Spooksonaten en nocturnes

De dichter schrijft zijn verzen niet zelden tijdens zijn doorwaakte nachten. Een essay over een topos: poezie op de grens tussen waken en slapen.

‘Sluimer in, word wakker. De droom was als een veelkleurige dobbelsteen met zeven ogen. Werp hem!’ Gunnar Ekelof
De vaststelling dat verstand en gevoel elkaar in de mens ontmoeten, onverschillig of ze elkaar bestrijden dan wel omhelzen, is een gemeenplaats. Menselijke intelligentie zonder emotie is niet goed denkbaar. De verstrengeling van deze wezenlijke eigenschappen kent zowel glansrijke als onaangename gevolgen. Zit ons iets dwars, dan bewegen de gedachten zich in een weinig opbouwende richting; gaat het ons voor de wind, dan stuwt het gevoel onze denkkrachten vooruit en dienen zich nieuwe denkbeelden aan. Er zijn perioden en situaties waarin dit in verhevigde mate het geval is en men zijn greep op de eigen gevoelens en gedachten geheel of gedeeltelijk verliest. Er treedt een toestand in van diepe angst en onzekerheid of van hooglopende euforie. De balans raakt verstoord ten nadele van het verstand; de ironie of het cynisme van de dag maakt plaats voor de tragiek of de extase van de nacht.
Er bestaat een dichterlijke topos die deze veranderde gemoedsgesteldheid in een specifieke context verwoordt. De topos groeit dikwijls uit tot een rijk gevarieerd motief waarin gedachten en gevoelens elkaar treffen. 'Treffen’ - in de dubbele betekenis van 'ontmoeten’ en 'pijnlijk raken’ of 'kwellen’. Het pijnlijke vindt zijn oorsprong in de tirannie van toegespitste gevoelens en de als reeel ervaren waan die deze met zich meebrengt. In het aldus ontstane spanningsveld en het altijd nachtelijke decor van eenzaamheid waartegen de hersenspinsels zich aftekenen, doet zich een beslissend moment voor dat in tal van gedichten is terug te vinden.
DE CLASSICUS A. D. Leeman komt de eer toe jaren geleden een verkennend opstel over het hier besproken onderwerp te hebben gepubliceerd. In zijn beschouwing schenkt hij uiteraard veel aandacht aan Griekse, Romeinse en renaissancistische dichters die het ’s nachts te kwaad krijgen met zichzelf en de wereld, en daarvan in hun verzen getuigenis afleggen. Gelet op de door hem geciteerde bronnen en de dichters die hier ter sprake komen, is het opvallend dat bestaansangst en gekweldheid doorgaans de boventoon voeren. Ik hoef in dat verband alleen maar te verwijzen naar J. C. Bloems gedicht 'Insomnia’ met de befaamde binnenkomer: 'Denkend aan de dood kan ik niet slapen,/ En niet slapend denk ik aan de dood,/ En het leven vliet gelijk het vlood,/ En elk zijn is tot niet zijn geschapen.’ Bloems poezie telt minstens veertien gedichten waarin een ik-figuur waakt of wakker ligt, daargelaten of hij uren van somberheid dan wel een moment van inzicht en verlichting doormaakt.
Een euforische gelukservaring of een ogenblik van totale verheldering komt bij eenzaam wakende dichters in het algemeen minder vaak voor dan het tegenovergestelde. Een vers als 'De donkere nacht’ ('La noche oscura’) van de Spaanse mysticus Johannes van Het Kruis is om die reden - maar natuurlijk ook vanwege zijn lyrische kwaliteit - uitzonderlijk te noemen: het vormt niet alleen een hoogtepunt in de Europese poezie, het is de weerspiegeling van een nachtelijke mystieke liefdeservaring die zo volmaakt verloopt dat ze - in het licht van het eigen liefdesvuur - tot versmelting en gelukzalige vergetelheid voert. 'De donkere nacht’ is in de ware zin des woords een nuit d'oubli.
