van een politiek systeem dat zich ten doel stelt de particuliere geldbelustheid te faciliteren. ‘Hoe een democratie in te richten’, zo schrijft Ta-Nehisi Coates in zijn verbijsterende nieuwe boek, ‘die los staat van het kannibalisme?’

En toch hebben de voor de hand liggende morele zwakheden van het kapitalisme dit systeem politiek niet kwetsbaar gemaakt. In het Westen wordt het aan flarden scheuren van nationale mythen en het verlies van legitimiteit door de heersende elites beantwoord met het opkloppen van de angst voor minderheden en immigranten – een verraderlijke campagne die zich voortdurend voedt met de vijandigheid die ze zelf opwekt. Deze gepamperde profiteurs van een onrechtvaardige orde zijn er ook als de kippen bij om de sporadische dissident binnen eigen gelederen buiten te sluiten, zoals blijkt uit het geval van Griekenland. De Chinese, Russische, Turkse en Indiase leiders, die eveneens op productieve wijze hun op natiebouw gerichte ideologieën aan het oppoetsen zijn, hebben zelfs nog minder redenen om zich te verzetten tegen een mondiaal economisch systeem dat hen heeft geholpen zichzelf te verrijken, evenals hun handlangers en bondgenoten.

Xi Jinping, Modi, Poetin en Erdogan sluiten eerder aan in de rij Europese en Japanse demagogen die op de vele crises van het kapitalisme hebben gereageerd met oproepen tot eenheid in het zicht van interne en externe dreigingen. Europees of Amerikaans imperialisme is – nog – geen haalbare kaart voor ze; in plaats daarvan halen ze op riskante wijze chauvinistisch nationalisme en grensoverschrijdend militarisme van stal als uitlaatklep voor binnenlandse spanningen. Ze doen tevens een beroep op ouderwets nationalisme voor hun groeiende populaties ontwortelde burgers, die verlangen naar gemeenschapsgevoel als ook naar materiële welvaart. Hun zelf-legitimerende verhalen zijn noodzakelijkerwijs hybride van aard: Mao-plus-Confucius, de Heilige Koe-plus-Smart Cities, neoliberalisme-plus-islam, poetinisme-plus-orthodox christendom.

***

Ook Islamitische staat biedt eerder een postmoderne collage dan een samenhangende geloofsbelijdenis. Voortgekomen uit de ruïnes van twee natiestaten die ten onder zijn gegaan in sektarisch geweld brengt IS de fantasie aan de man van een moreel onbevlekt en transnationaal kalifaat. In werkelijkheid is IS de behendigste van alle marktkooplui in de bloeiende internationale economie van de malaise: de meest vindingrijke van al diegenen die de veiligheid van een collectieve identiteit bieden aan geïsoleerde en angstige individuen. IS belooft, samen met anderen die raciale, nationale en religieuze suprematie in de aanbieding hebben, een ontlading van de bezorgdheid en de frustraties van het privé-leven in het geweld van het mondiale. Maar anders dan haar concurrenten kanaliseert IS de wrok van velen in een militante rebellie tegen de status-quo.

IS steekt de draak met de imperatief van dit ondernemingsgezinde tijdperk om een aantrekkelijke persoonlijkheid uit te stralen, door snuff-video’s te posten op de sociale media. Tegelijkertijd houdt de beweging er een strenge bureaucratie op na, die zich bezighoudt met het opzetten van een ordentelijke reinigingsdienst en een systeem om belasting te innen. Sommige leden van IS loven de geestelijke adeldom van de Profeet en de vroegste kaliefen. Anderen belijden via hun massaverkrachtingen, in scène gezette moorden en rationele zelfrechtvaardiging een primaire trouw aan het nihilisme – die kenmerkend moderne en verraderlijk algemene doctrine die het hedendaagse Raskolnikovs onmogelijk maakt zichzelf iets te ontzeggen, en het mogelijk maakt alles te rechtvaardigen.

