Sportstukjes

Heel veel mensen kijken naar sport. Er zijn aardig wat schrijvers. Maar slechts weinig schrijvers, echte schrijvers, houden zich bezig met volksvermaak nummer één. Sinds het licht gênante moment van de intellectuele sport-coming-out van een paar jaar geleden - toen het tijdschrift Hard Gras werd opgericht en plotseling half intellectueel Nederland voor zijn of haar sportliefde of -verslaving of -verdwazing durfde, en wilde, uitkomen - is het echter bon ton om als serieus auteur de aandacht te richten op het domein dat voorheen strikt was voorbehouden aan de niet-cultureel onderlegde delen der natie.

Iedereen die in die golf is meegegaan en zich koket liet zien als ook zo'n menselijke denker, is te wantrouwen want modieus. Degenen die voor die tijd al over sport schreven daarentegen, zijn de pioniers. Jan Mulder voorop, de grootste aller (sport)stukjesschrijvers. Niemand schrijft zo over sport als hij. Zijn oog voor detail, zijn fantastische associaties, zijn manier van kijken en redeneren… Mulder is niet te overtreffen.
Dat bewijst ook Rob Schouten. Schouten is literatuurcriticus voor Vrij Nederland en Trouw. Hij publiceerde al zeven dichtbundels, een verhalenbundel en twee bloemlezingen met poëzie. Maar Rob Schouten is, meldt het achterplat van De eeuwige bankzitter trots, ook sportverslaafde. Erger nog: al meer dan tien jaar lang schrijft Rob Schouten in Trouw een tweewekelijkse sportbijdrage ‘die de gemiddelde verslaglegging ver achter zich laat. Schouten heeft zich ontwikkeld tot een vedette in het kijken naar sport.’
Schouten was dus eerder dan die hippe golf. Dat siert hem.
De positie van Schouten ten opzichte van de sport is die van de meeste Nederlanders. Zoals hij in het openingsstukje van De eeuwige bankzitter noteert: 'Hebt u dat ook, op zondagavond zo rond een uur of zeven, terwijl u vanuit uw hotelkamer naar die prachtige eeuwige sneeuw kijkt of zó vanaf uw campingplaats de nog warme Middellandse Zee instapt? Dat vreemde gevoel van gemis? Die pijn? Dat schier onlesbare verlangen naar Studio Sport?’
Natuurlijk heeft de lezer dat ook. Net zoals de lezer vrijwel alle anekdoten die Rob Schouten vertelt, herkent. Het speerwerpen op de middelbare school, als tijdens de gymles iedereen vreesde gespiesd te worden. De grote vervelende leren handschoenen bij het honkballen. De teamgeest in het volleybal. De oerwoudgeluiden in de voetbalstadions. Het vreemde verschijnsel golfen - 'een kruising tussen hockey en tuinieren’. En de vervreemding die exotische sporten brengen, als korfbal, touwtrekken, kooivechten, cricket, curling, pelote, skuêtsjesilen en skeeleren.
Niets menselijks is Rob Schouten vreemd. Dat is jammer. De eeuwige bankzitter is niet meer dan een verzameling krantestukjes die bijeen zijn gebracht omdat ze toevallig allemaal op dezelfde plek in dezelfde krant hebben gestaan. Schouten mist het talent om werkelijk verrassende zaken op te merken in de alledaagse onderwerpen die hij beschrijft - terwijl daar juist het echte goede sportschrijven begint. Schouten komt nooit verder dan de halve grap, de halve glimlach en de net-niet-spannende anekdote.
Het is de wereld van de gewone man, de man van zondagavond zeven uur, verbeeld door een dichter (want Rob Schouten is een echte dichter). Het resultaat is een onaantrekkelijke stapel onaantrekkelijke stukjes, die noch voor de gewone man, noch voor de dichter interessant zijn.