Hetzelfde kan worden gezegd van het vers met de stokregel 'aunque es de noche’ ('al is het nacht’), waarin de ziel wordt gevoed door een verborgen bron die eeuwig stroomt en die de onzichtbare oorsprong is van alle bronnen. Het is opnieuw de nacht die Johannes van Het Kruis godsvertrouwen, zielskracht en geluk brengt. Om een indruk te geven citeer ik enkele strofen in een voorlopige vertaling:
Hoe goed ken ik de bron die welt en vloeit, al is het nacht.
Die eeuwige bron stroomt diep verscholen, Hoe goed ken ik haar waterloop, al is het nacht.
Haar oorsprong ken ik niet, ze heeft er geen, Toch weet ik dat in haar alles zijn oorsprong vindt, al is het nacht.
Ik weet dat niets zich met haar meten kan, En dat de hemel en de aarde van haar drinken, al is het nacht.
Ik weet, haar diepte is onpeilbaar, En dat niemand haar doorwaden kan, al is het nacht.
Haar klare glans raakt nooit verduisterd, En ik weet dat al het licht van haar afkomstig is, al is het nacht.
We moeten hier in gedachten houden dat Johannes van Het Kruis door zijn christelijke broeders - karmelieten zoals hij zelf - jarenlang was opgesloten in een onleefbaar donkere cel van een zestiende-eeuws klooster in Toledo. Daar componeerde hij op het stramien van het Hooglied en van hem bekende Spaanse liefdes- en volkspoezie zijn religieus-mystieke liederen, waarvan de kracht en de invloed zijn kwelgeesten tot afgrondelijke jaloezie moeten hebben gedreven. Anders is het niet verklaarbaar waarom hij tot na zijn dood in Ubeda werd belasterd door ordegenoten en inquisitie. Nicolas Doria, de Italiaanse vicaris-generaal van de Spaanse karmelietenorde, bleef maar intrigeren en negatieve getuigenissen verzamelen om de dichter-monnik postuum het aardse hellevuur aan de schenen te leggen.
IN WELKE HOEDANIGHEID de insomnia zich ook moge manifesteren, ze heeft in alle gevallen dezelfde uitwerking: de nacht wordt zonder uitzicht in steeds diepere rusteloosheid doorgebracht. De slapeloze ligt in bed - woelend, draaiend of verstijfd van angst -, hij dwaalt doelloos door het lege huis terwijl de anderen slapen, of zwerft door de ontvolkte straten van een stad. De technologische ontwikkelingen van deze eeuw hebben in dit opzicht hoogstens het tijdstip verplaatst: de wake begint niet meer om middernacht, maar is enkele uren naar achteren verschoven zodat ze nagenoeg grenst aan wat ik ooit 'dageraadsangst’ heb genoemd.
De slapeloze mens (van wie de dichter slechts een enigszins begaafde spreekbuis is) wordt bezocht door vernederende beelden en gedachten. Beelden die als balken door het bewustzijn lopen. Ze dwarsbomen de gedachtenstroom van de geest die vrij hoort te zijn maar door een vernauwende obsessie wordt beheerst. Wat omstreeks middernacht misschien begon als een 'Rhapsody on a Windy Night’ of een welluidende nocturne, is uren later in een spooksonate ontaard. Zoals de Vlaamse dichter Maurice Gilliams schrijft: 'Een eenzaam mens in bed gedijt./ Hij bijt zijn nagels af en krijt./ Vlooien en spoken doen hem vloeken./ En in een afgrond rolt hij kwijt.’
