TONEEL

Spookstuk

Kust

Het vorige toneelstuk van de oorspronkelijk Libanese schrijver Wajdi Mouawad, Branden, werd door het Ro Theater in 2010 uitgebracht en reisde vorig seizoen omjubeld door het land. Er is ondertussen ook een Franse speelfilm van gemaakt, Incendies. In dat stuk liet een stervende moeder haar kinderen achter met een geheim. Het ontraadselen van dat gruwelijke geheim ging gelijk op met het ontpellen van de geschiedenis van de moeder en daarmee met het in kaart brengen van het achterland van haar kinderen.
Aan het begin van Kust, het openingsdeel van een cyclus toneelstukken die Bloed van de Beloften heet, is de vader van het centrale personage Wilfried gestorven, vooralsnog zonder geheim maar met de opdracht: begraaf mij! Wilfried denkt: naast de moeder, die bij zíjn geboorte stierf. Maar de familie van de moeder weigert dat, vader was een onmens. Dan besluit Wilfried om zijn vader, die overigens voor een stinkend lijk nog een hoop praatjes heeft, terug te sjouwen naar zijn geboorteplaats aan een Noord-Afrikaanse kust. Kust gaat over die tocht en over de uiteindelijke begrafenis in zee. De spelers van Branden en ook het artistieke team om hen heen zijn door regisseur Alize Zandwijk teruggehaald om deze voorstelling te maken.
Als vertelling verschilt Kust op een cruciaal punt van de geroemde voorganger: er ontbreekt hier een geheim, althans het geheim met de kwaliteit van een thrillerplot dat in Branden alle vezels van de verhaallijnen verbond met een breuklijn in de geschiedenis van de moeder. In Kust zijn die vezels spoken geworden, spookgeschiedenissen over een landstreek waar de oorlog nooit meer lijkt weg te gaan. Een naam heeft dat land niet (dat had het land in Branden ook niet) en een deel van het verhaal lijkt te gaan over het verdwijnen van de namen. Mouawad introduceert in Kust het personage van Josephine, de verpersoonlijking van alle uitzichtloosheid én van iedere hoop. Zij verzamelt waar ze maar komt de namen van alle mensen, zij sjouwt in tassen alle telefoonboeken van voor de oorlog met zich mee. Zij is de vleesgeworden herinnering, zij voorkomt dat mensen twee keer sterven, in de dood én in de vergetelheid.
Kust lijkt een spookstuk over de vervliegende tijd van een alles verzengend geweld dat over de mensen walst, dat die mensen úit de tijd rolt en spoken van ze maakt. En spoken hebben niet alleen een lang leven, ze zijn ook lang van stof, omdat hun relaas een variant is van steeds weer dezelfde verhalen, over hoe ze overvallen werden of zelf overvallers, en zo deel werden van de vernietiging en almaar bezig met begraven, met rouwen en met herstellen. Het ogenschijnlijk ontbreken van een dwingende stuwing in het verhaal maakt Kust met name in het tweede deel tot een soms afmattende aangelegenheid: de poëzie is die van de slaande trom en de muziek van Oleg Fateev is bij tijd en wijle hallucinogener dan-ie zelf in de gaten lijkt te hebben. Zelfs de Moeder van alle tragische lamento’s en elegieën, Euripides’ Trojaanse vrouwen, had voor de toeschouwer tenminste nog een paar plotwendingen in petto die hier ontbreken. Tót de apotheose is aangebroken, waarin de vader in een oogstrelende en hartbrekende scène wordt gewassen en, verzwaard met Josephine’s telefoonboeken, in de zee wordt begraven. Hier lukt Alize Zandwijk (met opnieuw grote dank aan vormgever Thomas Rupert) alsnog wat Mouawad haar opdraagt: urgente merktekens van op drift geraakte mensenkinderen in onze herinnering branden.

Kust is t/m 25 februari uitsluitend te zien in het eigen Ro Theater in de William Boothlaan in Rotterdam. Wie Branden nog wil zien kan op 14 en 15 maart terecht in de Koninklijke Vlaamse Schouwburg in Brussel; www.rotheater.nl