Olympische Spelen 2018

Sport verbroedert echt niet

De Olympische Spelen van Pyeongchang gelden als een politiek beladen editie van een doorgaans neutraal en blij evenement. Niets is minder waar. ‘Bij elke, echt elke Olympische Spelen was politiek een belangrijk element.’

Medium 0f9a4dff86b34d10a2c2e4b3b16e880c 0
Noord-Koreaanse cheerleaders juichen voor Choe Un-song, shorttrack 1500 meter. 10 februari © Julie Jacobson / AP / HH

Wie dacht dat sport verbroedert had al in 1900, op de tweede editie van de moderne Olympische Spelen, van die droom kunnen genezen. Het Duitse team las toen bij aankomst in Parijs plakkaten en graffiti met teksten als: ‘Varkens! Weg met Pruisen!’ Als de Duitse teamleider Fritz Hoffmann nog niet begrepen had dat het geen fijne, zorgeloze sportzomer zou worden, dan zou hij zich dat wel hebben gerealiseerd toen hij aankwam in zijn kamer. Daar lag een grote berg poep in zijn bed te marineren. Het was mei, en de Olympische Spelen duurden tot oktober.

De Frans-Pruisische Oorlog van dertig jaar eerder was in Parijs niet vergeten. De Fransen wilden de Duitsers eigenlijk helemaal niet uitnodigen, maar moesten uit naam van de Olympische gedachte – verbroedering van volkeren en zo – bakzeil halen. Maar ze hoefden toch zeker niet speciale moeite te doen? Het Duitse team ontving het wedstrijdschema niet, zodat de Duitse sprinters net op tijd bij de honderd meter aankwamen om het startschot te horen. Het werd de Duitsers verboden om in Franse faciliteiten of met Frans materiaal te trainen, en hun slaapvertrekken werden door een uitputtend scala van nachtelijk omgevingslawaai geplaagd. In de spaarzame gevallen dat een Duitser toch een medaille won, bleek die verrassend vaak kwijtgeraakt.

Zo kinderachtig als in 1900 zou de geopolitiek van de Olympische Spelen niet meer worden uitgespeeld. Maar zo openlijk wel. Zoals bij de editie die nu begonnen is in Zuid-Korea. Al sinds Pyeongchang zich kandidaat stelde is de constante politieke hoogspanning tussen de twee Korea’s een centraal aandachtspunt. En terecht. Rondom het nucleaire programma van Noord-Korea ontvouwde zich het afgelopen jaar de meest urgente internationale crisis van dit moment. En de vorige keer dat Zuid-Korea de Olympische Spelen organiseerde, in 1988, blies Noord-Korea een Zuid-Koreaans vliegtuig op, met 115 doden tot gevolg.

Toch lijkt alles goed gekomen te zijn. Aan de vooravond van de Olympische Spelen bezocht een Noord-Koreaanse delegatie het Zuiden, als opmaat voor meer. Noord-Korea stuurde sporters (plus supporters en bewakers) en liet hen bij de openingsceremonie meelopen in een gezamenlijk Koreaans team. Het is helemaal zoals Pierre de Coubertin het had bedoeld. Eind negentiende eeuw herintroduceerde deze Franse baron het idee van de Olympische Spelen. Net als in de Griekse Oudheid moesten die een ‘Olympische wapenstilstand’ inleiden en wederzijds begrip over culturen en landsgrenzen verspreiden. Pyeongchang 2018 toont dat het werkt. Of toch niet?

‘In plaats van een feest van verbroedering werden de Olympische Spelen een feest van nationalisme’

‘Nee, zo heeft het heeft nooit gewerkt en zo zal het ook nu niet werken’, zegt David Clay Large, hoogleraar aan de Universiteit van San Francisco en auteur van verschillende boeken over de geschiedenis van de Olympische Spelen, in een telefonisch gesprek. ‘De Coubertin zag voor zich dat de Olympische Spelen een fundament onder een blijvende internationale vrede zouden leggen. Maar tegelijk drukte hij een organisatieprincipe door dat daar volledig tegengesteld aan was. De Spelen zouden worden georganiseerd rond landenteams, en atleten mochten alleen meedoen namens nationale Olympische comités. Daarmee plaatste De Coubertin het instinct tot tribalisme in het hart van de Spelen. Al snel veranderden die in een soort internationale vitaliteitswedstrijd tussen landen. Nogal wat landen, zoals Groot-Brittannië in de jaren dertig, interpreteerden teruglopende sportprestaties als zorgwekkende tekenen van nationale strijdkracht. En de Olympische wapenstilstand bleek een dagdroom: in 1916, 1940 en 1944 moesten de Spelen worden afgelast. In plaats van een feest van verbroedering werden de Olympische Spelen een feest van nationalisme.’