Schaamte, spijt, verdriet en scheiding evenals de last van de wereld kunnen op de slapeloze drukken tot zijn geest bezwijkt. In 'the darkest before dawn’ lijkt de morgen onbereikbaar ver en dat eens te meer, wanneer men weet dat er nog andere nachten zullen volgen
(…) yester-night I prayed aloud In anguish and in agony, Up-starting from the fiendish crowd Of shapes and thoughts that tortured me: (…) For all seemed guilt, remorse or woe, My own or other’s still the same Life-stifling fear, soul-stifling shame
noteert Samuel Taylor Coleridge in 'The Pains of Sleep’, een gedicht uit 1803, dat hij vervolgt met:
So two nights passed: the night’s dismay Saddened and stunned the coming day. Sleep, the wide blessing, seemed to me Distemper’s worst calamity. The third night, when my own loud scream Had waked me from the fiendish dream, O'ercome with sufferings strange and wild, I wept as I had been a child
Zie daar in enkele fragmenten het complete tafereel van wrede, demonische foltering waaraan de slapeloze mens en dichter zichzelf heeft uitgeleverd. Want dat hij zelf zijn anguish en agony aanwakkert, lijdt geen twijfel. Niemand behalve hij zelf duwt hem over de rand van de afgrond, niemand implanteert de wanen in zijn brein.
WAT COLERIDGE HIER oproept, is niet ongelijk aan wat de eerder genoemde dichter Gilliams voor ogen staat. We zijn dan anderhalve eeuw verder; vorm en vocabulaire zijn veranderd, ervaring en gevoel zijn dat niet of veel minder. In de prachtige cyclus Bronnen der slapeloosheid (geschreven tussen 1954 en 1958), waaraan elk vals sentiment of opzichtige pathetiek ontbreekt, concludeert de dichter aan het eind - 'tot in de borst verkleumd van zwijgzaamheid’ - dat 'ieder op zijn klip zijn angsten toegemeten’ krijgt. Daar is dan wel het nodige aan voorafgegaan.
Al in de tweede regel van deze negendelige cyclus dient het motief van de nachtelijke wake zich aan: 'De dageraad van middernacht knaagt door/ het hoog vertrek waarin Maria slaapt,/ terwijl ik snak naar water en naar lissen.’ In een samengestelde zin introduceert Maurice Gilliams hier het decor en de personages van zijn verzenreeks: de nacht en de kamer, de slapende vrouw en de wakende dichter. Het wordt spoedig duidelijk wat er werkelijk 'knaagt’ door het vertrek: het kinderloos gebleven huwelijk, dat nochtans door intimiteit en een diepe verbondenheid wordt getekend. Zoals zo veel bij deze dichter wordt ook het kind gedroomd: zijn naam, zijn spel, zijn 'beet van kindertanden in mijn hand’. Of, zoals hij het in een ander gedicht uitdrukt: 'het kind/ dat wij niet meer verwachten dan in dromen.’
In tegenstelling tot Coleridge’s ervaring is die van Gilliams niet louter gebrandmerkt door kwellende beelden en gedachten. Ofschoon hij elders constateert dat zijn vrouw en hij 'zo oud als zand en zout’ zijn geworden, is de nacht er ook 'om eeuwig jong te blijven’. De hele cyclus ademt een diepe onsentimentele tederheid uit, vermengd met de voor Gilliams zo typerende, scherp geetste beelden die soms een surreele inslag verraden.
De korte zwerftocht door de poezie van de nacht en het onderzoek naar het motief van de eenzame wake voeren ons ten slotte naar de Mexicaan Xavier Villaurrutia en de Zweed Gunnar Ekelof. Behalve dat ze allebei modernisten zijn geweest die een sympathie voor het surrealisme deelden, hebben ze zo goed als niets gemeen. Ik breng ze samen omdat ze iets hebben toegevoegd aan wat hier wordt besproken.
Is het lot van menige dichter navrant te noemen, dat van Xavier Villaurrutia - die in 1950 een einde aan zijn leven maakte - is ronduit wrang. Men kan zelfs zeggen dat bij hem een diepe melancholie en een verhevigde doodsdrift de plaats van een vitale impuls tot leven hebben ingenomen. In een vroegere beschouwing van zijn werk ('De dood zal komen en jouw ogen hebben’) heb ik gewezen op de invloed die de Franse poezie, in het bijzonder die van de surrealisten, op Villaurrutia en zijn generatiegenoten uitoefende. Het irrationele aspect van de Franse poezie uit de jaren twintig en dertig, en de opvattingen over de droom, vielen bij de Mexicanen in vruchtbare aarde. Hij ontwikkelde een geheel eigen begrip van de droom, dat wel omschreven kan worden als 'een wakkere slaap’. Vilaurrutia combineert de woorden 'nachtwake’ ('vigilia’) en waakzaamheid ('vigilancia’) om aan te duiden dat het nachtwerk van de droom oplettend wordt gevolgd. Langs die weg zijn de befaamde Nocturnos ontstaan, gedichten die met open ogen zijn gedroomd en uiteindelijk werkelijkheid geworden.
