Sport

Sport

Zen

Het zijn ook die schitterende broeken: te kort, hoog water, strak om de bovenkuit. Gestreept, of met een subtiele lijn langs de zijnaad. Mooie shirts ook, boven die broeken. En in die shirts een iets te mollige buik. Een buik die je niet verwacht bij een veldteambalsport op topniveau.

Nederland heeft weer een sport ontdekt. Zoals het altijd gaat wanneer er vaderlands succes dreigt, sluit de gehele natie plots nieuwe helden in de armen en koestert een sport die haar voorheen niet interesseerde. Nu het Nederlandse honkbalteam op weg is naar mondiale roem is Nederland ineens dol op honkbal.

Het zal wel weer eindigen met een gelukstelegram van de koningin en een telefoontje van premier Balkenende, waarin hij de honkballers trots en snikkend op het hart drukt dat ze hebben bijgedragen aan het Oranje-gevoel.

Maar het is niet heel erg dat honkbal nu zoveel aandacht krijgt. Van nature is dit een mooie, elegante en on-hedendaagse sport, onvergelijkbaar met andere veld-team-balsporten. Weliswaar spelen er twee teams tegen elkaar, met één bal, maar daar houdt het mee op.

Zo raken de tegenstanders elkaar niet aan, behalve bij het sporadisch uittikken van een loper. Op geen enkel moment zijn de voltallige ploegen in de strijd: het is een eenling tegen de rest. Als die eenling, de slagman, goed slaat, komt er een tweede bij, en is het twee tegen de rest. Dan misschien een derde, en zelfs nog een vierde. Meer kan niet.

Maar de essentie, de kern van honkbal is de fenomenale strijd tussen de werper en de slagman (waarbij ook de catcher betrokken is, maar die staat geheel in dienst van de grote regisseur, de pitcher).

Het pitchen, een van de mooiste dingen in de topsport. De worp, en de momenten ervoor en erna.

Alleen staat hij daar, de werper, op zijn heuvel die geen heuvel is maar slechts een heel kleine verhoging in het midden van het veld. Van hem hangt alles af. Hij heeft de macht om de slagman met drie slag terug naar de dug-out te sturen, hem met vier wijd een vrije loop te geven. Of hij verliest, en krijgt een honkslag tegen.

Alles is stil. Iedereen staat op zijn plek. Bij de honken wordt schijnbewogen. De pitcher wrijft de bal op, krijgt misschien een geheim teken van de catcher, en concentreert zich.

Dat moment. Hoe hij de bal vasthoudt, hoe zijn vingers liggen ten opzichte van de naden. Wat heeft hij in gedachten? Hij verbergt zijn werphand in zijn handschoen. Wordt het een slider? Een curveball? Knockleball? Een change-up of een screwball? Een Russian Submarine, of toch «gewoon» een heel erg snelle fastball (want «hitters can’t hit what they can’t see»)?

(Als de camera achter hem staat is mooi te zien hoe hij kan toveren met die bal: de ongelooflijke duikelingen en krommingen en bochten die dat ding maakt in die paar meter tussen werper en thuisplaat.)

Stilte. De werper verschuift zijn pet. Lijkt een teken te geven aan zijn catcher. Concentratie. Bal opwrijven. Pet verschuiven. Handschoen rechttrekken. Weer de pet. Bal nog een keer langs de broek. In de handschoen. Het is alsof de wereld heel even de adem inhoudt.

Dat is het allermooiste van honkbal: die stilte. Dat moment dat alles versteent. Die fracties van seconden dat alles zich samenbalt in die worp. Dat alles zich concentreert in die bal. Ook de pitcher zelf concentreert zich in die bal.

Mensen vinden honkbal niet leuk omdat er veel te vaak en te lang achter elkaar «niets gebeurt». Dat is onzin. Daar zit juist de schoonheid van de sport, in dat niets. Puur zen.

En dan ook nog die broeken.