Wie zijn geschiedenis goed had gelezen, had dat al kunnen leren uit de Oudheid. Meer dan duizend jaar waren de Olympische Spelen toneel van intense rivaliteit tussen stadstaten. Atleten streden en stierven soms voor de eer van hun stad. De ‘Olympische wapenstilstand’ was in werkelijkheid slechts de afspraak dat de eindeloze oorlogen tussen de Grieken de Spelen zelf niet zouden verstoren. En zelfs dat lukte niet: zo werd Sparta (dat vaak klaagde dat de Spelen niet bloedig genoeg waren) eens uitgesloten na een invasie tijdens de Olympische wapenstilstand.

Ook in de nieuwe tijd was het meteen raak. De eerste Spelen zouden zijn geboycot door Turkije, als gastheer Griekenland de Turken tenminste had uitgenodigd. Hongaren weigerden namens Oostenrijk-Hongarije aan te treden, Ieren namens Groot-Brittannië. In 1908 trok vooral de groeiende geopolitieke rivaliteit tussen de VS en Groot-Brittannië de aandacht. De Britten waren boos dat de VS sporters uit de arbeidersklasse meenamen, en op de openingsceremonie ging het mis toen de Amerikaanse delegatie de vlag niet liet zakken bij het passeren van koning Edward. De finale van het touwtrekken (gewonnen door de Britten, volgens de Amerikanen door valsspelen) liep uit op een knokpartij. Bij terugkomst van de Amerikaanse ploeg tuigden demonstranten (onder het goedkeurend oog van president Teddy Roosevelt) een pop van een Britse leeuw af.

Het waren niet deze zondes tegen het Olympische ideaal, maar het was de nutteloosheid van sport tegen oorlog die het voortbestaan van de Spelen bedreigde. ‘In de jaren twintig was er serieus debat of de Olympische Spelen nog wel moesten doorgaan. Ze hadden immers gefaald’, zegt Large. ‘Toch gingen ze door. Het werd een vast patroon: voorstanders hebben de mond vol van “internationale vrede” en wentelen zich daarna op de Spelen in nationalisme. De Olympische Spelen werden steeds meer een vitrine waarin een land zichzelf tentoonstelde voor de wereld. Eerst waren het vooral steden die zich wilden presenteren aan de wereld, zoals Amsterdam en Los Angeles. Nazi-Duitsland zorgde voor een precedent in 1936: het zette zich als land in de vitrine voor de wereld.’

Op de Spelen van 1972 werd ‘de spiraal van geweld in het Midden-Oosten een grote duw neerwaarts’ gegeven

De Spelen van 1936 in Berlijn veroorzaakten in vele landen – ook Nederland – fel debat. De Spelen waren voor Hitlers machtsovername aan Duitsland toegewezen, maar in 1936 was duidelijk dat hij het Duitse fascisme ermee in de etalage wilde zetten. In die debatten liepen oprechte afkeer van fascisme, het zoeken van een excuus om te gaan en verholen nazisympathieën door elkaar. Die laatste twee gaven overal de doorslag. En dus toog de wereld naar Berlijn, terwijl onder de rook van Berlijn concentratiekamp Sachsenhausen werd geopend. In Berlijn zette volgens de legende de zwarte atleet Jesse Owens de rassenleer van de nazi’s voor schut. Maar terug in de VS moest Owens, naar eigen zeggen, ‘weer de achterdeur gebruiken van de bus. Ik werd niet uitgenodigd om handen te schudden met Hitler, maar ook niet om in het Witte Huis handen te schudden met de president.’

Na de oorlog bleef de geopolitiek van de Spelen op het hoger plan staan waar de nazi’s die naartoe hadden getild. Boycotten van de Spelen werd een van de makkelijkste en meest zichtbare daden van internationale politiek. Melbourne 1956 werd zelfs getroffen door twee boycots: om de Britse invasie van het Suez-kanaal en om de sovjetinvasie van Hongarije (onder meer door Nederland). In Melbourne zelf vochten de waterpoloteams van de Sovjet-Unie en Hongarije hun conflict uit in een wedstrijd die als ‘Bloed op het water’ bekend werd. Het regende in de jaren daarna boycots en politieke incidenten, niet alleen om het Oost-West-conflict maar ook om dekolonisatie, oorlogen en allerlei geopolitieke grieven. In Rome in 1960 kwam maar net de helft van de landen van de wereld opdagen. In 1968 borrelden de sovjetinvasie van Tsjechoslowakije, de burgerrechtenstrijd in de VS en de dekolonisatie over naar de Spelen. De Olympische Spelen leken begin jaren zeventig grondig verpest.