In 'Zeenocturne’ gaat het om de innerlijke zee die de dichter in zich meedraagt, die hij omsluit, koestert en bewaart 'als een wroeging’, als een 'wezensvreemde wandaad en geheimzinnige droom’. Meer dan eens spreekt hij van een 'nachtelijke bitterzee’ die
(…) rondgaat door nauwe gangen van koralen slagaders en wortels en nerven en haarkwallen.
Zee die in de schaduw zijn deinende weefsel weeft, met zenuwdraden en strakke koorden door blauwe naalden gestoken.
Nachtelijke bitterzee die mijn taal met zijn kleverig speeksel bevochtigt, die mijn nagels doet groeien met de kracht van zijn duister getij.
In de 'Roosnocturne’ worden de zintuigen onder andere als nachtelijke rozen beschreven: de roos van de tastzin die in het donker 'hartstochtelijk voorop gaat’, het roosprofiel van het gehoor, de vleselijke roos van de mond, maar ook de roos 'die de oogleden opent,/ de wakende, wakkere roos,/ de roodomrande roos van slapeloosheid.’ Voeg hieraan nog de 'Suite van de slapeloosheid’ toe en het zal duidelijk zijn dat we in Xavier Villaurrutia een nachtdichter in optima forma ontmoeten.
De Nocturnes maken de kern uit van des dichters hoofdwerk Nostalgia de la muerte ('Heimwee naar de dood’). Het is een titel die niet welsprekender had kunnen zijn: enerzijds drukt hij de (Mexicaanse) doodsobsessie uit - voor Villaurrutia was Mexico 'het land van de dood’ - anderzijds het onmogelijke verlangen naar iets dat nog niet is ervaren en toch wordt gekend. De muzikale en esthetiserende lyriek van de Mexicaan verbergt een zo diepe wanhoop en angst dat hij in het genadeloze vers 'Muerte en el frio’ ('Dood in de kou’) zijn toekomstige dood al doorleeft en beschrijft. Het is een dood, zegt hij, 'waarin ik nooit meer troost zal vinden’ omdat hij maar een keer kan worden doorleefd.
DE FRAAIE, ZIJ HET diep neerslachtige gedichten van de Mexicaan zouden ons bijna doen vergeten dat het ook nog anders kan: serener, gedempter, veelzijdiger, maar zeker niet minder fijnzinnig. Daarmee kom ik op de dichter die de topos van de doorwaakte nacht tot in de uithoeken van zijn ziel als werkelijkheid heeft ervaren: Bengt Gunnar Ekelof (1907- 1968).
In verzen als 'Euforie’ en 'Stemmen onder de grond’ of in een complete bundel als Gids naar de onderwereld heeft Ekelof de wake in al haar aspecten gestalte gegeven. Dat hij zich bewust is geweest van een traditie op dit punt is hoogst onwaarschijnlijk. Niettemin is het opmerkelijk dat er, vooral tegen het einde van zijn leven, zoveel nachtwakegedichten uit zijn pen zijn gevloeid. Voor een belangrijk deel hangt dat samen met de thematiek van het laatste werk, maar het is evenzeer toe te schrijven aan de fatale ziekte die hem in die levensperiode dikwijls uit de slaap hield. Dit biografische feit echter blijft onzichtbaar voor degene die er niet van op de hoogte is: de betreffende gedichten zijn personae, maskers, in een omvangrijk driedelig werk dat door Byzantijnse en Grieks- Turkse achtergronden en motieven wordt gedomineerd.
