Sporen van genialiteit

Er was een tijd waarin de artistiek gedisponeerde medemens zich met graagte voorstelde de grens met de gekte te overschrijden. Dichters en schilders beschouwden dat wel als summum van ongewoonheid, toen de kunstenaar eenmaal naar de marge van de samenleving was gedrongen. Als hij toch de nar van de burgers moest zijn, dan maar meteen een hele gare nar. Het was ook in die dagen dat idiotie werd geformuleerd als één stap voorbij de genialiteit. Veel genieën zetten die fatale stap, niet eens allemaal in een gevorderd stadium van syfilis, en velen sloegen vervolgens de hand aan zichzelf. De kunst van deze doorgeschoten genieën verkreeg als vanzelf een extra glans: hoewel een en ander niet direct te begrijpen is, moet het wel geniaal zijn. Het komt immers uit de krochten van een briljant brein, uit het voorgeborchte van een volgende wereld.

Een logisch gevolg van deze romantische gedachtengang was het recruteren van kunstenaars in psychiatrische inrichtingen. Nadat Adolf Wölfli begin deze eeuw was ontdekt als begaafd kunstenaar die zijn dagen sleet als psychiatrisch patiënt in verschillende Zwitserse inrichtingen, bleek er almaar meer artistiek talent te schuilen in mensen met uiteenlopende geestesstoornissen.
Willem van Genk is schizofreen en autistisch. Hoewel hij als zeventigjarige nog op zichzelf woont en een paar maal korte tijd is opgenomen, zou hij zo roemloos als een willekeurige bejaarde op zijn teraardebestelling zitten wachten als hij zijn angsten niet in schitterende tekeningen had vastgelegd. Want Willem van Genk is kunstenaar; geen kunstenaar die koketteert met de aantrekkelijke mogelijkheid de laatste grens te overschrijden, maar een die wanhopig probeert weer vat te krijgen op de werkelijkheid en zijn angsten de baas te worden.
Voor exegeten is Van Genk een complete case. Hij is van jongs af aan gefascineerd door treinen en stations - weliswaar bang voor de overkappingen - en tekent en schildert enorme vellen en doeken vol met de mooiste stations op aarde: Berlijn, Moskou, Boedapest. Die hij, reislustig communist als hij was, ook allemaal heeft gezien. En als echte autist met fotografische precisie uit het geheugen weet te reproduceren in meticuleuze tekeningen, tot aan de randen van het papier volgepietepeuterd. ‘New Japan of Tokio’ is aangekocht door het Stedelijk Museum in Amsterdam. Ander werk sleept prijzen weg op internationale tentoonstellingen.
Daarbij is Willem van Genk bezeten van regenjassen, en die worden massaal door hem bezeten. Honderden zijn er opgeslagen in zijn Haagse woning, want hij kan de aandrang nieuwe exemplaren aan te schaffen niet weerstaan. Noch de opwinding die lang haar teweegbrengt. Een tijdlang werden de argeloze bezoeksters van de Haagse kapsalons uit hun ingekapselde lethargie opgeschrikt door de vent die de hand sloeg aan zijn onder een steeds andere regenjas vandaan gepulkte potlood. Nu kapsalons, net als alle andere winkels, van de straat af te bewonderen zijn, is dit gevaar min of meer geweken.
De 'wijven’ die hem steeds moeten hebben, op zijn geld en spullen uit zijn, zijn schaduwen van zijn negen oudere zusters. Maar ook de andere helft van de wereldbevolking moet het ontgelden. Als ze het echt hebben verbruid, worden ze gestraft op een schilderij: onthoofd door een beul of, erger nog, voor een trein gegooid. Hoewel Van Genk niet kan rekenen, is het perspectief op zijn schilderijen voorbeeldig en zijn de geometrische vormen waarin de figuren zich opgesloten weten met een mathematische precisie getekend. Zoals bij alle schizofrene kunstenaars lijkt er in zijn werk een dwangmatig maar consequent systeem te zitten. Maar Van Genks sporen sporen niet. Gelukkig is zijn systeem alleen voor hemzelf logisch en navolgbaar: een doorzichtig systeem zou de boze buitenwereld niet als kunst ervaren.