TONEEL

Spookblik van de radeloze

Rocco en zijn broers

In de geweldige slotscène houdt Rocco een speech over de metselaar in zijn geboortestreek, die bij het begin van het bouwen van een huis een steen gooit naar de slagschaduw van een passant, teneinde de krachten op te roepen die het huis stevig zullen wortelen in de rotsige maar permanent bevende aarde van het zuiden. Dat is althans wat ik hoorde. Fedja van Huêt schenkt zijn Rocco op dat moment een gloeiende glans in de ogen en laat zijn personage boven zichzelf uitstijgen, ook boven het migrantencliché waar de programmafolder nog wat over emmert. Dit is geen zuid versus noord, dit is een Van Gogh-lucht naast hoeren-roze, oervocht tegen asfaltzweet. Hier betreurt de schapenherder zijn vergeefse reis naar kwikzilveren rijkdom, de in tradities gewortelde eenvoudige Mensch rouwt om het uiteenvallen van zijn familie. Hij spreekt namens de verliezers. Als de hoop voor de toekomst ter sprake komt wijst hij naar zijn jongste broertje. Die heet Luca.
Rocco e i suoi fratelli, het filmscript van Luchino Visconti cum suis uit 1960, is anno 2009 toneel geworden, in de voorstelling Rocco en zijn broers van Toneelgroep Amsterdam (regie: Ivo van Hove, scenografie: Jan Versweyveld). Rocco, zijn drie broers Simone, Ciro en Luca en zijn moeder Rosaria reizen van het zuiden naar Milaan, waar broer Vincenzo al woont en min of meer werkt. Van de middeleeuwse armoede belandt het gezelschap in de hel van de metropool – de hardheid ervan wordt verzinnebeeld in de meedogenloze praktijk van het prijsboksen. In die wereld gaat broer Simone ten onder, door de drank en in de mateloze liefde voor het hoertje Nadia (overigens een uit nuchterheid en droefenis opgebouwde prachtrol van Halina Reijn). In een heilloze poging de familie bij elkaar te houden probeert Rocco zijn broer te helpen én van Nadia te houden, en het mislukt allebei.
De voorstelling staat in de nieuwe zaal van de Amsterdamse Stadsschouwburg en die zaal is meteen ook weer tijdelijk ‘verdwenen’ – het is in feite toneel-op-toneel, het ‘klassieke’ auditorium verborgen achter onze rug, vier tribunes rondom een boksring zonder touwen. Aan de vier kanten van de speelvloer staan torens met de steeds behaaglijker behuizing van de permanent door Milaan heen en weer crossende familie van Rocco. Helemaal boven op die torens is ruimte voor een deel van de theatertechniek en voor musicus en componist Harry de Wit, die de hele voorstelling meespeelt en uit zijn magisch instrumentarium spelonkklanken en echo’s van nostalgie tovert. Omdat alles zich vlak voor onze neus afspeelt ruik je het zweet, voel je de spetters, en de afwisselend botte en geraffineerde stemversterking maakt dat je iedere wending in de tekst, al dat snuiven en steunen tot in detail meekrijgt.
Door de wilde wirwar van gebeurtenissen en personages is het hard werken om de haken en rafels van dit volksverhaal te blijven volgen, maar dat is aangenaam werken, want de concentratie gaat in de hoogste stand, en dit is bovendien geen voorstelling voor teergebouwde zielenroerselen, het gaat van dik hout zaagt men spoorbielsen en niet van dat benauwde. Hans Kesting (Simone) heeft de motoriek van King Kong na een tiende knock-out en in zijn sonore stem dreunt het verdriet van een verprutst leven. Om hem heen dwarrelt lichtvoetig Stef Aerts als zijn jongste broertje Luca, wiens licht Simone graag om zich heen heeft maar niet behouden kan: weinig tekst, grote aanwezigheid, deze jonge toneelspeler. Tussen hen in staat de Ciro van Alwin Pulinckx, de maatschappelijk meest aangepaste, die de scheuren in zijn familie wil lijmen door de zwijgplicht te breken en zo nieuwe scheuren veroorzaakt. Buiten allen om zwerft Rocco, de jongen die als prijsbokser alles goed wil maken. De zuidelijke glans in zijn ogen maakt plaats voor de spookblik van de radeloze, de haatdragende. Fedja van Huêt en zijn mensen spelen of hun leven ervan afhangt.

Rocco en zijn broers door Toneelgroep Amsterdam, t/m 16 mei, Stadsschouwburg Amsterdam; www.toneelgroepamsterdam.nl