De drie met elkaar samenhangende bundels - in het Nederlands verschenen onder de titel De Byzantijnse trilogie - vertonen een lyrisch-dramatische structuur waarvan het middendeel een afdaling in de onderwereld behelst. De hoofdfiguren van de andere delen zijn: een blindgestoken, gefolterde Koerdische vorst uit de elfde eeuw die in zijn kerker een liefdesvisioen ondergaat, en een vrouw genaamd Fatumeh, wier leven na een hartstochtelijke liefdesgeschiedenis is prijsgegeven aan prostitutie en verpaupering. De gids of wegwijzer naar de onderwereld, het middendeel dus, telt de meeste verzen met nachtelijke taferelen en overpeinzingen. Enerzijds identificeert de dichter zich met de gekwelde vorst, anderzijds is hij zich - verdoofd of niet - bewust van het eigen lot:
(…) Middernacht gaat voorbij. Maar ik lig alleen (…) Het Rotsblok rolt over mij heen zwaar als de Herinnering die ik voort rol. Ik kon zien maar was sterfelijk. Daarom lig ik alleen.
Dit is gezegd over de Blinde: Hij zal het onzichtbare liefhebben. Dat past bij zijn lot. Daarom ligt hij alleen.
EKELOFS WAKE WORDT door tegenstrijdige gevoelens beheerst: hij houdt van de nacht waarin hij zich 'alleen en naamloos’ weet en waarin zijn identiteit wordt opgelost in iets dat groter is dan hij zelf, maar hij wordt ook geplaatst tegenover de Waarheid, de fysieke pijn, de tijd die opraakt en de dood naderbij brengt. Het middenstuk van het drieluik opent met een nachtwakegedicht, waarvan de eerste regels luiden:
Alleen in de stille Nacht de enige tijd die ik de mijne noem! Alleen en gekweld in het donker zie ik hoe de dag mij van de Waarheid afbracht (…) Alleen in de Nacht in gevecht met de Waarheid Haar naald, haar scherpe punt van licht nadert in het donker.
Hoe pijnlijk hun geestelijk-lichamelijke toestand ook moge zijn, de dichter en zijn protagonist geven de voorkeur aan de nacht. Ze worden daarbij telkens getroost en geplaagd door boodschappers, engelen dus, die een tweeslachtige houding aan de dag leggen: ze zijn schaduw en licht, zwart en wit, kwelling en weldaad, duivels en goddelijk, mannelijk en vrouwelijk. Deze tegenstellingen zijn typerend voor gedichten die ook in andere opzichten een mystieke inslag vertonen, maar voor het overige zeer aards en alledaags kunnen zijn.
Een engel bezoekt me elke nacht Hij sleurt me uit mijn bed van pijn naar een pijn van vreugde die een vreugde van pijn wordt groter dan die ik had
Of, aan het begin van een ghazal (Arabische versvorm):
Je leven leven met een engel, alleen, afgezonderd in de Nacht is licht door een sleutelgat zien, zelf ben je Niemand
De lezer zal inmiddels begrepen hebben dat het werk van Gunnar Ekelof, zijn Gids naar de onderwereld in het bijzonder, kan worden beschouwd als een Fundgrube voor het hier onderzochte motief. Is een gedicht uit die bundel niet aan de nacht gewijd, dan is het wel ontstaan in of ontleend aan de nacht. De gevoelens en gewaarwordingen van de dichter doorlopen alle bekende stadia van de nachtelijke wake. Met recht heeft hij opgemerkt: de nacht is 'de enige tijd die ik de mijne noem!’
In het slotgedicht luistert hij aandachtig naar de klok in zijn huis, zoals hij dat ook in het eerste vers van zijn debuutbundel Sent pa jorden ('Laat op aarde’) uit 1932 heeft gedaan. Ook toen was het donker en sliepen de bloemen voor het raam; de vliegen stonden stil op de muur en de dichter zat luisterend in de kamer en schreef: 'een trein die in de verte de stilte doorboort/ ontsluiert het geheim der dingen niet/ maar het lot telt de slagen van de klok in decimalen.’