‘De politisering van de Spelen was zo openlijk dat juist West-Duitsland met München 1972 een nieuwe koers wilde inslaan. Willy Brandt wilde tonen dat Duitsland een heel ander land was dan in 1936, dat de Spelen een niet-politiek sportevenement kon maken’, zegt David Clay Large. ‘Die Spelen lijken op die van nu: in een gespleten land, onder politieke spanning. Het liep op een grote domper uit. Oost-Duitsland greep de Spelen aan om in alles zijn soevereiniteit te bewijzen. De atleten en supporters hadden instructies om niet te keuvelen met West-Duitsers of voor hen te juichen; ze hadden zelfs eigen bier meegenomen omdat ze het Beierse brouwsel niet hoefden. De Koude Oorlog werd vervolgens uitgebreid uitgevochten op de sportvelden, met de beruchte basketbalfinale tussen de VS en de Sovjet-Unie als hoogtepunt. En over alles heen kwam de gijzeling van de Israëlische sporters door Palestijnse terroristen, waarbij elf Israëliërs werden gedood. Het gaf de spiraal van geweld in het Midden-Oosten een grote duw neerwaarts.’

In 1980 in Moskou en in 1984 in Los Angeles werd niet eens de schijn van internationale verbroedering opgehouden. Moskou werd door het gehele Westen geboycot, uit protest tegen de sovjetinvasie van Afghanistan, LA door het gehele Oostblok uit protest tegen de commercialisering van de Spelen. De Spelen waren zo’n openlijk vehikel voor geopolitiek geworden dat er een serieuze beweging ontstond om ze permanent in Griekenland te houden. Maar in 1988 gingen ze naar Seoul, Zuid-Korea, dat de Spelen weer op een andere politieke manier gebruikte: als een gooi naar de elitestatus in de wereld.

‘Seoul 1988 was een coming out party voor Zuid-Korea, dat wilde laten zien dat het geen ontwikkelingsland meer was en economisch en technologisch in de kopgroep van de wereld hoorde’, zegt Large. ‘Ook de Spelen van 2008 in China en die van 2016 in Rio de Janeiro waren zo bedoeld: een internationale statusverklaring. In Rio ging het alleen mis, omdat het land tussen de toewijzing en de Spelen economisch weer was weggezakt. Maar Beijing 2008 deed denken aan Berlijn 1936.’

Voor nu zijn de Spelen van 1988 natuurlijk het meest instructief. ‘Ook daar was toenadering, maar pas nadat Noord-Korea een Zuid-Koreaans vliegtuig had opgeblazen met 115 mensen aan boord, om landen af te schrikken om aan de Spelen deel te nemen’, zegt Large. ‘Zuid-Korea opende toen gesprekken, die tot een soort toenadering leidden. Maar die bestond er vooral uit dat Noord-Korea geen nieuwe terreurdaad pleegde tijdens de Spelen. Daarna ging het natuurlijk al snel weer bergafwaarts. Het deed niets voor ontspanning op lange termijn.’

‘Het is nu hetzelfde’, vervolgt hij. ‘De toenadering bestaat in de praktijk alleen uit concessies van Zuid-Korea. Dat zijn steeds heel kleine zaken, maar het creëert het precedent dat concessies van Zuid-Korea moeten komen. Veel Zuid-Koreanen tolereren nu dingen die als verzoening worden gepresenteerd, zoals gedeelde teams, maar ergeren zich daar in werkelijkheid aan. Er is geen enkele indicatie dat dit bijdraagt tot vriendschap voorbij de Spelen, of tot aanpassing van het Noord-Koreaanse kernwapenprogramma. Ook in het verleden van de Olympische Spelen is er geen enkel precedent dat positieve effecten op lange termijn suggereert. Bij elke, echt elke Olympische Spelen was politiek een belangrijk element. En altijd om de nationale trots te strelen onder het mom van internationale verzoening. De Spelen hebben nog nooit bijgedragen aan verbroedering en zullen dat waarschijnlijk ook in Korea niet doen.’