Spook

Toen het bericht mij midden in mijn Provençaalse vakantie bereikte, kon ik me onmiddellijk en met een zeker fatalisme verbeelden hoe Nederland er op dat moment voor stond: alweer in opperste staat van verwarring. Ik kon me moeiteloos de lawine aan woorden verbeelden die, meer dan duizend kilometer verderop, over de krantepagina’s was gaan rollen. De opiniërende bijdragen, de columns, de ingezonden brieven en, vanzelfsprekend, de veelvuldige vragen naar nieuwe onderzoeken, enquêtes, debriefingen, rapporten, commissies en verhoren onder ede. Maar in de buitenlandse kranten nam het bewuste bericht niet meer dan tien of twintig regels in beslag. Je kon tussen de regels door bijna lezen hoe de redacteur die het stukje plichtmatig had moeten redigeren om een leeg hoekje van pagina 25 te vullen, hierover dacht: ‘Ouwe koek, weten we al drie jaar. Zijn die Hollanders werkelijk zo traag van begrip?’ In het hoekje van de krant stond hoe een Nederlandse officier, ‘na drie jaar stilzwijgen’, had toegegeven dat Dutchbat zich in de zomer van 1995 schuldig had gemaakt aan het helpen selecteren en deporteren van moslims uit de Bosnische enclave Srebrenica.

Niets nieuws inderdaad: drie jaar geleden al zag de hele wereld op zijn tv-toestelletje hoe Nederlandse blauwhelmen de kersverse Servische bezetter van de enclave, of liever gezegd: de vervolger, ‘met punctualiteit de diensten hadden bewezen die hij eiste’. Deze laatste zin, hoewel uit zijn historische context gerukt want door P. Tania uitgesproken in het deel van de tv-serie De bezetting dat de jodendeportatie behandelt, lijkt me hier op zijn plaats om het trauma te illustreren dat Nederland sinds 1995 in zijn greep houdt. En terwijl in de overige landen naar aanleiding van die beelden de link werd gelegd met de gruweldaden van de nazi’s in de Tweede Wereldoorlog, de uitroeiing van de joden, vierde Nederland een ongepast en beschamend feestje met de premier en de kroonprins als guest stars. Onze jongens allemaal terug? Eind goed, al goed. Uit deze wereldvreemde houding spraken onbegrensd egoïsme en onverschilligheid over het lot van duizenden moslims die men had helpen deporteren. Moslims, joden, bijna niemand die de link legde. Dat het historisch besef in dit land niet erg diep verankerd is, was hiermee voor mij definitief bewezen. Er was wel publicist Herman Wigbold, die de keiharde vraag stelde: 'Kan iemand mij het principiële verschil uitleggen tussen treinmachinisten die onder druk van ontslag joden vervoerden naar Westerbork en blauwhelmen die plaatsnemen op Bosnisch-Servische vrachtwagens?’ Het kwam hem op een uitbrander te staan van de toenmalige minister Voorhoeve.
Het resultaat van een weinig ontwikkeld historisch besef is wel dat de gehele natie, drie jaar na dato, met een traumatisch schuldgevoel zit opgezadeld. Terug van vakantie heb ik een hele dag nodig gehad om alles te lezen over de zogenaamde nieuwe onthullingen aangaande de Nederlandse rol in Srebrenica en de commentaren hierop. Ondanks de respectabele roep om nieuwe onderzoeken vrees ik dat er over drie jaar geen verandering in de toestand van het trauma-Srebrenica zal zijn opgetreden. De geschiedenis kun je met geen enkele enquête veranderen en spoken hebben in het algemeen geen boodschap aan onderzoekscommissies, al dan niet geleid door een oud-minister van Defensie. Spoken doen doorgaans niets anders dan waarvoor ze zijn uitgevonden, te weten het geweten van de levenden beroeren.
Maar misschien zou het toch nuttig zijn om eindelijk van de verwarring af te komen die in de discussie over Dutchbat is ontstaan. Het gaat niet om, zoals ook in dit blad is geschreven, achteraf te treuren over het feit dat onze '350 polderjongens tegen zo'n vijftienduizend tot op het bot gedrilde beroepsmoordenaars van Mladic’ niets hebben ondernomen. De val van de enclave en de gruweldaden die erop volgden moeten op het conto worden geschreven van de laffe internationale gemeenschap. Nee, het gaat om het schandelijke gedrag van Dutchbat na de val van de enclave. Om de ziekelijk geafficheerde bewondering van Nederlandse militairen voor de wrede maar o zo gedisciplineerde 'tot op het bot gedrilde beroepsmoordenaars’. Om de walgelijke woorden over 'good and bad guys’ van een Nederlandse officier. Het gaat om de pro-Servische en anti-moslimse houding van doodgewone polderjongens, een houding die aan racisme grensde. Het gaat om de beelden waarop te zien is hoe geciviliseerde soldaten zonder historisch besef geüniformeerde seriemoordenaars een handje helpen in het afvoeren van hun prooien. Het gaat alleen om dat ene spook dat zich voor een lange tijd in Nederland heeft genesteld.