Vijfendertig jaar later ligt hij ziek en 'alleen in de stille nacht’, alleen met 'die machine van geen-tijd’, en constateert dat hij in die uren het meest tevreden is. Luisterend naar het tikken van de klok vraagt hij zich af: 'Wat weet een metronoom van muziek, van maat,/ van datgene waarvoor hij is geconstrueerd.’ Hij ziet een parallel met de verhouding tussen leven en dood. 'Leven kan niet met de dood gemeten worden, muziek niet met maatslagen.’ Zo weet een klok niet wat tijd is; hij wijst die slechts aan.
Zoals zo vaak in deze poezie voert de overpeinzing hem terug naar de archaische culturen van Klein-Azie en het mediterrane gebied. Culturen waarin de tijd schijnbaar moeiteloos werd overwonnen in voorwerpen en anonieme kunstwerken, in gestalten van steen, in 'de glimlach van zo'n waterdraagster die onder perzisch puin werd bedolven’ en desondanks nog altijd 'een afdruk van leven’ achterlaat. In de ogen van Ekelof heeft de steenhouwer die nooit signeerde, maar hoogstens tekende met een kras van de beitel, de tijd verslagen. En zij die werd afgebeeld, de naamloze, wordt door hem ronduit benijd en bewonderd. In de laatste twee regels bekent hij haar bijna zijn liefde. 'De tijd die ik meet is er geen’, schrijft hij, 'de jouwe is alles./ Jouw tijd is Water, ik ben jouw wateruurwerk.’
MEN ZIET DAT de nachtelijke wake als topos of als motief van begin tot eind in Ekelofs poezie aanwezig is. De twee eerder genoemde gedichten, 'Stemmen onder de grond’ en 'Euforie’ (uit respectievelijk Om hosten, 1951, en Farjesang, 1941), zijn daarvan de gaafste voorbeelden in het vroegere werk. 'Stemmen onder de grond’ draagt het karakter van een angstdroom waarin de tijd en de dood een opmerkelijke rol spelen ('De dood bleef zitten waar hij zat, als een sjofele schooloppasser’), terwijl 'Euforie’ - in contrast daarmee - de neerslag van een hooggestemde wake is.
Het laatste gedicht belichaamt een pure en uitzonderlijke gelukservaring. Het lijkt te zijn geschreven om een voordracht als deze in harmonie met de ons omringende wereld te kunnen beeindigen. Er spreken hoop en verwachting uit. We treffen de dichter alleen in de tuin, met een zakboek, een broodje, een fles en een pijp. Het is een windstille Zweedse zomernacht. Het glas is gevuld, de kaars in de blaker brandt, de pen ligt gereed. Maar de nacht wordt geen nacht: we zijn in het noorden. Wat avond is, wordt ochtendstond, het avondrood wordt langzaam morgenrood. Voor het zover is, ziet de dichter 'de zee van wilde kervel, groenwit schuimend in de schemer van de zomernacht’ en voelt hij 'de hele natuur krachtig in liefde en dood’ om zich heen. Hij kent dat euforische gevoel door en door: het is alsof je op reis gaat en 'eindelijk alles gepakt’ hebt; alsof je een allesomvattende kracht ervaart die begin en einde, vertrek en thuiskomst, binnen en buiten verenigt. Ja, zegt Ekelof, 'een zijn met de nacht’
(…) een met mijzelf, met de kaarsvlam die mij stil in de ogen ziet, ondoorgrondelijk en stil, een met de esp die beeft en fluistert, een met de bloemschermen die uit de duisternis leunen en luistren naar wat op de punt van mijn tong lag maar nooit werd gezegd, iets dat ik niet zou verraden zelfs als het kon. En dat het zuiverste geluk mij doorstroomt!
En de vlam klimt… Alsof de bloemen steeds dichterbij kwamen, dichter en dichter, in iriserende glans, bij het licht. Een huivering speelt door de esp, het avondrood krimpt en alles wat onuitsprekelijk en ver was is onuitsprekelijk nabij.
Deze tekst is een bewerking van de A. Roland Holst-lezing die de auteur hield op 28 mei jl. in Bergen. De lezing is een initiatief van het A. Roland Holst-fonds en De Groene Amsterdammer.