Perquin

Spook

Omdat ik een poosje alleen wil zijn huur ik een huis aan de rand van een dorp, met uitzicht op de duinen. Het is een groot huis met een lange geschiedenis vol verlies en eenzaamheid. De mensen in het dorp zeggen dat het er spookt. Ze zeggen dat de televisie soms vanzelf aan of uit gaat, dat er deuren dichtslaan en dat de traptreden op gezette tijden ritmisch kraken, alsof er iemand naar beneden loopt. Ook is er een manshoge spiegel in een van de kamers. Daarin doemt soms een gezicht op, zeggen ze. Dat is het gezicht van de oorspronkelijke eigenaar, een norse schrijver van een groot aantal al even norse romans. Wie dat gezicht ziet heeft niet lang meer te leven.

Ik knik. Ik geloof ze graag. Niet alleen gun ik ieder dorp zijn eigen spook-verhalen, ook vind ik het huis erg geschikt voor dit soort folklore: hoge plafonds, statige raampartijen en een tuin vol donker struikgewas. Je kunt je gemakkelijk indenken dat hier een en ander niet pluis is. In de ruime kamers brengen alle geluiden een lichte echo voort en het rieten dak kreunt zelfs bij het minste zuchtje wind. Als ik een spook zou zijn, dan wist ik het wel. Wie zelf de standplaats van zijn hiernamaals mag bepalen, gaat tenslotte niet in een nieuwbouwwoning in Almere-Buiten rondzweven. Die zoekt een huis dat passend is, en gerieflijk genoeg om lang te blijven hangen. Ik voel me hier prettig. Het uitzicht is goed. De sfeer zet aan tot geconcentreerd werken. In deze rust, bedenk ik overmoedig, zal zich straks als vanzelf een prachtig verhaal aan mij openbaren. Briljante dialogen. Onvergetelijke volzinnen. Als ik alleen maar ga zitten, ’s ochtends, en de pen ter hand neem – dan komt de rest vanzelf. Was de oorspronkelijke eigenaar zelf immers ook geen schrijver? En heeft hij niet altijd hard gewerkt in dit huis, al is hij inmiddels volkomen vergeten? Nou dan. Ik heb het nog niet gedacht of de radio begint te spelen. Ik schiet in de lach. Dan hoor ik de wc doortrekken. Boven slaat een deur dicht.