Het gedaanteverwisselingsaspect van IS is nauwelijks ongebruikelijk in een wereld waarin ‘liberalen’ zich ontpoppen tot oorlogshitsers en ‘conservatieven’ met revolutionaire vrijemarkt-hervormingen op de proppen komen. Intussen stellen technocraten voor om vluchtelingenboten te bombarderen, terwijl ze de werkgelegenheid om zeep helpen en in de sociale voorzieningen snijden, en daarmee hele samenlevingen en generaties in de ellende storten, en slepen ze ongekende bevoegdheden in de wacht om mensen gevangen te zetten en te bespioneren.

Je kunt uiteraard blijven vasthouden aan de rationaliteit van de liberale democratie tegenover het ‘islamitisch irrationalisme’, terwijl je eindeloze oorlogen in het buitenland voert en de burgerlijke vrijheden in eigen land aan je laars lapt. Zo’n concept van liberalisme en democratie zal echter niet alleen zijn onvermogen duidelijk maken om de burgers op verstandige wijze te vertegenwoordigen, het zal ook opnieuw de vraag over de intellectuele en morele legitimiteit relevant maken die T.S. Eliot al in de duistere tijd van 1938 aan de orde stelde, toen hij zich afvroeg of ‘onze samenleving, die altijd zo overtuigd is geweest van haar superioriteit en rechtschapenheid, en zoveel vertrouwen heeft gehad in haar onbeproefde uitgangspunten, rond iets permanenters was gebouwd dan een verzameling banken, verzekeringsmaatschappijen en bedrijven’ en of die samenleving wel ‘over een geloof beschikte dat essentiëler was dan het geloof in de rentevoet en het behoud van dividend’.

Vandaag de dag lijkt het erop dat de ongebreidelde uitoefening van het vermogen om te rekenen onverschilliger staat tegenover gewone levens en hun behoefte aan geloof en toverkunst. De politieke impasses en economische schokken in onze samenlevingen en het onherstelbaar beschadigde milieu bevestigen de somberste ideeën van negentiende-eeuwse critici die het moderne kapitalisme veroordeelden als een harteloze machinerie voor economische groei, of voor de verrijking van weinigen, hetgeen indruist tegen zulke fundamenteel menselijke aspiraties als stabiliteit, gemeenschapszin en een betere toekomst. IS ontleent – net als vele andere, soortgelijke bewegingen – haar aantrekkingskracht aan een onsamenhangend geheel van ideeën, waaronder ‘democratie’ en ‘individuele rechten’, waarmee velen nog steeds de ideologische verdedigingslinies trachten te versterken van een overduidelijk disfunctioneel systeem.

De tegenstrijdigheden en kosten van de vooruitgang van een kleine minderheid, lang onder de oppervlakte gehouden door ontkenningen en agressieve onwaarheden, zijn zichtbaar geworden op planetaire schaal. Ze leiden tot het vermoeden – dat potentieel dodelijk is onder de honderden miljoenen jongeren die veroordeeld zijn tot overbodigheid – dat de huidige orde, democratisch of autoritair, is gegrondvest op macht en bedrog; ze leiden tot een apocalyptische en nihilistische stemming die breder en wispelturiger is dan waar we tot nu toe getuige van zijn geweest. Professionele politici en hun intellectuele dienaren zullen ongetwijfeld blijven mekkeren over ‘islamitisch fundamentalisme’, het ‘westers bondgenootschap’ en ‘full-spectrum response’. Er zal echter veel radicaal denken nodig zijn als we willen voorkomen dat de huidige wrok zich ontwikkelt tot nog grotere inferno’s.


Pankaj Mishra is een Indiase schrijver en essayist. Hij publiceerde onder meer An End to Suffering: The Buddha in the World (2004) en Temptations of the West: How to be Modern in India, Pakistan and Beyond (2006). Voor een profiel van hem zie: groene.nl. Dit essay verscheen oorspronkelijk in The Guardian. Vertaling: Menno Grootveld