Parkland

Spook met geweer

Een film over de dag waarop John F. Kennedy stierf na de aanslag van Lee Harvey Oswald klinkt onweerstaanbaar. Hier staat tegenover dat alles over dit onderwerp zo langzamerhand gezegd, geschreven en verfilmd is.

Medium film

Als entertainment: Oliver Stone’s JFK (1991), naar het boek van officier van justitie Jim Garrison, een soort koortsdroom waarin niets onmogelijk is. Als reflectie van de moderne tijd: Norman Mailers Oswald’s Tale (1995), simpelweg briljant in de wijze waarop het verhaal van Oswald wordt verteld als een collectieve nachtmerrie, met één retorische vraag als kern: ‘Can there be any American of our century who, having failed to gain stature while he was alive, now haunts us more?’

Het is een Amerikaans verhaal, en toch is er iets universeels aan. Het spook van Oswald met zijn geweer doet een tip van de sluier oplichten over de duistere zijde van de relatie tussen celebrity, macht en het politieke leven. jfk en Jackie waren de eerste supersterren van de politiek, bejubeld en aanbeden in binnen- en buitenland. Ze werden publieke figuren in een sprookje waarin het geloof in het goede onwrikbaar was. Door hen was de mogelijkheid opeens binnen handbereik dat politieke leiders helden konden zijn die vertrouwen in de overheid mogelijk maakten. Dat dit idee fictie was – dat dit nooit iets anders kón zijn dan dat – werd op wrange wijze duidelijk door de waan van Oswald, zoals blijkt uit een aantekening die hij tijdens zijn reis terug naar Amerika op de Holland-Amerika Lijn maakte: ‘I wonder what would happen if someone would stand up and say he was utterly opposed not only to the governments, but to the people, to the entire land and complete foundation of his society.’

Een antwoord op Oswalds mijmering komt in de nieuwe jfk-film in kwestie: Parkland van Peter Landesman. Het werk toont de botsing tussen nihilisme en romantiek, tussen Oswalds dwangmatige neiging eigenhandig verandering in de wereld teweeg te brengen en de belofte van een welvarende toekomst die jfk en Jackie brachten. Dat laatste vormt het brandpunt van Landesmans film, belichaamd door Abraham Zapruder (Paul Giamatti) die zich op de dag van de aanval enthousiast als een kind met zijn 8mm-camera van het merk Bell Howell naar Dealey Plaza in Dallas haast om een plekje te vinden vanaf waar hij zijn held het best in beeld kan brengen. De altijd schitterende Giamatti maakt de shock van de aanslag, die binnen seconden voorbij is, invoelbaar: de schaamte van het turen door de lens naar de intimiteit van het moment waarop een mens doodgaat. Dromen vallen in scherven, illusies versmelten in de zon. Pas later komen woede en verontwaardiging. Zapruder: ‘This was a very undignified end for a very dignified man.’ Zo broos blijken menselijke waardigheid en persoonlijke integriteit. Van de romantiek van deze dingen, gesymboliseerd door de gedroomde president-held in Camelot, blijft niets over.

Dat jfk-fans als Zapruder echt geloven in de romantiek van het sterrenkoppel in het Witte Huis maakt Parkland des te wranger. De titel verwijst naar het ziekenhuis waar artsen en verplegers vergeefs vechten voor het leven van de president. Landesman brengt dit spannend in beeld, met een nerveuze camera die altijd dicht bij de personages blijft, waarbij de invloed van modern televisiedrama blijkt. De film neemt de vorm aan van een intiem drama in de stijl van bijvoorbeeld Mad Men. Het idee overheerst dat iets essentieels wordt gecorrumpeerd. De artsen, fbi-agenten en bodyguards zijn allemaal jong, mooi en idealistisch, ze zijn spiegelbeelden van alles wat jfk representeerde.

En daar staan ze dan: met zijn bloed op hun handen en kleren terwijl ze vol ongeloof naar de opengezaagde borstkas van de mythische figuur staren op het moment dat zijn hart stopt met kloppen.

Te zien vanaf 30 januari

beeld: Parkland, Wild Bunch