De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

Kunst op komst - Seizoen ‘15/'16 - Klassieke Muziek

Spontane eruptie van zanglust

Ik zou in het Amsterdamse Muziekgebouw graag Matthias Goerne Schuberts Schöne Müllerin en Schwanengesang horen zingen. De Duitse bariton is een van de weinige liedzangers die nooit te veel worden.

Bij Goerne klinkt elk lied, al was het Schönberg, als een volkslied, een spontane eruptie van zanglust.

Dat is vreemd en uitzonderlijk omdat in de Europese romantiek met weinig genres zo geforceerd wordt omgesprongen als met de romantische liedkunst. Die is vervuild door overinterpretatie, de overtrokken tekstvoordracht die de oudere Dietrich Fischer-Dieskau naar een afschrikwekkend hoogtepunt heeft gevoerd. De verkeerde zangers dragen vroegromantische kitschgedichten over herfst, liefde en dood voor alsof ze de Duineser Elegien van Rilke onder handen hebben. IJdele overkill. Ook vreemd is dat Goerne’s interpretatiekunst minder spontaan is dan ze lijkt. Hij blijft in tekstbegrip en tekstuitbeelding niet bij zijn pedantere collega’s achter, hint subtiel naar de dubbele bodems van een Dichterliebe of een Winterreise – maar hij loopt op de een of andere manier er niet in.

Goerne is enerzijds muzisch recht door zee in de traditie van Duitse natuurzangers als Hermann Prey en Fritz Wunderlich – vol in de klank en geen gedonderjaag –, anderzijds minder recht uit het hart dan je op het eerste gehoor dacht. Hij cultiveert de intensiteit van de afstand. Je zult hem niet hysterisch in de huid zien kruipen van Schuberts lost souls, hij volgt hun gangen met een intensief verhalend medeleven in de indirecte rede. Zijn raamwerk is de lyrische beschouwelijkheid van Schuberts tekstdichters.

Hij heeft mee dat hij over wonderbaarlijk materiaal beschikt, dat emoties niet hoeft te vergroten. Er zijn zangers met meer en minder stem, bij Goerne kan de hele man erin. Dat geluid is een zware wijn met een lichte afdronk, robuust genuanceerd; het draagt op halve kracht haast chill de kathedrale fijnheid van een Winterreise. Hij is bovendien meerdere zangers tegelijk; hij heeft een bas, een bariton en een tenor op zijn palet, die hij traploos in elkaar laat overgaan. De musicus is zo universeel als de stem. Hij kan van Bach tot Rihm alles aan en de muziek lost in hem op als een pot inkt in een rivier.

Bovendien heeft hij Hanns Eisler gered. Met zijn Decca-uitgave van Eislers Hollywood Songbook en zijn recente opname van Eislers hartverscheurende Ernste Gesänge heeft hij een verantwoordelijkheidsgevoel getoond dat ik de Schubert-habitués onder zijn vakbroeders niet snel zie nadoen. Dankzij Goerne staat nu vast dat Eisler met Schubert, Schumann, Wolf en Berg tot de grootste liedcomponisten van het Duitse taalgebied behoort. En wat treurig eigenlijk dat we tot hem op die ontdekking moesten wachten.

Matthias Goerne treedt op 22 en 24 september op in het Amsterdamse Muziekgebouw aan ’t IJ